VRIJSTELLING ONROERENDE VOORHEFFING VOOR "WELDADIGHEIDSINSTELLINGEN" - DE RECHTSPRAAK GAAT RUIM !

VRIJSTELLING ONROERENDE VOORHEFFING VOOR "WELDADIGHEIDSINSTELLINGEN" - DE RECHTSPRAAK GAAT RUIM !

Bepaalde onroerende goederen genieten een vrijstelling van onroerende voorheffing afhankelijk van hun aanwending (zie daarvoor artikel 253, 1° en 12 §1 van het wetboek inkomstenbelastingen). Het is ook mogelijk de vrijstelling te bekomen voor een deel van een onroerend goed als enkel dat deel van het goed voor het vrijgestelde doel wordt gebruikt en de ruimte kan afgescheiden worden van de rest van het onroerend goed (bv Brussel 18 oktober 2001). De onroerende voorheffing kan vaak hoog oplopen zodat een vrijstelling beter niet over het hoofd wordt gezien.

Vooreerst is er de voorwaarde dat in hoofde van de belastingplichtige of de bewoner bij de bestemming van het onroerend goed er geen sprake mag zijn van een winstoogmerk. Daarenboven dient het onroerend goed worden aangewend voor een bestemming van één van de volgende drie wettelijk omschreven categorieën: hetzij voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening (1); hetzij voor onderwijs (2); hetzij voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen (3).

De begrippen van de eerste twee categorieën zijn vrij duidelijk. Dit geldt in feite ook voor de bestemmingen van de derde categorie met uitzondering van het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling”. Het begrip “weldadigheid” kan worden gedefinieerd als “liefdadigheid”, “barmhartigheid”, “filantropie” of “naastenliefde”. Volgens het hof van beroep van Gent, in een arrest van 22 december 2009, is weldadigheid niets anders dan “weldadig zijn”. Daarbij verwijst het hof naar het Van Dale woordenboek volgens het welk “weldadig” betekent “goed doend aan armen en behoeftigen”. Nog volgens het hof dient “weldadigheid” in zijn moderne of actuele betekenis te worden begrepen. Maar wat moeten we dan begrijpen onder de “andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen”?

Volgens het Vlaamse Gewest, bevoegd in deze materie, moet het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling ”beperkend worden uitgelegd en zou het alleen kunnen slaan op de begrippen die in de tekst van dit artikel voorafgaan. De gemene deler tussen de diverse in de wet expliciet vermelde weldadigheidsinstellingen is volgens de administratie “de opvang, de verpleging of de verzorging van mensen”. Het komt evenwel voor dat de fiscale administratie het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” te strikt interpreteert. Een arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juni 2007 was dienaangaande reeds zeer verhelderend. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat soortgelijke weldadigheidsinstellingen instellingen zijn die hulpbehoevenden opvangen. Het Hof heeft zelf een reeks voorbeelden, het betreft met name gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen.

In een arrest van 24 mei 2012 gaf het Hof van Cassatie een korte, duidelijke en werkbare definitie van het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstellingen”. Volgens Cassatie worden met soortgelijke weldadigheidsinstellingen die instellingen bedoeld die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken. Deze definitie is duidelijk ruimer dan enkel opvang, verpleging of verzorging gezien geestelijke zorg er evenzeer wordt door geviseerd.

Het hof van beroep van Gent heeft zich recent hierover uitgesproken in een viertal zaken, die allen betrekking hadden op erkende sociale werkplaatsen. Sociale werkplaatsen bieden permanent gesubsidieerde tewerkstelling aan laaggeschoolde werkzoekenden via een contract van onbepaalde duur. De werkzoekenden zijn minstens vijf jaar inactief en hebben geen diploma hoger secundair onderwijs. Aan die personen die door een cumulatie van achterstellingsfactoren (persoons- en omgevingsgebonden factoren) geen job in het reguliere arbeidscircuit kunnen vinden of kunnen houden, wordt er werk op maat aangeboden.

In zijn eerste arrest van 8 oktober 2013 oordeelde het hof met betrekking tot een kringwinkel dat de ‘soortgelijkheid’ waarin de wet voorziet niet ruimer kan worden ingevuld dan wat de wettekst zelf aangeeft en dat het weldadigheidsinstellingen moeten zijn die soortgelijk zijn aan hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden. Volgens dit arrest, op basis van de voorhanden zijnde feiten en stukken, was dit voor de betrokken kringwinkel niet het geval zodat de vrijstelling niet werd toegekend.

In twee andere arresten van respectievelijk 11 en 18 februari 2014 oordeelde het Gentse hof over twee onroerende goederen die door eenzelfde kringloopcentrum werden bestemd voor arbeidszorg. Arbeidszorg is in essentie bedoeld voor mensen die niet, nog niet, of niet meer terecht kunnen in het reguliere of beschermde arbeidscircuit. De arbeidszorg wil ook voor deze mensen het recht op arbeid waarborgen; het brengt de latente functies van arbeid in hun bereik zoals sociaal contact, zingeving, een thuis en een verhoogde eigenwaarde. Dit kringloopcentrum werkte nauw samen met het OCMW. Volgens het hof leert een aandachtige lezing van de wet dat de aldaar opgesomde instellingen een ruim veld van activiteiten beslaan: “Het kan gaan naast hulpverlening van godsdienstige/morele aard en onderwijs, om lichamelijke verzorging (klinieken dispensaria), opvang van personen die wegens hun hoge leeftijd niet meer in staat zijn gemakkelijk alleen voor zichzelf te zorgen (rusthuizen), tot zelfs activiteiten met het oog op vertier van bepaalde categorieën van personen.” Aangezien het kringloopcentrum een instelling is die arbeidszorg verstrekt, zijnde een wijze van geestelijke zorgverstrekking voldoet zij volgens het hof wel degelijk aan het begrip soortelijke weldadigheidsinstelling zoals gedefinieerd door Cassatie. In een arrest van 4 februari 2014 oordeelde het hof in dezelfde zin met betrekking tot een erkende sociale werkplaats die arbeidszorg verstrekte door het ontwikkelen van een aantal bedrijfsactiviteiten. Ook hier was een nauwe samenwerking met het OCMW aangetoond.

Een onroerend goed dat door een eigenaar of bewoner zonder winstoogmerk wordt aangewend voor een in de wet voorziene bestemming geniet de vrijstelling van onroerende voorheffing. De rechtspraak van de laatste jaren heeft de verdienste te hebben verduidelijkt welke bestemmingen worden bedoeld. Volgens het hof van beroep van Gent gaat het naast hulpverlening van godsdienstige/morele aard en onderwijs, om lichamelijke verzorging (klinieken dispensaria), opvang van personen die wegens hun hoge leeftijd niet meer in staat zijn gemakkelijk alleen voor zichzelf te zorgen (rusthuizen), tot zelfs activiteiten met het oog op vertier van bepaalde categorieën van personen. Onder de “andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen” moet worden begrepen deze instellingen die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken. Het gaat over de opvang van hulpbehoevenden zoals gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen. Voor de bewoner of eigenaar die meent de vrijstelling onroerende voorheffing te kunnen claimen is het zaak een stevig dossier met de nodige bewijsstukken op te bouwen. Dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, dient immers per onroerend goed en per aanslagjaar te worden aangetoond. Tegen de betrokken aanslagen onroerend voorheffing tijdig – binnen de 3 maanden - bezwaar indienen is alvast de boodschap! 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.