De redelijke termijn bij fiscale betwistingen : het Europese Hof voor de Rechten van de Mens veroordeelt België...

De redelijke termijn bij fiscale betwistingen : het Europese Hof voor de Rechten van de Mens veroordeelt België...

Recent werd de Belgische Staat door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) veroordeeld wegens de schending van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Dit artikel waarborgt het recht op een eerlijk proces in burgerlijke – en in strafzaken. Het kan volgens het EHRM niet door de beugel dat de behandeling van een fiscale zaak onredelijk lang duurt (EHRM 10 november 2020, NV Vegotex International t./ België).

Wanneer het (veel te) lang duurt

Vegotex International ontving op 5 oktober 1995 een bericht van wijziging waarbij de fiscale administratie aankondigde haar fiscale aangifte met betrekking tot aanslagjaar 1993 te willen wijzigen. De fiscus verwierp onder meer een belastingaftrek die te maken had met een aandelentransactie en legde het bedrijf ook een belastingverhoging van 50 % op.

Op 2 november 1995 reageerde de vennootschap met een niet-akkoord op de voorgenomen wijzigingen van haar aangifte. Desalniettemin werd op 11 december 1995, ingevolge het bericht van wijziging, een vennootschapsbelasting ingekohierd van ongeveer € 300.000,00 meer een belastingverhoging van 50 %. De aanslag werd aan Vegotex International verzonden op 15 december 1995.

Op 22 februari 1996 diende de vennootschap een bezwaarschrift in bij de gewestelijke directeur. Meer dan 4 jaren later pas, op 19 september 2000, volgde de afwijzende beslissing.

De belastingplichtige trok op 14 december 2000 tegen de beslissing van de directeur naar de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen. Opnieuw meer dan 3 jaren later, op 8 maart 2004, volgde er een vonnis. De vordering werd verworpen behalve wat betreft de belastingverhoging die werd gereduceerd tot 10 %.

Op 15 april 2004 tekende Vegotex International hoger beroep aan. Bijna drie jaren later, op 6 februari 2007, volgde het arrest van het hof van beroep van Antwerpen waarbij het vonnis werd bevestigd.

Op 22 augustus 2007 diende de vennootschap een cassatievoorziening in bij het Hof van Cassatie. Het Hof wees haar arrest op 13 maart 2009: de cassatievoorziening werd verworpen.

Criteria om de (on)redelijkheid van de termijn te meten

Het Europese Hof herinnert in haar arrest eerst aan haar rechtspraak die bepaalt aan de hand van welke criteria het redelijk karakter van de duur van een procedure (waarop het EVRM van toepassing is) moet worden gemeten:

  • de omstandigheden eigen aan het geval en
  • rekening houdend met de volgende criteria:
    • de complexiteit van het geschil;
    • de houding van de verzoeker (hier: de belastingplichtige);
    • en de houding van de bevoegde overheden (hier: de belastingadministratie en de hoven en rechtbanken).

Concreet houdt het Europese Hof rekening met het feit dat in de Belgische wetgeving de bezwaarfase een verplicht te doorlopen procedure is alvorens de belastingplichtige de rechtbank kan vatten (de zogenaamde uitputtingsvereiste). Vegotex International kon dus niet rechtstreeks naar de rechtbank stappen. De bezwaarfase wordt daarom meegeteld bij het berekenen van de termijn.

Anderzijds houdt het Hof rekening met het feit dat de belastingplichtige geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die inmiddels – vanaf 6 april 1999 -  werd geboden (door de inwerkingtreding van de zogenaamde maartse wetten van 1999 die de fiscale procedure grondig hervormden) om de zaak te onttrekken aan de administratie. Deze onttrekking houdt meer bepaald in dat wanneer er na zes maanden nog geen beslissing is genomen over het bezwaar, men als belastingplichtige niet langer hoeft te wachten en men naar de rechtbank kan stappen.

Op die manier bepaalt het Hof dat de in ogenschouw te nemen periode begint op 5 oktober 1995, vanaf het bericht van wijziging, tot het arrest van het Hof van Cassatie van 13 maart 2009. De procedure duurde aldus volgens het Hof 13 jaren en 6 maanden voor een administratief bezwaar en voor een gerechtelijke procedure in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie. Het EHRM tilt inzonderheid zwaar aan het feit dat de fiscus er 4 jaren en 7 maanden over deed om een bezwaarschrift te behandelen en aan het feit dat de rechtszaak 8 jaren en 3 maanden duurde, zij het dat de totale termijn dus dient verminderd met de periode (van ongeveer 20 maanden) waarbinnen de belastingplichtige naliet de zaak te onttrekken (tussen 6 april 1999 en 14 december 2000).

Geen excuses!

Het is volgens het EHRM in het licht van een dergelijke lange termijn geen excuus dat de zaak redelijk complex is met ingewikkelde kwesties inzake verjaring (de vraag naar de verjaringsstuitende werking van een zogenaamd ‘verjaringsstuitend bevel tot betalen’). Evenmin het feit dat de belastingplichtige zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gebruik heeft gemaakt van drie conclusierondes noch het feit dat de inzet van het dossier cijfermatig belangrijk was, verklaren volgens het Europese Hof waarom het allemaal zo lang moest duren.

Schadevergoeding?

NV Vegotex vroeg een schadevergoeding van meer dan € 600.000,00 op basis van de betaalde belastingen en verwijlinteresten. Het Europese Hof kent deze evenwel niet toe. Zij oordeelt dat gezien de concrete omstandigheden de vaststelling van de schending van de rechten van verdediging op zich volstaat als morele schadevergoeding. De te betalen belastingen en aanhorigheden kennen immers volgens het Hof geen causaal verband met de schending van de redelijke termijn.

Het Vegotex-arrest maakt duidelijk dat er geen excuses te verzinnen zijn voor een fiscale procedure waarvan de relevante termijn die in rekenschap dient te worden gebracht meer dan 11 jaren bedraagt. Van een redelijke termijn is dan geen sprake meer. De chronometer gaat in vanaf het bericht van wijziging en er wordt afgeklokt bij de einduitspraak (desgevallend het cassatiearrest). De belastingplichtige moet van zijn kant weliswaar de zaak activeren waar mogelijk. Een effectieve schadevergoeding lijkt evenwel slechts aan de orde wanneer kan worden aangetoond dat er een verband bestaat tussen de schending van een grondrecht enerzijds en de te betalen belastingen en aanhorigheden anderzijds. Precedent in dit verband is het Chambaz-arrest van het EHRM van 5 april 2012 in verband met de schending van onder meer de wapengelijkheid waarbij de Zwitserse Staat werd veroordeeld tot het betalen aan de heer Chambaz van een schadevergoeding gelijk aan de door hem betaalde  belastingen en boeten.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Tax Talks verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.