Ondernemers & Co. nr 2017-19 : Private vermogensopbouw voor de ondernemer anno 2018 - nieuwe tijden, nieuwe uitdagingen... nog steeds opportuniteiten

Ondernemers & Co. nr 2017-19 : Private vermogensopbouw voor de ondernemer anno 2018 - nieuwe tijden, nieuwe uitdagingen... nog steeds opportuniteiten

Het stimuleren van goed ondernemerschap veronderstelt de mogelijkheid om de winsten fiscaal gunstig uit de bedrijven te kunnen toekennen aan de private aandeelhouders. Premier Rutten doet in die context  in Nederland zelfs een oproep tot afschaffing van private dividendbelasting …

In België fietsen we de laatste jaren allerminst op het parcours van deze gedachte. Bij het uitkeren door de bedrijven van reeds belaste winsten wordt men geconfronteerd met een roerende voorheffing die gestaag gestegen is naar 30%. De holdings opgericht sinds 2017 verloren (op het eerste gezicht, want zie verder) aardig wat van hun fiscale pluimen doordat holdings geen fiscaal gestort kapitaal meer bekomen in de mate van een kapitaalinbreng van aandelen van vennootschappen; enkel fiscaal gestort kapitaal kan fiscaal vrij worden uitgekeerd.

Toch hoeft men zich ook vandaag niet zomaar te verzoenen met het basisscenario dat iedere winstuitkering onderworpen wordt aan 30% roerende voorheffing. De wetgever biedt hier zelf een aantal opportuniteiten. Daarnaast zijn er nog steeds de bestaande technieken zoals vruchtgebruikscenario’s met vastgoed en/of andere technieken. Telkens blijkt de boodschap voldoende tijdig de fiscale strategie bepalen om aan private vermogensopbouw vanuit het familiebedrijf te doen.

Een theoretisch voorbeeld hierna onderstreept dit. We gaan uit van een familiebedrijf dat op vandaag één miljoen reserves en een gelijk bedrag aan daar tegenoverstaande liquide middelen heeft opgebouwd; we bekijken dit in een perspectief van 15 jaar.

In een eerste scenario belegt het familiebedrijf de fondsen verder in de vennootschap. Uitgaande van een nettorendement van 2% per jaar groeien deze reserves na 15 jaar aan tot € 1.370.000,00. Indien de onderneming dan een dividenduitkering verricht (uitgaande van het huidige tarief van 30%) houdt de private aandeelhouder daar € 959.000,00 aan over.

In een tweede scenario worden de aandelen van het familiebedrijf ingebracht in een private holding. Vervolgens keert het familiebedrijf een dividend uit gelijk aan de reserves van € 1.000.000,00. Doordat de holding daardoor een winst bekomt van € 1.000.000,00 kan zij (enkel bij KMO vennootschappen) een liquidatiereserve aanleggen van +/- € 909.000,00 waarop zij 10% of € 91.000,00 afzonderlijke heffing betaalt. Door het betalen van deze afzonderlijke heffing worden deze reserves in bijzondere reserves omgezet die na een periode van 5 jaar kunnen worden uitgekeerd met nog slechts 5% roerende heffing. Voor de winst (per hypothese netto 2%) die ieder jaar op de reserves wordt gemaakt kan telkenmale weer de techniek van de liquidatiereserve worden toegepast. Na 15 jaar kunnen deze gedurende 10 jaar opgebouwde reserves, alsmede de gewone reserves van de laatste 5 jaar, worden uitgekeerd; alsdan bekomt de aandeelhouder € 1.135.000,00; dit is reeds bijna 20% meer dan in het eerste scenario.

Ons komt het voor dat het systeem van de liquidatiereserves niet snel zal komen te vervallen. Een afschaffen hiervan betekent voor die betrokken regering per direct een verlies aan inkomsten, met als resultaat enkel dat in de volgende regeerperiode – wie weet hoe samengesteld - meer belasting zou kunnen worden geïnd. Zoveel altruïsme is weinig waarschijnlijk …

In een derde scenario wordt door het familiebedrijf per direct een dividenduitkering gedaan van bruto € 143.000,00 waarop € 43.000,00 roerende voorheffing verschuldigd is. De private aandeelhouder bekomt netto € 100.000,00. Vervolgens wordt er door de vennootschap en de private aandeelhouder samen een vastgoedproject gerealiseerd met aanschaffingskost € 957.000,00. De vennootschap verwerft het vruchtgebruik voor een duurtijd van 15 jaar en betaalt hiervoor € 857.000,00 (+/- 90%); de private aandeelhouder verwerft de blote eigendom tegen betaling van € 100.000,00 (+/- 10%), gefinancierd met voornoemde dividenduitkering. De vennootschap geniet 15 jaar een netto rendement van 2%, te indexeren, en bekomt zo gecumuleerde winsten van +/- € 360.000,00. Bij het einde van het vruchtgebruik heeft de private aandeelhouder een vastgoed met waarde € 957.000,00 (los van de waardeaangroei). Via uitkering van de winsten van € 360.000,00, en de belasting hierop van 30% (gerekend zonder liquidatiereserve), bekomt hij nog bijkomend € 252.000,00; per saldo doet de aandeelhouder aan private vermogensopbouw voor een bedrag van € 1.209.000,00, ofwel meer dan 26% hoger dan in het eerste scenario.

In een vierde scenario weet de aandeelhouder dat zijn bedrijf vroeg of laat kan/moet verkocht worden, weze het binnen de familie, weze het aan derden. Hij anticipeert hierop door het op allerlei wijze verkoopsklaar zetten (bv uitbrengen van private onroerende goederen, afzonderen van vastgoed en exploitatie, …). In dat geval kunnen de reserves en liquide middelen in de vennootschap blijven. Bij een verkoop van de aandelen verhogen zij de waarde van de verkoopprijs van de aandelen met € 1.370.000,00 (zie scenario 1). Verkoop van aandelen is op vandaag belastingvrij. In dat geval bekomt de aandeelhouder € 1.370.000,00, ofwel meer dan 42% meer dan in scenario één.

Een tijdig overwegen en uittekenen van de strategie tot private vermogensopbouw is een must!

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.