Vzw's en vrijstelling van onroerende voorheffing - een stand van zaken

Vzw's en vrijstelling van onroerende voorheffing - een stand van zaken

16.08.2011
mr. Steven Vancolen (advocaat-vennoot) en mr. Anouk Maes (advocaat)
De onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst, of van de vrijzinnige morele dienstverlening voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen kunnen genieten van de vrijstelling van de onroerende voorheffing (art. 253, 1° WIB 92 juncto art. 12 §1 WIB 92). Algemeen wordt aangenomen dat er voor deze vrijstelling twee voorwaarden moeten zijn vervuld, met name het gebrek aan winstoogmerk en het bestaan van een filantropische bestemming.
De eerste voorwaarde - het ontbreken van winstoogmerk - heeft betrekking op het gebruik van de onroerende goederen en staat los van de hoedanigheid van de belastingplichtige (Antwerpen 22 februari 2000). Volgens de administratieve commentaar en ondermeer de hoven van beroep van Antwerpen en Brussel kan bijgevolg de vrijstelling niet automatisch worden toegekend aan VZW’s omdat zij geacht worden geen winstoogmerk na te streven en kan zij evenmin de facto worden geweigerd aan vennootschappen omdat die geacht worden steeds winst na te streven. Meermaals is beslist, ondermeer door het Hof van Cassatie, dat enkel het feit dat de aanwending van een onroerend goed voordelen of winst oplevert, de vrijstelling van onroerende voorheffing niet uitsluit. Er wordt door deze rechtspraak aanvaard dat er geen sprake is van winstoogmerk wanneer de voordelen die worden behaald worden aangewend voor de instandhouding of uitbreiding van een bestemming die voor de vrijstelling in aanmerking komt. Gezien het bewijs van de afwezigheid van winstoogmerk een moeilijk te leveren bewijs van een negatief gegeven betreft, wordt door het Hof van Cassatie aangenomen dat de beoordeling van dergelijk bewijs niet met dezelfde gestrengheid moet gebeuren als bij de beoordeling van het bewijs van een positief gegeven.

De tweede voorwaarde - de filantropische bestemming – maakt dat het onroerend goed moet bestemd zijn voor een aantal welbepaalde weldadigheidsinstellingen evenals voor “andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen”. Synoniemen voor “weldadigheid” zijn “liefdadigheid”, “barmhartigheid”, “filantropie” of “naastenliefde”. In 2009 oordeelde het Gentse hof van beroep dat weldadigheid niets anders is dan weldadig zijn. Volgens het hof, met verwijzing naar Van Dale, betekent “weldadig”, “goed doend aan armen en behoeftigen.” Het lijkt de bedoeling van de wetgever te zijn geweest vrijstelling van onroerende voorheffing te verlenen voor alle onroerende goederen die zonder winstoogmerk worden bestemd voor een weldadigheidswerk dat analoog is of gelijkaardig is aan degene die uitdrukkelijk in de wet worden vermeld. Volgens de rechtbank van Bergen staat het begrip “andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen” inderdaad toe om andere dan expliciet genoemde activiteiten onder te brengen in het regime van de vrijstelling. Ook volgens het hof van beroep van Antwerpen mag men de term “soortgelijk” niet uitleggen in de zin van “identiek”, anders wordt iedere betekenis aan de term “soortgelijk” ontnomen. In de rechtspraak is er dienaangaande een ruime casuïstiek. Werden bij wijze van voorbeeld reeds als “soortgelijke bestemming” aanvaard: de opvang van kinderen geplaatst door de rechter, een voetbalclub voor jongeren, de thuisverpleging en verzorging, de catechese voor jonge kinderen, de opvang van vluchtelingen en de opslag van goederen van vrijwilligersorganisaties, een retraitehuis en bezinningscentrum, het opslaan van eetwaren die gratis worden verdeeld aan behoeftigen, de huisvestiging van jonge daklozen etc.

In een arrest van 7 juni 2007 oordeelde het Grondwettelijk Hof nog, zij het in verband met de “rusthuizen”, dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer men zou aannemen dat instellingen die andere hulpbehoevenden dan bejaarden opvangen (zoals psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen die geen bejaarden zijn) niet voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing in aanmerking komen. Uit dit arrest werd door het Brusselse hof afgeleid dat een ruime inhoud dient te worden gegeven aan het begrip soortgelijke weldadigheidsinstellingen (Brussel 13 mei 2009).

Deze problematiek is steeds opnieuw actueel; op vandaag ondermeer voor de VZW’s en inzonderheid voor de zogenaamde erkende sociale werkplaatsen. Deze werkplaatsen zijn VZW’s die permanent gesubsidieerde tewerkstelling aanbieden aan laaggeschoolde werkzoekenden die aan welbepaalde voorwaarden voldoen zoals minstens vijf jaar inactief zijn en niet beschikken over een diploma hoger secundair onderwijs. De sociale werkplaatsen bieden aan die personen die door een cumulatie van achterstellingsfactoren geen job in het reguliere arbeidscircuit kunnen vinden of kunnen houden, werk op maat aan.Bekende voorbeelden zijn de kringloopwinkels (die instaan voor de recuperatie, het sorteren, repareren en de verkoop van tweedehandsartikelen) en de sociale werkplaatsen (die bijvoorbeeld een groendienst aanbieden).Over het gebrek aan winstoogmerk bestaat er veelal geen discussie aangezien de voordelen die worden behaald door de sociale werkplaatsen worden aangewend voor de doelstelling van de vereniging ondermeer de permanente tewerkstelling van laaggeschoolden. In het licht van het voorgaande zijn er ook goede argumenten voorhanden om te stellen dat de sociale werkplaatsen kwalificeren als een “soortgelijke weldadigheidsinstelling”. De kringloopwinkel of de groendienst zijn immers niet het doel doch slechts het middel om het doel van de erkende sociale werkplaatsen te verwezenlijken met name de permanente tewerkstelling van laaggeschoolden en de bestrijding van de armoede.


Voor een vrijstelling van de onroerende voorheffing dient in essentie slechts aan twee voorwaarden te zijn voldaan met name het zonder winstoogmerk bestemmen van het onroerend goed en het bestaan van een filantropische bestemming. Deze bestemming heeft betrekking op specifiek in de wet opgesomde weldadigheidsinstellingen evenals op “andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen”. In het licht van ondermeer rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het hof van beroep van Brussel is het verdedigbaar dat de wetgever een ruime categorie van hulpbehoevenden heeft bedoeld. De problematiek is actueel voor de VZW’s inzonderheid de erkende sociale werkplaatsen; in principe hebben zij geen winstoogmerk en hun doelstelling bestaat in het aanbieden van werk op maat van laaggeschoolden, zijnde een categorie van hulpbehoevenden. Erkende sociale werkplaatsen lijken er alvast alle belang bij te hebben de vrijstelling van onroerende voorheffing te claimen. Dezelfde of een soortgelijke problematiek vinden we terug bij ondermeer rusthuizen, kinderopvang, voetbalclubs, vrijwilligersorganisaties, thuisverpleging, etc.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.