Ondernemers & Co nr. 19: Familiebedrijven en interne liquidatie: familiale regelingen op de helling?

Ondernemers & Co nr. 19: Familiebedrijven en interne liquidatie: familiale regelingen op de helling?

Bij een interne liquidatie wordt door de vennootschap een dividend uitgekeerd aan de aandeelhouders. De aandeelhouders verrichten daarna in het familiebedrijf een kapitaalverhoging met het ontvangen nettodividend. In de mate alle aandeelhouders in dezelfde mate meestappen in de kapitaalverhoging, heeft deze interne liquidatie geen impact op het aandeelhouderschap.

Wat nu als het aandeelhouderschap gesplitst is in blote eigendom – vruchtgebruik, bv. ingevolge een eerdere familiale regeling door schenking door de ouders aan de kinderen van de aandelen van de vennootschap met voorbehoud van vruchtgebruik? Indien het dividend daardoor zou toekomen aan de vruchtgebruiker (ouders), dan zou dit betekenen dat na de interne liquidatie ook de vruchtgebruiker de kapitaalinbreng doet en de nieuwe aandelen in de vennootschap verkrijgt. Dit zou voor de familiale regeling nefast zijn. De vruchtgebruikers – ouders zouden immers de nieuwe aandelen in volle eigendom bekomen waardoor een eerdere successieplanning teruggedraaid zou worden … en dat kan niet de bedoeling zijn.

Indien de statuten van de vennootschap een precieze regeling bevatten voor de situatie van de blote eigenaar – vruchtgebruiker is deze statutaire bepaling in eerste instantie doorslaggevend. Er kan in de statuten zijn voorzien dat alle rechten op aandelen, met inbegrip van het recht op dividend, toekomen aan de vruchtgebruiker. In deze laatste veronderstelling is het principe dan ook dat vanuit het oogpunt van de vennootschap de dividenduitkering die in het kader van een interne liquidatie moet plaatsvinden dient te worden toegekend aan de vruchtgebruiker.

In de praktijk wordt evenwel bij de familiale regelingen (in de schenkingsaktes die de grondslag vormen voor het gesplitst aandeelhouderschap) vaak voorzien dat de verhoudingen tussen vruchtgebruiker en blote eigenaar worden bepaald overeenkomstig het Belgisch burgerlijk recht. De principes van het burgerlijk recht in verband met dividenduitkeringen zijn de volgende:

- dividenden op aandelen komen toe aan de vruchtgebruiker indien ze betrekking hebben op de winst van het boekjaar;
- dividenden op aandelen die betrekking hebben op voorheen regelmatig gereserveerde winst komen voor de blote eigendom toe aan de blote eigenaar (kinderen) en voor het vruchtgebruik aan de vruchtgebruiker (ouders).

Uit het bovenstaande volgt dat in geval in het verleden (in het verleden wil zeggen dat een algemene vergadering voorheen regelmatig besliste om ze niet uit te keren, ongeacht of dit van voor of na de schenking dateert) opgepotte reserves nu worden uitgekeerd, deze vanuit de verhouding blote eigenaar – vruchtgebruiker toekomen aan de blote eigenaar evenwel met een vruchtgebruik op de ontvangen uitkering voor de vruchtgebruiker.

Dit laatste behoeft geen verdere duiding indien er geen afwijkende statutaire bepaling is. In dat geval komt het dividend, dat hier sowieso gezien de aard van de operatie betrekking heeft op voorheen opgepotte reserves – interne liquidatie kan enkel betrekking hebben op opgepotte reserves - toe aan de blote eigenaar voor de blote eigendom en aan de vruchtgebruiker voor het vruchtgebruik. Bij de kapitaalverhoging komen de nieuw toegekende aandelen dan ook toe voor de blote eigendom aan de blote eigenaar en voor het vruchtgebruik aan de vruchtgebruiker. De successieplanning is in deze met andere woorden gecontinueerd.

En wat nu als de statuten inderdaad voorzien dat het dividend toekomt aan de vruchtgebruiker? Dan dienen op basis van de statuten de opgepotte reserves middels dividenduitkering te worden uitgekeerd aan de vruchtgebruiker; in nogal wat gevallen (al zal elke situatie concreet moeten worden beoordeeld) zal er evenwel op basis van de schenkingsakte een persoonlijk vorderingsrecht ontstaan voor de kinderen tot onmiddellijke afgifte door hun ouders van de blote eigendom van het betrokken dividend.

In het licht van het bovenstaande kan dan ook in deze situatie op de kapitaalverhoging worden ingeschreven door de blote eigenaars voor de blote eigendom en door de vruchtgebruikers (in casu de ouders) voor het vruchtgebruik; zonder dat de fiscus daaruit kan afleiden dat er sprake is van een nieuwe schenking van de blote eigendom van het uitgekeerde netto dividend door de vruchtgebruikers aan de blote eigenaar. Vooraleer er sprake is van een schenking – met alle fiscale gevolgen van dien – dient er immers sprake te zijn van een begiftigingsinzicht vanwege de schenkers (ouders) aan de begiftigden (kinderen) door toekenning van de blote eigendom; in casu gaat deze toekenning niet terug op een schenkingsinzicht op heden maar op een verplichting op basis van de schenkingsakte in het verleden.

De bestaande successieplanning kan in deze omstandigheid mits de juiste aanpak met andere woorden doorgaans ook worden gecontinueerd. Het bovenstaande neemt niet weg dat het aangewezen kan zijn, het bovenstaande vast te klikken in een document tussen vruchtgebruiker en blote eigenaar dat op een of andere manier ook semi vaste datum verkrijgt.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.