Vrijstelling onroerende voorheffing voor weldadigheidsinstellingen - cassatie interpreteert ruim !

Vrijstelling onroerende voorheffing voor weldadigheidsinstellingen - cassatie interpreteert ruim !

Een aantal onroerende goederen kunnen genieten van de vrijstelling onroerende voorheffing. Het betreft de onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst, of van de vrijzinnige morele dienstverlening voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen (art. 253, 1° WIB 92 juncto artikel 12 §1 WIB 92). Voor deze vrijstelling dient er aan twee voorwaarden te zijn voldaan; het gebrek aan winstoogmerk en het bestaan van een zogenaamde filantropische bestemming. Over beide voorwaarden is al heel wat inkt gevloeid in de rechtspraak en de rechtsleer. In enkele recente arresten bracht het Hof van Cassatie verduidelijking.

Gebrek aan winstoogmerk – bij de eigenaar of de huurder

De voorwaarde dat het onroerend goed moet worden bestemd zonder winstoogmerk heeft geleid tot veel discussie. Dit geldt in het bijzonder wanneer dit onroerend goed door de weldadigheidsinstelling, bv een VZW, wordt gehuurd van een vennootschap. Deze vennootschap kwalificeert in de meeste gevallen niet als een weldadigheidsinstelling en het betrokken onroerend goed genereert voor de vennootschap huurinkomsten. Vraag is dan of de voorwaarde van het gebrek aan winstoogmerk bij het bestemmen van het betrokken onroerend goed moet zijn vervuld zowel in hoofde van de eigenaar (“belastingplichtige”) als in hoofde van de huurder (“bewoner”). Deze discussie is opmerkelijk te noemen. De wet is immers duidelijk. Daarin wordt bepaald: “Vrijgesteld zijn de inkomsten van onroerende goederen (…) die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerken heeft bestemd (…)” (artikel 12 §1 WIB 92). Het komt ons voor dat deze wettekst slechts voor één lezing vatbaar is en geen ruimte laat voor interpretatie: in de wet staat immers duidelijk vermeld dat de betrokken voorwaarde moet zijn vervuld bij de belastingplichtige “of” de bewoner: er staat niet “en”. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie moet er, indien de wettekst duidelijk is, geen andere betekenis achter worden gezocht en mag hij niet worden aangevuld (zie J. Sandra en S. Vancolen, “Onroerende voorheffing en "weldadigheidsinstelling" - vrijstelling krijgt eigentijdse invulling ..” TFI 18 juni 2012).

Ondanks het voorgaande heeft de Vlaamse Belastingdienst steeds het standpunt ingenomen dat de voorwaarde van het gebrek aan winstoogmerk bij het bestemmen van het onroerend moet zijn vervuld in hoofde van zowel de eigenaar als de huurder.

Ook de rechtspraak was op dit punt verdeeld, zelfs op het niveau van de hoven van beroep. Het Hof van Cassatie heeft zich nu in tweede arresten van 19 oktober 2012 dienaangaande uitgesproken. Uit deze arresten kan worden afgeleid dat de afwezigheid van winstoogmerk altijd moet beoordeeld worden in hoofde van diegene die het goed voor het voornoemde specifieke doel aanwendt of bestemt. Dit kan de eigenaar zijn of de huurder. Vereist is wel dat beide voorwaarden, de afwezigheid van winstoogmerk en de bestemming tot het specifiek doel in hoofde van dezelfde persoon verenigd moeten zijn. Wanneer het betrokken onroerend goed aldus door de eigenaar wordt verhuurd aan de bewoner die het goed zonder winstoogmerk aanwendt voor één van de in artikel 12 §1 voorziene doeleinden, dan vormt de betaling van de huur geen beletsel voor de toekenning van de vrijstelling van de onroerende voorheffing. Het Hof van Cassatie heeft het begrip “gebrek aan winstoogmerk” ook nader gedefinieerd. Volgens het Hof van Cassatie is vereist dat de voordelen behaald uit het onroerend goed werkelijk en uitsluitend gebruikt worden voor de instandhouding en de uitbreiding van de activiteiten die verband houden met het weldadigheidsdoel bedoeld in artikel 12 §1 WIB 92. Het voordeel moet evenwel niet per se worden besteed aan het onroerend goed waaruit het voordeel wordt behaald. Het voordeel mag ook worden besteed aan de instandhouding en de uitbreiding van activiteiten die verband houden met het liefdadigheidsdoel op andere locaties dan het onroerend goed waaruit het voordeel wordt gehaald.

Soortgelijke weldadigheidsinstelling –fysieke of geestelijke zorgverstrekking in de ruime zin

Het begrip “weldadigheid” kan worden gedefinieerd als “liefdadigheid”, “barmhartigheid”, “filantropie” of “naastenliefde”. Volgens het hof van beroep van Gent, in een arrest van 22 december 2009, is weldadigheid niets anders dan “weldadig zijn”. Daarbij verwijst het hof naar het Van Dale woordenboek volgens het welk “weldadig” betekent “goed doend aan armen en behoeftigen”. Nog volgens het hof dient “weldadigheid” in zijn moderne of actuele betekenis te worden begrepen.

Maar wat is dan een “soortgelijke weldadigheidsinstelling”? Volgens het Vlaamse Gewest moet het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” beperkend worden uitgelegd en kan het alleen slaan op de begrippen die in de tekst van dit artikel voorafgaan. De gemene deler tussen de diverse in de wet expliciet vermelde weldadigheidsinstellingen is volgens de administratie “de opvang, de verpleging of de verzorging van mensen”.

Het komt evenwel voor dat de administratie het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” te strikt interpreteert. Een arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juni 2007 was dienaangaande reeds zeer verhelderend. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat soortgelijke weldadigheidsinstellingen instellingen zijn die hulpbehoevenden opvangen. Het Hof heeft zelf een reeks voorbeelden van die laatstgenoemde categorieën met name gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen.

In een arrest van 24 mei 2012 heeft nu ook het Hof van Cassatie het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstellingen” gedefinieerd. Met soortgelijke weldadigheidsinstellingen worden die instellingen bedoeld die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken. Deze definitie is ruimer dan enkel opvang, verpleging of verzorging aangezien geestelijke zorg er evenzeer wordt door geviseerd.

In essentie kan de vrijstelling van onroerende voorheffing door de belastingplichtige of bewoner worden geclaimd wanneer een onroerend goed zonder winstoogmerk wordt bestemd voor liefdadigheid. In 2012 heeft het Hof van Cassatie de voorwaarden van de vrijstelling gepreciseerd. Zo dient de afwezigheid van winstoogmerk altijd beoordeeld te worden in hoofde van diegene die het goed voor het voornoemde specifieke doel aanwendt of bestemt. Dit kan de eigenaar zijn of de huurder van het betrokken onroerend goed; de betaling van de huur vormt aldus op zich geen beletsel voor de toekenning van de vrijstelling van de onroerende voorheffing. Cassatie heeft ook het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstellingen” gedefinieerd; het betreft die instellingen die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken wat bijzonder ruim uitvalt. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.