Vruchtgebruik en fiscus: waardering, waardering en nog eens waardering

Vruchtgebruik en fiscus: waardering, waardering en nog eens waardering

De klassieke poging van de fiscus bestond er in het verleden in het vruchtgebruik te herkwalificeren in een fiscaal minder voordelige vooruitbetaalde huur (cf. artikel 344 § 1 WIB 92). De rechtspraak is deze visie echter niet genegen gebleken.

In de fiscale praktijk werd onder meer door de fiscus sedert kort bijgevolg meer en meer de nadruk gelegd op de aftrekbaarheid van de kosten die met het vruchtgebruik gepaard gaan (cf. artikel 49 WIB 92) en het belasten van de zaakvoerder-blote eigenaar op eventuele verkregen voordelen. Het valt in die zin dan ook geenszins te verwonderen dat in het nieuwe advies van de rulingcommissie over vruchtgebruik ook een dergelijke aandachtsverschuiving merkbaar is (cf. www.ruling.be).

In dit verband is de waardering van het vruchtgebruik van cruciaal belang. Dit is kennelijk ook de rulingcommissie niet ontgaan. In haar advies schenkt zij in zeer ruime mate aandacht aan het feit dat de waardering van het vruchtgebruik dient te gebeuren op haar werkelijke waarde. De forfaitaire waarderingsmethodes inzake registratierechten en successierechten worden in deze (terecht) afgewezen. Een goed uitgangspunt lijkt in deze nog steeds de gekende berekening te zijn waarbij wordt uitgegaan van de potentiële netto-huuropbrengst.

In het nieuwe standpunt wordt gesteld dat de waardering van het vruchtgebruik geval per geval moet worden onderzocht. Het moet worden opgemerkt dat deze vereiste wel een zekere economische logica lijkt te vertonen.

In die zin is onder meer de bestemming van het onroerend goed in hoofde van de vennootschap een bijzonder relevant gegeven. Er moet immers, rekening houdende met onder meer de waardering, kunnen worden vastgesteld dat de vennootschap een belang heeft bij de investering. Bij bedrijfsgebouwen ligt dit belang in het gebruik dat de vennootschap hiervan kan maken. Indien het de bedoeling is het onroerend goed ter beschikking te stellen aan haar zaakvoerder schuilt het belang in de extra bezoldiging die zij haar zaakvoerder hierdoor kan toekennen. Indien het de bedoeling is het onroerend goed te verhuren ligt het belang in het netto-rendement dat de vennootschap hieruit kan halen (nota bene een break-even transactie zal aldus niet volstaan).

Een ander punt dat expliciet wordt aangehaald en tot dusver minder aan de orde was, is dat de kosten die gepaard gaan bij de vestiging van het vruchtgebruik (cf. notariskosten, registratierechten en niet-aftrekbare btw) ook in rekening moeten worden gebracht. Gelet op het feit dat de berekening van de waarde van het vruchtgebruik vaak neerkomt op een kosten-baten-analyse in hoofde van de vruchtgebruiker lijkt dit uitgangspunt op het eerste gezicht niet wereldvreemd te zijn, evenwel steeds rekening houdend met de concrete omstandigheden.

Positief is in elk geval dat uit de recente (hogere) rechtspraak en uit het nieuwe advies van de rulingcommissie kan afgeleid worden dat de vruchtgebruikconstructie an sich geen enkel probleem meer zou mogen vormen. De toets aan artikel 49 WIB 92 maakt dat een zorgeloos vruchtgebruik schuilt in een waardering waarbij rekening werd gehouden met alle concrete omstandigheden eigen aan het dossier.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.