TOEPASSING VRIJSTELLING DOORSTORTING BEDRIJFSVOORHEFFING VOOR ONDERZOEK & ONTWIKKELING: CONTROLE VERSCHERPT !

TOEPASSING VRIJSTELLING DOORSTORTING BEDRIJFSVOORHEFFING VOOR ONDERZOEK & ONTWIKKELING: CONTROLE VERSCHERPT !

Bepaalde instellingen en ondernemingen kunnen met betrekking tot bezoldigingen uitbetaald aan onderzoekers en bijzonder wetenschappelijk personeel genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. In het kader van het relanceplan 2012 werd dit vrijstellingspercentage vanaf 1 juli 2013belangrijk verhoogd van 75% naar 80%. Deze verhoging gaat weliswaar gepaard met de invoering van betere controlemaatregelen op de toepassing van deze fiscale incentive door ondernemingen. Zo wordt voortaan op eenvormige wijze in een wettelijke definitie van het begrip “onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s” voorzien. Bovendien komen deze projecten en programma’s vanaf 1 januari 2014 voortaan slechts in aanmerking voor de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing indien ze werden aangemeld bij de Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid (hierna: “POD Wetenschapsbeleid”). Ook voor reeds lopende projecten en onderzoeken lijkt de controle te zijn verscherpt en worden vragen om inlichtingen verstuurd naar ondernemingen die de vrijstelling toepasten.

wettelijk kader – artikel 273/3 WIB’92

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor zogenaamde “kenniswerkers” werd door de Wet van 23 december 2005 ingevoerd als steunmaatregel, en zit vervat in artikel 273/3 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen.

Gezien de aard van deze maatregel is de wetgeving vaak aan wijzigingen onderhevig naar gelang het beleid in dit verband. Zoals aangegeven in de inleiding werd deze wetgeving laatst gewijzigd in het kader van het ‘relanceplan 2012’, inzonderheid door de Wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling. Door deze wet werd enerzijds het vrijstellingspercentage vanaf 1 juli 2013 algemeen verhoogd naar 80%, en anderzijds voorzien in controlemaatregelen ten aanzien van ondernemingen door de invoering van de aanmeldingsplicht bij de POD Wetenschapsbeleid vanaf 1 januari 2014.

toepassingsgebied – ook ondernemingen

Niet alleen universiteiten en bijzondere wetenschappelijke instellingen komen in aanmerking voor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Ook ondernemingen kunnen van deze fiscale incentive genieten.

Artikel 273/3, §1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen weerhoudt inzonderheid volgende categorieën van bezoldigingen uitbetaald door ondernemingen aan onderzoekers:

(1) bezoldigingen uitbetaald of toegekend door ondernemingen aan onderzoekers in het kader van onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s ter uitvoering van samenwerkingscontracten met universiteiten en hogescholen binnen E.E.R. of erkende wetenschappelijke instellingen;

(2) bezoldigingen uitbetaald of toegekend door Young Innovative Companies aan bijzonder wetenschappelijk personeel (onderzoekers, onderzoekstechnici, projectbeheerders, met uitsluiting van administratief en commercieel personeel) werkzaam in ondergeschikt verband;

als Young Innovative Company wordt aangemerkt een vennootschap die onderzoeksprojecten uitvoert en, aan het einde van het belastbare tijdperk voorafgaand aan het belastbaar tijdperk van betaling of toekenning van de bezoldigingen, aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • - de vennootschap is een kleine vennootschap zoals gedefinieerd in artikel 15, §1 van het Wetboek van Vennootschappen;
  • - de vennootschap bestaat minder dan 10 jaar voor 1 januari van het jaar waarin de vrijstelling van storting van de bedrijfsvoorheffing wordt toegekend; 
  • - de vennootschap is niet opgericht in het kader van een concentratie, herstructurering, uitbreiding van vroegere activiteiten of overname van dergelijke activiteiten;
  • - de vennootschap heeft uitgaven gedaan op het vlak van onderzoek en ontwikkeling die minstens 15% van de totale kosten van het voorgaande belastbaar tijdperk vertegenwoordigen.

(3) bezoldigingen uitbetaald of toegekend door ondernemingen aan onderzoekers met een wettelijk bepaald diploma (doctor of master in de toegepaste of exacte wetenschappen, geneeskunde, biotechniek, architectuur, productontwikkeling, …) tewerkgesteld in het kader van onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s.

Eenzelfde bezoldiging of eenzelfde deel ervan kan echter slechts in aanmerking komen voor één van de in artikel 273/3, §1 WIB’92 bedoelde vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing (artikel 273/3, §1, in fine WIB’92).

begrip “onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of-programma’s”

Om de vrijstelling te kunnen toepassen moeten ondernemingen aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo komen enkel bezoldigingen uitbetaald aan de wettelijk bepaalde onderzoekers in aanmerking. Bovendien kan de vrijstelling enkel worden genoten met betrekking tot bezoldigingen die verband houden met de onderzoeks- of ontwikkelingsprogramma’s of –projecten; de vrijstelling moet inzonderheid worden toegepast in verhouding tot de tijd die de onderzoekers effectief hebben besteed aan onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s.

Tot voor 1 januari 2014 werd niet voorzien in een wettelijke definitie van het begrip “onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s”. Omtrent de draagwijdte van dit begrip ontstond dan ook een belangrijke rulingpraktijk, waarbij werd verwezen naar zowel parlementaire stukken als internationale bronnen zoals de Frascati handleiding van de OESO.

In deze rulingpraktijk werd bijzonder belang gehecht aan het oogmerk waarmee de activiteiten worden uitgeoefend. Kort gesteld moeten de activiteiten in hoofdzaak tot doel hebben nieuwe wetenschappelijke of technische kennis en/of inzichten te verwerven of toe te passen; ook voorbereidende activiteiten die met dit bijzonder oogmerk worden uitgeoefend komen in aanmerking voor de vrijstelling. De activiteiten moeten bovendien op dermate wijze worden uitgeoefend dat ze de specifieke doelstelling van het onderzoek of de ontwikkeling dienen.

Door de wet van 17 juni 2013 werd het begrip “onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s” eenvormig ingevoerd en met ingang van 1 januari 2014 tevens gedefinieerd in artikel 273/3, §3 WIB’92. Artikel 273/3, §3 WIB’92 bepaalt inzonderheid:

“Onder onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of –programma’s als bedoeld in §1 worden verstaan de projecten of programma’s die tot doel hebben:

a) fundamenteel onderzoek: experimentele of theoretische activiteiten die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en waarneembare feiten, zonder dat hiermee een rechtstreekse praktische toepassing of gebruik wordt beoogd;

b) industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor de validering van generale technologieën, met uitzondering van prototypes;

c) experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere kennis en vaardigheden voor plannen, schema’s of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten. Hieronder kan tevens de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, procedés of diensten worden verstaan en het vastleggen van informatie daarover. Deze activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd.

De ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten valt eveneens onder experimentele ontwikkeling indien het prototype noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie en validatiedoeleinden te worden gebruikt.

Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.”

Uit de Memorie van Toelichting bij deze wetgeving blijkt dat deze definitie teruggaat op de verordening nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008, waarbij software niet expliciet wordt uitgesloten.

De Memorie van Toelichting verduidelijkt tevens dat niettegenstaande onder experimentele ontwikkeling niet wordt verstaan routinematig of periodieke wijziging van bestaande producten etc. zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden, de ontwikkeling evenwel periodiek kan plaatsvinden voor zover het nieuwe kennis en vaardigheden aanbrengt aan de ontwikkelde producten etc. Om dit te illustreren wordt verwezen naar het onderscheid tussen de ontwikkeling van een bijwerkingsmodule voor software en de (concrete) invoering van deze module in een informaticasysteem; het eerste kan afhangen van experimentele ontwikkeling, maar het tweede houdt de facto geen experimentele ontwikkeling meer in.

Voor het overige wordt in de Memorie geen bijkomende toelichting gegeven. Deze wettelijke verankering lijkt wel aan te sluiten bij voormelde rulingpraktijk. Zo wordt expliciet erkend dat de ontwikkeling van software, ook bestaande software, in voorkomend geval in aanmerking komt voor de vrijstelling. Essentieel lijkt telkens te zijn dat de activiteiten tot doel hebben een wetenschappelijke of technische vooruitgang teweeg te brengen resulterend in een toename van de hoeveelheid kennis.

meldingsplicht bij POD Wetenschapsbeleid

Vanaf 1 januari 2014 moeten ondernemingen de onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of-programma’s verplicht aanmelden bij de POD Wetenschapsbeleid. Alleen na melding bij de POD Wetenschapsbeleid kan de vrijstelling worden toegepast. Deze meldingsplicht geldt enkel voor ondernemingen, en niet voor universiteiten en wetenschappelijke instellingen.

Deze bijzondere verplichting is van toepassing vanaf 1 januari 2014 voor onderzoeken en projecten opgestart vanaf 1 januari 2014. Voor de vóór 1 januari 2014 reeds lopende projecten en programma’s moet geen melding worden gedaan tot 31 december 2014; vanaf 1 januari 2015 moet ook voor deze projecten en programma’s aan de meldingsplicht worden voldaan. De Memorie van Toelichting voorziet echter dat voor de aanslagjaren waarin de definitie nog niet ingevoerd was, het project of programma wordt getoetst aan de voor dat jaar geldende wetsbepalingen. In de praktijk blijken heel wat vragen om inlichtingen te worden verstuurd aan ondernemingen die voor de voorbije aanslagjaren de vrijstelling hebben toegepast. Hierbij wordt verzocht de toepassing van de vrijstelling op omstandige wijze te onderbouwen (diploma’s onderzoekers, omstandige omschrijving onderzoeks- of ontwikkelingsproject, de tijd die de onderzoekers hebben besteed aan het onderzoek of project, …).

Ook de aanmelding bij de POD Wetenschapsbeleid moet op dezelfde omstandige wijze worden gedocumenteerd. De POD Wetenschapsbeleid gaat na of alle voorwaarden om de vrijstelling toe te passen zijn voldaan. Is dit niet het geval dan wordt de al toegepaste vrijstelling van doorstorting teruggenomen.

Om vooraf zekerheid te bekomen omtrent de toepassing van de vrijstelling kan men bindend advies vragen bij de POD Wetenschapsbeleid. Artikel 95/3 van het KB/WIB’92 bepaalt de procedure in dit verband. Zo dient een omstandig dossier te worden overgemaakt. Bovendien kan de POD Wetenschapsbeleid om bijkomende informatie verzoeken. Zodra de POD Wetenschapsbeleid de aanvraag volledig acht, begint een termijn van 3 maanden te lopen waarbinnen het bindend advies wordt meegedeeld. Deze termijn kan evenwel in onderling overleg worden gewijzigd.

De gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing blijft een fiscale incentive met een belangrijk financieel impact voor ondernemingen, zeker door de verhoging van het vrijstellingspercentage naar 80%. Ook laat de vrijstelling heel wat toepassingen toe, onder meer voor software alsook voor voorbereidende werken in het kader van onderzoek en ontwikkeling. De verscherpte controles vergen echter een juiste toepassing van deze fiscale incentive, zowel voor het verleden als voor de toekomst. Anticiperen en voldoende documenteren lijken hierbij de boodschap om te vermijden alsnog niet-doorgestorte bedrijfsvoorheffing te moeten betalen.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.