TIJDSCHRIFT VOOR FISCAAL RECHT: VRIJSTELLING ONROERENDE VOORHEFFING VOOR ONROERENDE GOEDEREN BESTEMD TOT "SOORTGELIJKE WELDADIGHEIDSINSTELLINGEN" – ZIT HET HOF VAN CASSATIE (AL) OP DEZELFDE GOLFLENGTE ALS HET GRONDWETTELIJK HOF?

TIJDSCHRIFT VOOR FISCAAL RECHT: VRIJSTELLING ONROERENDE VOORHEFFING VOOR ONROERENDE GOEDEREN BESTEMD TOT "SOORTGELIJKE WELDADIGHEIDSINSTELLINGEN" – ZIT HET HOF VAN CASSATIE (AL) OP DEZELFDE GOLFLENGTE ALS HET GRONDWETTELIJK HOF?

I. Ter inleiding: "Soortgelijke weldadigheidsinstellingen", een begrip met een parcours tot op het hoogste niveau

Over het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" is al heel wat inkt gevloeid. Het betreft meer bepaald het begrip zoals vervat in de regelgeving omtrent de vrijstelling onroerend voorheffing voor panden die zonder winstoogmerk door een belastingplichtige of bewoner worden bestemd tot de in de wet voorziene instellingen (zoals onder meer klinieken en vakantiehuizen), en aldus de instellingen die daaraan soortgelijk zijn.

Het Hof van Cassatie heeft op een gegeven moment, middels inmiddels vaststaande rechtspraak, een definitie van het begrip geformuleerd. Het Grondwettelijk Hof evenwel zag recent, maart 2018, een ongelijkheid en verruimde in feite de definitie van het Hof van Cassatie.

Het voorliggende cassatiearrest is, voor zover bekend, het eerste na het arrest van het Grondwettelijk Hof. Het is dan ook interessant te weten of het Hof van Cassatie het Grondwettelijk Hof volgt dan wel, zoals volgens sommigen, er zijn eigen (enge) definitie blijft op na houden. Het is voornamelijk vanuit deze invalshoek dat wij het betrokken cassatiearrest hierna tegen het licht wensen te houden.

II. Feitenrelaas: een pand bestemd tot brandweeropslagplaats

De relevante feiten zijn als volgt. NV E.G.D. heeft bij overeenkomst van 6 december 2004, voor 30 jaar, een pand aan de stad Doornik verhuurd voor het uitsluitend gebruik als brandweeropslagplaats. De huurder is volgens de huurovereenkomst gehouden tot betaling van de onroerende voorheffing.

Sinds 2007 wordt er in hoofde van NV E.G.D. een aanslag onroerende voorheffing gevestigd met betrekking tot het betrokken onroerend goed. Voor ieder aanslagjaar heeft NV E.G.D. een bezwaarschrift ingediend waarbij de vrijstelling onroerende voorheffing werd geclaimd. Het dossier werd aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg van Bergen, toen een beslissing over het bezwaarschrift uitbleef. De stad Doornik is vrijwillig tussen gekomen in de zaak gezien zij contractueel gehouden is alle belastingen en taksen te dragen die betrekking hebben op het onroerend goed.

III. Wettelijk kader: vrijstelling onroerende voorheffing voor "soortgelijke weldadigheidsinstellingen"

Luidens artikel 253, 1° WIB 1992, zoals het van toepassing is in het Waals Gewest (voor het betrokken aanslagjaar 2007) wordt van de onroerende voorheffing vrijgesteld: het kadastraal inkomen van de in artikel 12, § 1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen, met inbegrip van de serviceflats en opvanginfrastructuren voor kinderen onder 3 jaar evenals de infrastructuur voor de opvang en huisvestiging van gehandicapte personen.

Die goederen zijn, volgens voormeld artikel 12, § 1 WIB 1992, die welke een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden of van "andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen".

Tot op vandaag geldt voor het Vlaamse Gewest (thans geregeld in art. 2.1.6.0.1 CVF) een sterk vergelijkbare regeling zodat de hierna besproken rechtspraak evenzeer voor deze regelgeving relevant is.

IV. Rechtbank eerste aanleg: toekenning vrijstelling wegens soortgelijkheid met hospitaal of rusthuis

Bij tussenvonnis van 7 oktober 2013 oordeelde de rechtbank van Bergen dat alleen de vordering gericht tegen de aanslag onroerende voorheffing, aanslagjaar 2007 ontvankelijk is: de partijen werden uitgenodigd te besluiten over de grond van de zaak en over de gegrondheid van de vrijwillige tussenkomst van de stad Doornik.

Bij eindvonnis van 3 maart 2014 heeft de rechtbank van Bergen de vordering van de NV E.G.D. ingewilligd. Volgens de rechtbank is de brandweerdienst die in het betrokken pand is gevestigd een weldadigheidsinstelling in de zin van artikel 12, § 1 WIB 1992, in dezelfde hoedanigheid als een hospitaal of een rusthuis. De betrokken aanslag, aanslagjaar 2007 werd vernietigd en het vonnis werd gemeen en tegenstelbaar verklaard ten aanzien van de stad Doornik.

V. Hof van beroep: interventies van brandweerdiensten niet gelijk te stellen met fysieke of geestelijke zorg

De Belgische Staat tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift van 23 juli 2014. Het hof van beroep van Bergen oordeelde anders dan in het vonnis a quo.

Het begrip "andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen" moet volgens het hof strikt worden geïnterpreteerd. Het wijst erop dat artikel 12, § 1 WIB 1992 een uitzondering uitmaakt op de regel volgens dewelke inkomsten uit onroerende goederen belastbaar zijn. Daaruit volgt, nog steeds volgens het hof, dat het "soortgelijk" karakter zoals geviseerd door de wet geen ruimere interpretatie mag krijgen dan deze die door de wet zelf wordt bedoeld.

De onroerende goederen bestemd tot andere weldadigheidsinstellingen kunnen volgens het hof van beroep slechts de vrijstelling voorzien in artikel 12, § 1 WIB 1992 genieten in de mate dat hun activiteiten gelijkaardig zijn met deze van de weldadigheidsinstellingen opgesomd in de wet.

Bijgevolg, zo redeneert het hof, kunnen enkel die instellingen die een onbetwistbare analogie vertonen met hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen en vakantiehuizen voor kinderen of voor gepensioneerden in aanmerking komen voor de vrijstelling.

Met "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" worden volgens het hof van beroep, met verwijzing naar cassatierechtspraak, de instellingen bedoeld die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken.

Hoewel de brandweerlieden tijdens hun interventies vaak de eerste hulp ("les premiers soins") [1] moeten toedienen aan de personen die in een medische noodsituatie verkeren, zolang deze niet daadwerkelijk geholpen kunnen worden door artsen of verplegend personeel, kunnen zij, volgens het hof, niet gelijkgesteld worden met instellingen die fysieke of geestelijke zorg aan personen verstrekken.

Het hof van beroep komt tot het besluit dat, in tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft beslist, de brandweerdiensten, die een publieke dienst uitmaken, niet kwalificeren als een weldadigheidsinstelling die analoog is aan deze van hospitalen, klinieken, dispensaria of rusthuizen.

VI. Het Hof van Cassatie verbreekt: eerste hulp kwalificeert als zorg

A. De cassatievoorziening

NV E.G.D. en de stad Doornik dienden een cassatieberoep in tegen het arrest van het hof van beroep van Bergen. Er wordt daarbij één middel in twee onderdelen aangevoerd, het tweede onderdeel ondergeschikt aan het eerste.

Het eerste onderdeel komt erop neer dat noch de omstandigheid dat de fysieke of geestelijke zorg "eerste hulp" zou zijn, noch de omstandigheid dat ze "in een noodsituatie" zou worden verstrekt, noch de omstandigheid dat ze zou worden verstrekt door een "openbare dienst" er voor zorgen dat deze zorg wordt uitgesloten van het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" in de zin van artikel 12, § 1 WIB 1992.

Het tweede onderdeel voert in essentie aan dat het feit dat de in de wet bedoelde activiteit geheel of gedeeltelijk buiten het pand wordt uitgeoefend, de vrijstelling niet in de weg staat. Volgens dit onderdeel kan de vrijstelling bijgevolg niet worden geweigerd om reden dat de brandweerlieden de zorg verstrekken tijdens interventies die buiten en niet in het litigieuze pand plaatsvinden.

B. Het hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie verwerpt vooreerst een door de Belgische Staat aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid omtrent het eerste onderdeel, wegens gebrek aan belang. Dit behoeft hier geen verdere commentaar.

Wat betreft de gegrondheid van het eerste onderdeel vermeldt het Hof van Cassatie, zoals gebruikelijk, eerst de toepasselijke regelgeving. Vervolgens oordeelt het kort en bondig dat: "een instelling die op eender welke fysieke of geestelijke zorg verstrekt, in de zin van die bepaling (lees art. 12, § 1 WIB 1992) een soortgelijke weldadigheidsinstelling als een hospitaal, kliniek of dispensarium [is]".

Vervolgens komt het Hof van Cassatie tot de bevinding dat het hof van beroep van Bergen de bepalingen van artikel 253, 1° WIB 1992 en artikel 12, § 1 WIB 1992 heeft geschonden. Het Hof van Cassatie schuift in dit verband naar voren, minstens impliciet, dat het hof van beroep in zijn beoordeling tegenstrijdig is. Enerzijds stelt het hof van beroep vast dat de brandweerlieden tijdens hun interventies vaak eerste hulp moeten toedienen aan de personen die in een medische noodsituatie verkeren, zolang deze niet daadwerkelijk geholpen kunnen worden door artsen of verplegend personeel. Maar anderzijds oordeelt het hof tegelijk dat zij niet kunnen worden gelijkgesteld met hospitalen, klinieken of dispensaria die instellingen zijn die fysieke of geestelijke zorg aan personen verstrekken en dat de brandweerdienst, die een openbare dienst is, geen soortgelijke weldadigheidsinstelling is als een hospitaal, kliniek, dispensarium of rusthuis.

Het tweede onderdeel van het middel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, werd door het Hof van Cassatie – om die reden – niet onderzocht.

VII. Analyse in het licht van de eerdere cassatierechtspraak en van de arresten van het Grondwettelijk Hof

A. Fysieke of geestelijke zorg naast opvang van hulpbehoevenden

Er zijn heel wat geschillen ontstaan en er is bijgevolg diverse rechtspraak over wat precies dient te worden verstaan onder het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstellingen[2] .

In een arrest van 21 december 1948 oordeelde het Hof van Cassatie reeds dat de vrijstelling van de grondbelasting slechts toepasselijk is indien het werk analogie vertoont met een van de werken opgesomd door de betrokken wetsbepaling; ieder zedelijk of sociaal werk dat met de christelijke principes strookt, valt niet noodzakelijk binnen de opsomming van goede werken bedoeld door die wetsbepaling [3] .

Enkel die inrichtingen die een onbetwistbare analogie vertonen met de hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden zouden eveneens vatbaar zijn voor de vrijstelling [4] .

Uiteindelijk is er een gevestigde rechtspraak van het Hof van Cassatie gekomen omtrent het begrip.

Volgens het Hof van Cassatie moeten de vrijstellingsregels beperkend worden uitgelegd [5] .

Met "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" worden volgens het Hof van Cassatie de instellingen bedoeld "die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken[6] . Dat het verstrekken van de "fysieke of geestelijke zorg niet gepaard gaat met een overnachting in de instelling of met het verschaffen van onderdak" belet niet dat "een instelling die deze zorg verstrekt een soortgelijke weldadigheidsinstelling is[7] . De verstrekking van de zorg kan ook telefonisch gebeuren [8] .

Het Grondwettelijk Hof had in 2007 reeds geantwoord op de vraag of de vrijstellingsregels een discriminatie inhouden. Het Grondwettelijk Hof onderlijnde dat de doelstelling van de vrijstelling erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden gebruikt, fiscaal te begunstigen.

Er is volgens het Grondwettelijk Hof een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer rusthuizen zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing, terwijl instellingen die andere categorieën van personen dan bejaarden opvangen niet dezelfde vrijstelling zouden genieten. Het Grondwettelijk Hof gaf daarbij als voorbeelden gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen [9] .

Daar waar het Hof van Cassatie het begrip soortgelijke weldadigheidsinstellingen verengt tot deze instellingen die fysieke of geestelijke zorg verstrekken, focust het Grondwettelijk Hof aldus vanuit de bedoeling van de wetgever op de opvang van hulpbehoevenden zoals gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen.

B. Fysieke of geestelijke zorg, maar tevens sociale of maatschappelijk zorg

Op grond van zijn definitie omtrent soortgelijke weldadigheidsinstellingen als instellingen die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken oordeelde het Hof van Cassatie dat erkende sociale werkplaatsen niet kunnen worden beschouwd als een soortgelijke weldadigheidsinstelling. Het Hof van Cassatie oordeelde dat "een sociale werkplaats", die "tewerkstelling in een beschermde arbeidsomgeving verschaft aan bepaalde doelgroepen", "een activiteit heeft die verschilt van een instelling die fysieke of geestelijke zorg verstrekt[10] .

Een geschil hangende voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent handelt over een VZW bestaande uit een departement "kringloopwinkel" en een departement "sociale dienst". De VZW heeft als doel onder meer "het opvangen van personen en gezinnen die zich in een kwetsbare situatie bevinden of het risico lopen hierin terecht te komen" en "het ontwikkelen en waarborgen van de tewerkstelling van langdurig werklozen".

Zij meent als "soortgelijke weldadigheidsinstelling" recht te hebben op de vrijstelling van onroerende voorheffing met betrekking tot de onroerende goederen die zij aanwendt voor de werking van beide departementen. Het Vlaamse Gewest weigert deze vrijstelling toe te kennen onder verwijzing naar de voormelde cassatierechtspraak.

Naar aanleiding van dit geschil rees de vraag of het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden als men ervan uit gaat dat het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstelling", "uitsluitend betrekking heeft op een instelling die fysieke of geestelijke zorg verstrekt", zodat andere zorg, "zoals sociale en maatschappelijke zorgverstrekking", is uitgesloten.

De rechtbank merkt op dat het Grondwettelijk Hof eerder heeft geantwoord op de vraag of de vrijstellingsregels een discriminatie inhouden waarbij het verwees naar het hoger besproken arrest van het Grondwettelijk Hof van 2007. De rechtbank van Gent achtte het opportuun, in het licht van deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, een nieuwe prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

De rechtbank kwam immers tot het oordeel dat uit de lezing van de cassatierechtspraak volgt dat een vrijstelling van onroerende voorheffing mogelijk is als een belastingplichtige een onroerend goed zonder winstoogmerk gebruikt om aan hulpbehoevenden fysieke of geestelijke zorg te verstrekken, terwijl een vrijstelling volgens diezelfde cassatierechtspraak niet mogelijk is als een belastingplichtige een onroerend goed zonder winstoogmerk gebruikt om aan hulpbehoevenden andere hulp dan fysieke of geestelijke zorg te verstrekken. Volgens de rechtbank bevindt de betrokken VZW zich in die laatste situatie, omdat zij aan hulpbehoevenden sociale en maatschappelijke zorgverstrekking verschaft [11] .

Het Grondwettelijk Hof heeft de prejudiciële vraag beantwoord in een arrest van 29 maart 2018 [12] .

In dit arrest onderlijnde het Grondwettelijk Hof opnieuw de doelstelling van de vrijstelling, te weten de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat in de interpretatie dat het begrip "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" uitsluitend betrekking heeft op instellingen die fysieke of geestelijke zorg verstrekken en niet op instellingen die andere zorg verstrekken het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Volgens het Hof is in die interpretatie "de vrijstelling van de onroerende voorheffing gegrond op een criterium dat niet in verband staat met de doelstelling van de vrijstelling die erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen" (B.3.1.).

Volgens het Grondwettelijk Hof evenwel kan de in het geding zijnde bepaling ook op een andere wijze worden geïnterpreteerd "volgens welke de instellingen waar, zonder winstoogmerk, andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden wordt verstrekt als soortgelijke weldadigheidsinstellingen in de zin van artikel 253 van het WIB 1992 kunnen worden beschouwd" (B.4.1.).

Het Grondwettelijk Hof licht dit verder toe als volgt: "Voor de andere in artikel 12, § 1 van het WIB 1992 limitatief opgesomde instellingen wordt de vrijstelling van onroerende voorheffing immers niet beperkt tot de instellingen die enkel fysieke of geestelijke zorg verstrekken. Ook onderwijsinstellingen en vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden, komen, voor wat het aanslagjaar 2013 betreft, in aanmerking voor die vrijstelling." (B.4.1.).

Het Grondwettelijk Hof heeft aldus een duidelijk standpunt ingenomen. In een grondwetsconforme interpretatie moet men ervan uitgaan dat instellingen die zonder winstoogmerk andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden verstrekken, evenzeer als soortgelijke weldadigheidsinstellingen kwalificeren en dus ook in aanmerking komen voor vrijstelling van onroerende voorheffing. Die andere zorg kan dan bestaan uit bij voorbeeld sociale en maatschappelijke zorgverstrekking aan hulpbehoevenden.

Aan instellingen die dergelijke "andere" zorg verstrekken, kan de vrijstelling onroerende voorheffing – in een grondwetsconforme interpretatie ervan – aldus niet langer worden ontzegd louter op basis van het argument dat zij geen fysieke of geestelijke zorg zouden aanbieden [13] .

C. Wat is thans de visie van het Hof van Cassatie in het "brandweer-arrest"?

1. Even bijsturen …

Het standpunt van het Hof van Cassatie in zijn arrest van 11 mei 2018 lijkt ons duidelijk. Eens men als feitenrechter heeft vastgesteld dat er sprake is van zorg ("eerste hulp" of "les premiers soins") kan men niet tegelijk oordelen, zonder schending van de betrokken wettelijke bepalingen, dat er geen sprake is van een instelling die fysieke of geestelijke zorg verstrekt en bijgevolg dat er geen sprake zou zijn van een soortgelijke weldadigheidsinstelling.

Met andere woorden zorgverstrekking blijft zorg, ook al is het bij wijze van eerste hulp, door een openbare dienst en in de omstandigheid van een noodsituatie. Meer dan dit lijkt het Hof van Cassatie ons niet te hebben geoordeeld. De stelling van het Hof van Cassatie kunnen wij bijtreden. Er valt immers niet in te zien waarom het verstrekken van hulp, nota bene in een medische noodsituatie, geen zorgverstrekking zou uitmaken.

Het arrest van het Hof van Cassatie valt perfect te rijmen met het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof van 2018, minstens in die zin dat het Hof van Cassatie er geen afbreuk aan doet.

In dit verband valt op te merken dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 11 mei 2018 niet langer uitdrukkelijk voorop stelt dat met soortgelijke weldadigheidsinstellingen die instellingen bedoeld worden "die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken" zoals het dit wel telkens deed in zijn vorige arresten met betrekking tot deze problematiek [14] . Het Hof van Cassatie oordeelt enkel dat een instelling die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekt soortgelijk is aan een ziekenhuis, een kliniek of een dispensarium, hetgeen overigens niemand zal tegenspreken.

Zodoende zorgt het Hof van Cassatie ervoor om geen afbreuk te doen aan het standpunt van het Grondwettelijk Hof dat er ook sprake kan zijn van maatschappelijke of sociale zorg.

De soortgelijkheid wordt door het Hof van Cassatie alleen afgetoetst aan die instellingen vernoemd in de betrokken regelgeving waar sprake is van fysieke of geestelijke zorgverstrekking. Dit arrest was voor het Hof van Cassatie daartoe de perfecte gelegenheid, nu de onderliggende feiten precies betrekking hebben op de hulpverlening en zorgverstrekking door brandweerlieden. Het Hof van Cassatie heeft wellicht doelbewust, het recent arrest van het Grondwettelijk Hof indachtig, de instellingen die in principe niet meteen fysieke of geestelijke zorg verstrekken (zoals zij die onderwijs verstrekken en de vakantiehuizen) maar evenzeer door de vrijstelling worden beoogd, uit deze aftoetsing weggelaten.

Kortom, het Hof van Cassatie neemt weliswaar nog steeds aan dat instellingen die fysieke of geestelijke zorg verstrekken soortgelijke weldadigheidsinstellingen zijn, maar het sluit, middels een kleine bijsturing, niet langer uitdrukkelijk uit dat er ook sprake kan zijn van andere soorten zorg-verstrekking [15] .

Gezien het voorgaande kunnen wij de visie dat het Hof van Cassatie in het arrest van 11 mei 2018 "zijn (enge) omschrijving van het begrip 'soortgelijke weldadigheidsinstelling' als instellingen die op eendere welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken herhaalt" niet bijtreden [16] .

Het blijft uitkijken naar verdere rechtspraak van het Hof van Cassatie in dit verband (bv aangaande een erkende sociale werkplaats) om dienaangaande meer (rechts)zekerheid te verkrijgen.

2. … met oog op grondwetsconformiteit

De voornoemde bijsturing valt toe te juichen en is logisch nu van het Hof van Cassatie toch niet kan worden verwacht dat het er een (inmiddels) niet-grondwetsconform (bevonden) lezing van de betrokken regelgeving zou (blijven) op nahouden.

Ons inziens kunnen evenmin de feitenrechters zich permitteren de grondwetsconforme definitie zoals in maart 2018 voorop gesteld door het Grondwettelijk Hof te negeren.

Het Grondwettelijk Hof beperkt zich weliswaar tot het beantwoorden van een abstracte vraag, en het komt aan de verwijzende rechter toe om het concrete rechtsgeschil op te lossen aan de hand van het antwoord van het Grondwettelijk Hof [17] . Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Grondwettelijk Hof is evenwel bindend voor het rechtscollege dat de vraag heeft gesteld [18] .

Aan het op een prejudiciële vraag gewezen arrest komt bovendien meer dan een louter relatief gezag van gewijsde toe: het is bindend niet alleen voor elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet [19] maar ook voor de rechtscolleges die in andere zaken over een "identiek onderwerp" uitspraak moeten doen, onverminderd de mogelijkheid om aan het Grondwettelijk Hof een nieuwe prejudiciële vraag te stellen [20] .

Een prejudicieel arrest heeft, weliswaar zonder de ongrondwettige bepaling uit de rechtsorde te doen verdwijnen, aldus een effect dat het geschil overstijgt dat hangende is voor de rechter die de prejudiciële vraag heeft gesteld [21] . Wanneer een rechter wordt geconfronteerd met een geschil naar aanleiding waarvan hij wetsbepalingen dient toe te passen die aan een grondwettigheidstoets zijn onderworpen, ligt het in de logica van het systeem dat de grondwetgever heeft gewild dat die rechter weigert bepalingen toe te passen die het Grondwettelijk Hof ongrondwettig heeft geoordeeld, tenzij hij het noodzakelijk acht een nieuwe prejudiciële vraag te stellen [22] . De arresten van het Grondwettelijk Hof zijn van rechtswege uitvoerbaar en hebben een definitief karakter [23] . Zij worden in hun geheel of bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad [24] . De datum van bekendmaking van een arrest in het Belgisch Staatsblad is de datum waarop de burgers worden geacht van dat arrest kennis te hebben genomen [25] . Het hoger besproken arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 maart 2018 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 augustus 2018.

D. Komt de wetgever tussen?

Het ziet er dus naar uit dat het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof stilaan met hun respectievelijke rechtspraak op dezelfde golflengte komen te zitten. Het valt uiteraard ook niet uit te sluiten, en het blijkt zelfs zeer waarschijnlijk, dat de wetgever zelf zal ingrijpen in een poging om iedere discriminatie in de betrokken regelgeving uit te sluiten. De bevoegde minister, dhr. Bart Tommelein, antwoordde in dit verband onder meer als volgt, op een vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel [26] :

"(…) We kijken uiteraard met belangstelling uit naar het vonnis van de rechtbank die de prejudiciële vraag tot het Grondwettelijk Hof heeft gericht (lees: het eindvonnis in de zaak waarin het Grondwettelijk Hof op 29 maart 2018 heeft geantwoord op een prejudiciële vraag). Ik denk dat ook wij als fiscale regelgever uit deze uitspraak de nodige conclusies moeten trekken. We kunnen de omtreden interpretatie (lees: deze van het Hof van Cassatie) niet aanhouden als het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, ook al wordt het er niet gemakkelijker op wanneer het Hof van Cassatie enerzijds en het Grondwettelijk Hof anderzijds aan een zelfde decretale bepaling een verschillende draagwijdte en interpretatie toekennen. (…), u kent mijn overtuiging ter zake: fiscale regelgeving moet rechtlijnig zijn en moet duidelijk zijn zodat er geen interpretatie meer nodig is en dergelijke anomalieën worden uitgesloten. Een decretale verduidelijking zal zich dus opdringen. (…) [ik] zie in eerste instantie zelf twee mogelijkheden.

Een eerste mogelijkheid impliceert een beperkte, maar wel goed te doordenken aanpassing, waarbij we zo duidelijk mogelijk omschrijven welke vormen van zorg in welke soort instelling in aanmerking komen voor een vrijstelling. Met andere woorden: een limitatieve opsomming.

Een andere mogelijkheid is de koppeling van de vrijstelling aan een uitdrukkelijke erkenning door de betrokken beleidsdomeinen. Een instelling kan in deze optie een vrijstelling verkrijgen wanneer die erkend is. Voor de welzijnssector, waar op dit moment het interpretatieprobleem het meeste prangend is, denk ik onder meer aan erkende ziekenhuizen, erkende voorzieningen voor ouderenzorg, voor gezinszorg, voor thuisverpleging, voor geestelijke gezondheidszorg, voor personen met een handicap, centra voor algemeen welzijnswerk of voorzieningen voor kinderzorg en bijzondere jeugdbijstand.

In afwachting van een decretale oplossing zullen mijn administratie en ik de vinger aan de pols houden en nauwgezet opvolgen hoe onze hoven en rechtbanken met het arrest van het Grondwettelijk Hof zullen omgaan in nieuwe toekomstige rechtspraak."

Bij een eventueel wetgevend ingrijpen zal de eerste vraag uiteraard zijn of de nieuwe regelgeving de toets doorstaat aan het grondwettelijk beschermd gelijkheidsbeginsel.

VIII. Conclusie: het ziet er naar uit dat de violen gelijk gestemd worden

Het blijft op vandaag weliswaar uitkijken naar verdere rechtspraak van het Hof van Cassatie, doch het ziet er naar uit dat het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof stilaan de violen gelijk stemmen omtrent het begrip "soortgelijke weldadigheidinstellingen" vervat in de regelgeving omtrent de vrijstelling onroerende voorheffing. Dit hoort ook zo, anders wordt het een soort jurisprudentiële kakofonie die de rechtszekerheid niet ten goede zal komen. Evenzeer de wetgever denkt erover middels wetgevend ingrijpen de nodige rechtszekerheid te bieden. Voor zover dit nog nodig zal zijn.

Steven Vancolen - Jan Sandra

IMPOSTO Advocaten

 


[1] In de (originele) Franse versie van het arrest is er uitdrukkelijk sprake van "les premiers soins" (de eerste zorgen).  


[2] Zie in dit verband onder meer: A. Tiberghien, Handboek voor Fiscaal recht 2017-2018, Mechelen, Kluwer, 2017, p. 79, randnr. 1023,18; L. Dillen, Handboek Personenbelasting, 2017, Mechelen, Kluwer, 2017, randnr. 190, p. 148-150; S. Janssens,Onroerende voorheffing 2013, Mechelen, Kluwer, 2013, p. 65 en 93; R. Deblauwe en B. Peeters (eds.), Fiscaliteit van de liefdadigheid. Belasting, vrijgevigheid en vrijwilligheid, Brussel, Larcier, 2002, p. 91-92.  


[3] Cass. 21 december 1948, Arr.Cass. 1948, 655 geciteerd door de advocaat-generaal in zijn conclusies bij het hier besproken cassatiearrest van 11 mei 2018.  


[4] J. Heeren, "De fiscus en … de godshuizen, de rusthuizen en de rust – en verzorgingsinstellingen, RW 1991-92, 1458), geciteerd door de voornoemde advocaat-generaal.  


[5] Cass. 7 april 2016, F.15.0131.N, www.cass.be ; Cass. 24 april 2015, F.14.0121.N, www.cass.be .  


[6] Zie onder meer: Cass. 10 februari 2017, F.16.0013.N, www.cass.be ; Cass. 23 december 2016, F.15.0194.N, www.cass.be ; Cass. 24 mei 2012, C.11.0492.N, www.cass.be .  


[7] Cass. 10 februari 2017, F.16.0013.N, www.cass.be ; C. Buysse, "Armenzorg: ook vrijstelling OV zonder verschaffen van onderdak", Fiscoloog 2017, nr. 1512, p. 12.  


[8] Cass. 24 mei 2012, C.11.0492.N, www.cass.be , i.v.m. een centrum voor teleonthaaldienst; C. Buysse, "Fysieke of geestelijke zorg 'op eender welke wijze'", Fiscoloog 2012, nr. 1302, p. 11.  


[9] GwH 7 juni 2007, nr. 84/2007, rolnr. 1400, www.grondwettelijkhof.be .  


[10] Cass. 7 april 2016, F.15.0131.N, www.cass.be ; Cass. 24 april 2015, F.14.0121.N, www.cass.be ; C. Buysse, "Vrijstelling OV wegens bestemming zonder winstoogmerk; niet voor sociale werkplaats", Fiscoloog 2015, nr. 1443, p. 12.  


[11] Rb. Gent 29 maart 2017, tussenvonnis rolnr. 14/824/A.  


[12] GwH 29 maart 2018, nr. 44/2018, rolnr. 6651, www.grondwettelijkhof.be ; C. Buysse, "'Soortgelijke weldadigheidsinstellingen': ruimer dan enkel 'fysieke of geestelijke zorg'", Fiscoloog 2018 nr. 1561, p. 11; C. Buysse, "Welke 'zorg' aan hulpbehoevenden geeft recht op vrijstelling OV?", Fiscoloog 2018, nr. 1562, p. 3.  


[13] C. Buysse, "Onroerende voorheffing. Welke 'zorg' aan hulpbehoevenden geeft recht op vrijstelling onroerende voorheffing?", Fiscoloog 2018, nr. 1562, p. 3. Zie tevens: M. Verhoeven, "Meer zorgaanbieders vrijgesteld van onroerende voorheffing", noot onder Grondwettelijk Hof 29 maart 2018, nr. 44/2018, A.F.T. 2018/11-12, p. 20.  


[14] Zie bv. Cass. 24 mei 2012, C.11.0492.N, www.cass.be .  


[15] In dit verband is het opmerkelijk dat de advocaat-generaal in zijn conclusies van 25 april 2018 (met advies tot verbreking), aangaande het middel – eerste ondereel, het arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 maart 2018 niet vermeldt of bespreekt. In die zin komen zijn conclusies niet "up to date" voor. De advocaat-generaal heeft het immers enkel over de fysieke of geestelijke zorg en niet over de maatschappelijke of sociale zorg. Wellicht is dit te verklaren door de timing: het arrest van het Grondwettelijk Hof enerzijds en de conclusies van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie lijken elkaar te hebben "gekruist". De conclusies bevatten overigens, wat betreft het door het Hof van Cassatie niet behandelde (in ondergeschikte orde ingeroepen) tweede onderdeel van het middel – interessante beschouwingen over in welke mate de betrokken activiteiten (de prestaties) die tot vrijstelling kunnen leiden dienen te worden gevoerd binnen het betrokken gebouw waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd (de plaats waar de prestant is gevestigd).  


[16] X, "Brandweer soortgelijke weldadigheidsinstelling?", Fiscoloog 2018, nr. 1572, p. 7.  


[17] A. Alen en K. Muylle, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, p. 550, randnr. 489.  


[18] Art. 28 bijzondere wet Grondwettelijk Hof.  


[19] Art. 28 bijzondere wet Grondwettelijk Hof.  


[20] A. Alen en K. Muylle, o.c., p. 550, randnr. 489.  


[21] GwH 7 juli 2011, nr. 125/2011.  


[22] GwH 12 mei 2011, nr. 73/2011; GwH 12 februari 2009, nr. 20/2009; Arbitragehof 28 maart 2002, nr. 62/2002; Cass. 10 juni 2005, RW 2005-06, 825, geciteerd door A. Alen en K. Muylle, o.c., p. 550, randnr. 489, vn. 1190.  


[23] Art. 115 en 116 bijzondere wet Grondwettelijk Hof.  


[24] Art. 114 bijzondere wet Grondwettelijk Hof.  


[25] Zie o.a. Arbitragehof 8 maart 2005, nr. 54/2005, geciteerd door A. Alen en K. Muylle, o.c., p. 562, randnr. 496.  


[26] Antwoord minister Bart Tommelein, op de Vraag om uitleg 1774 van dhr. Koen Van den Heuvel, Commissie voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting, dinsdag 22 mei 2018, 14u00.  

 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.