Wco’s - schuldeisers niet altijd buitenspel …

Wco’s - schuldeisers niet altijd buitenspel …

 

De Wet betreffende de Continuïteit van Ondernemingen laat sinds 1 april 2009 toe dat een noodlijdende onderneming gedurende een periode van maximum zes maanden tegen haar schuldeisers beschermd worden teneinde haar continuïteit te verzekeren. Drie types van gerechtelijk reorganisatie behoren tot de mogelijkheden: een minnelijk akkoord met bepaalde schuldeisers, een collectief akkoord met alle bestaande schuldeisers of een overdracht van een deel of het geheel van de onderneming.

De minder goede economische tijden en de ‘portaalbenadering’ hebben de WCO tot een relatief succesvolle insolventieprocedure gemaakt. De ‘portaalbenadering’ impliceert dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie met bijhorende beschermingsperiode wordt geopend van zodra de formele voorwaarden daartoe vervuld zijn en de continuïteit van de onderneming effectief bedreigd is.

Vooralsnog is de WCO van het zogenaamde type 2 - de gerechtelijke reorganisatie via een collectief akkoord - het meest populair. In grote lijnen verloopt zij als volgt: vanaf het vonnis dat de procedure opent, geniet de schuldenaar van een verlengbare beschermingsperiode van maximaal zes maanden waarbinnen hij een reorganisatieplan moet uitwerken om zijn onderneming terug op de rails te krijgen. Tijdens deze opschorting kunnen de schuldeisers in het algemeen geen uitvoeringsmaatregelen treffen of aansturen op het faillissement van hun debiteur, en wordt er uitstel van betaling verleend.

Het reorganisatieplan moet eerst goedgekeurd worden door de meerderheid van de schuldeisers die samen meer dan de helft van het passief vertegenwoordigen, en moet vervolgens door de rechtbank gehomologeerd worden. Het reorganisatieplan voorziet haast altijd in een gedeeltelijke kwijtschelding van bepaalde schulden en in afbetalingstermijnen voor een duur van maximum vijf jaar. Bij de redactie van het reorganisatieplan komen uiteraard ook strategische motieven kijken: welke schuldeisers kunnen - gelet op de omvang van hun vordering - wegen op de stemming over het reorganisatieplan, welke schuldeisers zijn voor de verdere continuïteit van de onderneming belangrijk, welke zijn dit minder, etc …

Het is in dit kader dat het onderscheid tussen gewone en buitengewone schuldeisers zich het scherpst laat voelen. In tegenstelling tot wat geldt voor gewone schuldeisers, die een gedeeltelijk verlies van hun vordering kunnen ‘opgedrongen’ worden, kan het reorganisatieplan hoogstens de bestaande rechten van de buitengewone schuldeisers opschorten voor een periode van 24 maanden vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot opening van de procedure. Tenzij zij daarmee instemmen, zullen zij geen gedeeltelijke kwijtschelding van schuld moeten dulden en ook de rente en de kosten moeten verder betaald worden. Op het einde van deze 24 maanden zullen opeisbare schulden van de buitengewone schuldeisers volledig moeten vereffend zijn. Het reorganisatieplan kan evenwel voorzien in een extra verlenging van het betalingsuitstel ten aanzien van de buitengewone schuldeisers met maximaal 12 maanden; de rechtbank moet dit uitdrukkelijk goedkeuren na te hebben vastgesteld dat er redelijke kansen op integrale terugbetaling bestaan. Indien het reorganisatieplan nog andere bepalingen bevat die de rechten van een buitengewone schuldeisers raken, beschikken zij de facto over een vetorecht.

Het ligt voor de hand dat deze gedifferentieerde behandeling de buitengewone schuldeisers een groot voordeel verschaft. De invulling van de begrippen is dan ook van belang. De buitengewone schuldeisers worden omschreven als elke persoon wiens schuldvordering in de opschorting gewaarborgd wordt door een bijzonder voorrecht of een hypotheek of die schuldeiser-eigenaar is. Aldus zijn de pandhoudende en hypothecaire schuldeisers te beschouwen als de voornaamste buitengewone schuldeisers, doch kan men ook denken aan o.m. het voorrecht van de niet-betaalde verkoper op de betrokken koopwaar, het voorrecht van de verhuurder op de goederen die het verhuurde goed stofferen, het voorrecht van de vervoerder op de vervoerde goederen, enz… De ‘gewone’ schuldeisers zijn dan alle andere schuldeisers in de opschorting. Van belang is ook dat de fiscus en de RSZ in beginsel beschouwd worden als ‘gewone’ schuldeisers, althans voor zover zij op voorhand geen hypotheek genomen hebben.

De hoedanigheid van ‘buitengewone schuldeiser’ is trouwens niet alleen een troef ingeval de debiteur het voorwerp uitmaakt van een collectief akkoord, maar zal de betrokken schuldeiser ook bevoordelen ingeval wordt omgeschakeld naar de overdracht van een geheel of een gedeelte van de onderneming onder gerechtelijke gezag (WCO type 3), of ingeval de WCO-procedure faalt en de debiteur alsnog failliet gaat.

Voor een onderneming die geconfronteerd wordt met een schuldenaar die een collectief akkoord nastreeft, is het steeds zaak om na te gaan of zij kan beschouwd worden als een ‘buitengewone schuldeiser’ en om zich aldus in de procedure te profileren. Dit zal het geval zijn wanneer haar schuldvordering wordt gewaarborgd door een hypotheek of een bijzonder voorrecht op roerende goederen, of wanneer een eigendomsvoorbehoud in haar voordeel werd bedongen. Men kan ook preventief tewerk gaan door zich dergelijke voorrechten te laten verschaffen wanneer men samenwerkt met handelspartners die zich in niet al te beste papieren bevinden. Het sop is dan wel degelijk de kolen waard… 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.