Vruchtgebruik en fiscus – l’ histoire se répète ...

Vruchtgebruik en fiscus – l’ histoire se répète ...

In een vorige artikel van onze nieuwsbrief hebben we de massale vragen om inlichtingen in kaart gebracht die de fiscus vorig jaar verstuurd heeft met betrekking tot recent gevestigde vruchtgebruik-structuren. Meer bepaald hebben we naar aanleiding van deze controleactie in dit artikel de mogelijke fiscale pijnpunten geanalyseerd die kunnen opduiken bij het werken met vruchtgebruik bij vastgoedverrichtingen. Ondertussen hebben in de tweede helft van vorig jaar heel wat dossiers deze massale controleactie van de fiscus moeten doorstaan; inzonderheid spitste de aandacht van de fiscus zich op de vruchtgebruik-structuren die in 2010 werden gevestigd. De reden hiervoor laat zich raden : eind vorige jaar verstreek de mogelijkheid voor de fiscus om aanslagen te vestigen met betrekking tot het inkomstenjaar 2010 (aanslagjaar 2011) … 

Tijd dus om even stil te staan bij de eerste ervaringen met deze massale controleactie van de fiscus; het heeft er immers alle schijn van dat de vruchtgebruiken gevestigd in de latere aanslagjaren wel eens het voorwerp zouden kunnen uitmaken van eenzelfde controlesystematiek! 

Deze massale controle van vruchtgebruik-structuren gaat klaarblijkelijk terug op een drietal interne circulaireswaarin noch min noch meer een concreet en zeer uitvoerig draaiboek en handleiding wordt uit te doeken gedaan hoe een controle op een vruchtgebruik-structuur best wordt aangepakt. Een eerste circulaire heeft betrekking op de controle – aanpak bij de aanvang van een vruchtgebruik. De tweede circulaire gaat uitvoerig in op de controle – aanpak tijdens de duur van het vruchtgebruik, inzonderheid met betrekking tot de grove herstellingendie door de vruchtgebruiker-vennootschap worden uitgevoerd tijdens de duur van het vruchtgebruik. In dederde circulaire tenslotte wordt de controle – aanpak beschreven bij het einde van het vruchtgebruik, inzonderheid met betrekking tot de nieuwbouw of de belangrijke verbouwingen die de vruchtgebruiker – vennootschap tijdens de duurtijd van het vruchtgebruik heeft gerealiseerd en die door het verstrijken van het vruchtgebruik aanwassen bij de naakte eigenaar (cfr problematiek van de zogenaamde turbo-vruchtgebruiken). 

De massale controleactie eind vorig jaar had in eerste instantie betrekking op de aanvang van de vruchtgebruiken gevestigd in 2010, waarbij de administratie de handleiding hanteert zoals beschreven in de eerste interne circulaire. Zoals reeds aangekaart in ons vorig artikel spitst de aandacht van de fiscus zich ditmaal toe op de waardering van het vruchtgebruik. Een controle ving in de regel aan met het sturen van een ellenlange vragenlijst door de fiscus aan de belastingplichtige omtrent de vruchtgebruik-verrichting; het beantwoorden van deze vragenlijst vergde de nodige tijd van de belastingplichtige teneinde deze vragen één voor één afdoende te beantwoorden …. Vervolgens kreeg de belastingplichtige (vaak) een bericht van wijziging van zijn aangifte in de bus; daarbij werd tout court voorbijgegaan aan de verstrekte antwoorden van de belastingplichtige omtrent de waardering van het betrokken vruchtgebruik. De fiscus meende zich blijkbaar het best geplaatst om de waarde van het betrokken vruchtgebruik te bepalen en schoof de door haar weerhouden waarde naar voren als dé economische waarde van het vruchtgebruik. Concreet deed de betrokken controle hierbij een beroep op haar collega’s van de Patrimoniumdocumentatiedienst; inzonderheid ging deze dienst de huurwaarde na van het betrokken vastgoed en werkte ze aan de hand van deze huurwaarde een waardering van het vruchtgebruikuit zoals voorgeschreven in de reeds eerder vermelde interne circulaire. Tenslotte meende de fiscus het verschil in meer tussen de transactiewaarde van het vruchtgebruik en de door haar weerhouden waarde te kunnen belasten als een bijkomend voordeel van alle aard in hoofde van de naakte eigenaar – bedrijfsleider, dan wel te kunnen belasten als een abnormaal en goedgunstig voordeel in hoofde van de vennootschap-vruchtgebruiker. 

De eerste ervaringen bij deze controle-acties doet blijken dat bij deze handelswijze de nodige kanttekeningen kunnen worden geplaatst. 

De belangrijkste parameter bij de waardering van een vruchtgebruik is zoals genoegzaam bekend de huurwaarde van het betrokken vastgoed. Nu blijkt de fiscus bij het bepalen van de huurwaarde niet altijd even nauwgezet te handelen. In een aantal gevallen wordt gewerkt met huurwaardes van referentiepercelenzonder dat de fiscus hierbij verduidelijkt welke de redenen zijn waarom hij meent deze percelen als referentie te kunnen weerhouden, maar waarbij hij zich beperkt tot de vermelding van de ligging van de betrokken referentiespercelen, de oppervlakte – al dan niet bebouwd ! - van de betrokken percelen en hun huurwaarde. Nader onderzoek door de betrokken belastingplichtigen leerde niet zelden dat het zeer de vraag is of de weerhouden referenties wel voldoende gemeenschappelijke kenmerken hebben met het betrokken vastgoed om te kwalificeren als referentieperceel bij het benaderen van de huurwaarde ervan…… In andere gevallen wordt de weerhoudenhuurwaarde tout court opgegeven zonder vermelding van de redenen waarom precies deze huurwaarde wordt weerhouden; niet zelden blijkt dat in deze gevallen er doorgaans geen referentiepercelen voorhanden zijn. In deze gevallen wordt het uiteraard moeilijk debatteren met de fiscus aangezien de fiscus niet zelf het standpunt die zij inneemt omtrent de wijziging van de aangifte van de belastingplichtige onderbouwt. En dit is des te schrijnender in die gevallen waarin de belastingplichtige zich de moeite heeft getroost voorafgaandelijk aan de verrichting de benadering van de huurwaarde toe te vertrouwen aan een deskundige die hieromtrent een uitvoerig verslag heeft opgemaakt met opgave van referentiepercelen dan wel de onderbouw van de weerhouden huurwaarde en dit verslag aan de administratie heeft bezorgd in het kader van haar vragenlijst ….. In deze omstandigheden is het zeer de vraag of de huurwaarde niet willekeurig is vastgesteld en de daaropvolgende taxatie niet is aangetast door willekeur. In voorkomend geval is de aanslag nietig …. en het komt niet evident voor dat in deze gevallen de fiscus alsnog zou kunnen hertaxeren ….

Eenzelfde euvel doet zich voor bij de waarderingsmethodiek van het vruchtgebruik. Ook hier meent de administratie in een aantal gevallen zonder meer te kunnen voorbij gaan aan de waarderingsmethodiek die de belastingplichtige heeft gehanteerd, zelfs in de gevallen dat de belastingplichtige voorafgaandelijk aan de verrichting een waardering van het vruchtgebruik laten uitwerken volgens de regels van kunst door een deskundige en deze deskundige waardering terug te vinden is in een stevig onderbouwd deskundigenverslag. Zelfs in dergelijke gevallen komt het voor dat de fiscus meent haar eigen waarderingsmethodiek te moeten weerhouden zonder ook maar enigszins aan te geven welke de redenen zouden kunnen zijn dat de door de belastingplichtige weerhouden waardering niet kan weerhouden worden. Uiteraard gaat de waarderingsmethodiek van de fiscus terug op de eerder genoemde interne circulaire die overigens zelf uitdrukkelijk vermeldt dat er meerdere waarderingsmethodieken omtrent vruchtgebruik voorhanden zijn. Frappant hierbij is dat de rulingcommissie – die eveneens deel uitmaakt van dezelfde Federale Overheidsdienst Financiën - in haar rulingpraktijk meerdere waarderingsmethodieken heeft gevalideerd en ook in de vakliteratuur vinden we dezelfde meerdere waarderingsmethodieken terug …. In deze omstandigheden is het ook hier zeer de vraag of dewaarderingsmethodiek van de fiscus niet willekeurig is uitgevoerd en de daaropvolgende taxatie niet is aangetast door willekeur …. 

Wil de fiscus een aangifte wijzigen dan dient ze voorafgaandelijk aan de belastingplichtige een bericht van wijziging te sturen waarin ze aankaart welke wijzigingen ze wenst aan te brengen aan de ingediende aangifte en welke de redenen zijn waarom ze de aangifte op deze punten wenst te wijzigen (artikel 346 lid 1 WIB 92). Dezemotiveringsverplichting bij het wijzigen van een aangifte is voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het is zeer de vraag of het bericht van wijziging waarbij de fiscus zonder meer haar waardering van het vruchtgebruik weerhoudt om de ingediende aangifte te wijzigen de toets van deze motiveringsvereiste doorstaat. Het komt voor dat de administratie zou moeten aangeven waarom de door de belastingplichtige weerhouden huurwaarde – voorzover goed onderbouwd – niet deugdelijk is en waarin de door de belastingplichtige weerhouden waarderingsmethodiek - voorzover goed onderbouwd niet deugdelijk zou zijn . Ook in deze gevallen lijkt de nietigheid van de daaropvolgende aanslag om de hoek te kijken …. 

Wil de fiscus een voordeel van alle aard voor de betrokken bedrijfsleiders weerhouden dan moet ze weldegelijk hetbewijs leveren dat dit voordeel bestaat. Het is zeer de vraag of de fiscus dit bewijs levert daar waar ze zonder meer voorbij stapt aan de door de belastingplichtige weerhouden huurwaarde – voorzover goed onderbouwd – en voorzover ze zonder meer voorbij stapt aan de door de belastingplichtige weerhouden waarderingsmethodiek en daarbij haar eigen waardering van het vruchtgebruik zonder meer meent te kunnen weerhouden. Het komt voor dat de fiscus in deze eerst moet aantonen dat de door de belastingplichtige weerhouden waardering niet deugdelijk is om pas vervolgens te kunnen overstappen aan haar eigen waardering. Het lijkt de omgekeerde wereld ….. 

Bovendien moet de fiscus in voorkomend geval aantonen dat de betrokken bedrijfsleider het vermeende voordeel verkreeg uit hoofde van zijn werkzaamheid als bedrijfsleider. Dit bewijs leveren door het argument dat de betrokken bedrijfsleider een beslissende invloed zou hebben gehad op de betrokken verrichting, lijkt een brug te ver …. Een bedrijfsleider heeft immers doorgaans op iedere verrichting een beslissende invloed wat zou maken dat een vermeend voordeel sowieso belastbaar zou zijn en de fiscus niet moet aantonen dat dit voordeel werd genoten uit hoofde van de werkzaamheid als bedrijfsleider. Ook hier lijkt het de wereld op zijn kop …. 

De eerste ervaringen met de grootscheepse controleacties van de fiscus omtrent de waardering van vruchtgebruik-structuren laat blijken dat de controleaanpak door de fiscus in een aantal gevallen ernstig voor kritiek vatbaar is en teruggaat op een al te rudimentaire en ongenuanceerde toepassing van de richtlijnen in de intern circulaire daaromtrent. Ook in deze materie is er de vaststelling dat de fiscus in een aantal gevallen maar al te graag zijn eigen maatschappelijke visie doordrukt daar waar een grondwetsconforme toepassing van de wet deze ruimte niet biedt. We hopen met dit artikel een steentje bij te dragen tot een positief en oplossingsgericht gesprek tussen fiscus en belastingplichtige hieromtrent. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.