Vlaamse leegstandsheffing bedrijfsruimten - vermijdt registratie in inventaris!

Vlaamse leegstandsheffing bedrijfsruimten - vermijdt registratie in inventaris!

Teneinde aan de leegstand en/of verwaarlozing van bedrijfsruimten te verhelpen heeft de Vlaamse Raad bij Decreet van 19 april 1995 maatregelen uitgevaardigd ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna: Leegstandsdecreet). Dit Leegstandsdecreet werd uitgevoerd bij besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 (hierna: Leegstandsbesluit). Volgens artikel 2, 3° van het Leegstandsdecreet is een bedrijfsruimte geheel of gedeeltelijk leegstaand vanaf het ogenblik dat meer dan 50 % van de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet effectief wordt benut (zie ook artikel 4 van het Leegstandsbesluit).
 
De inventarisatie …

Overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid van het Leegstandsdecreet dient elke gemeente een lijst op te stellen van de leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten, gelegen op haar grondgebied, die als basis zal dienen voor de inventaris van alle leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten die aan een heffing kunnen worden onderworpen en/of voor een financiële steun voor vernieuwing in aanmerking komen (artikel 2, 5° van het Leegstandsdecreet).

De registratie …

Binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de lijsten van de gemeenten besluit het bevoegde departement (het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed) tot al dan niet registratie in de inventaris (artikel 7 van het Leegstandsbesluit).

Binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na de officiële registratie betekent dit departement, via een aangetekend schrijven, een registratieattest aan de eigenaar(s) van het geregistreerde goed (artikel 5 van het Leegstandsdecreet en artikel 8 van het Leegstandsbesluit) . Dit attest vermeldt de motivering van de registratie, de datum van de opname, de beroepsmogelijkheid en het heffingsbedrag bij in gebreke blijven (artikel 8 van het Leegstandsbesluit).

Beroep tegen de registratie in de inventaris …

Binnen de dertig kalenderdagen na betekening van het registratieattest kan de eigenaar van de geregistreerde ruimte met een aangetekende brief beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering tegen deze registratie (artikel 7 van het Leegstandsdecreet).

De Vlaamse Regering doet uitspraak over het beroep en betekent haar gemotiveerde beslissing aan de indiener van het beroep met een aangetekende brief binnen zestig kalenderdagen na betekening van het beroep (artikel 8, § 1, eerste lid van het Leegstandsdecreet). Bij gebreke aan kennisgeving van een beslissing door de Vlaamse Regering binnen de hiervoor gestelde termijn kan de indiener van het beroep met een aangetekende brief een herinneringsschrijven richten aan de Vlaamse Regering. Die dient binnen dertig kalenderdagen na de betekening van dit herinneringsschrijven haar beslissing per aangetekende brief kenbaar te maken (artikel 8, § 1, tweede lid van het Leegstandsdecreet). Wanneer er geen uitspraak over het beroep is binnen de hiervoor laatst gestelde termijn, wordt de registratie in de inventaris als niet-bestaande beschouwd voor het lopende jaar (artikel 8, § 2 van het Leegstandsdecreet).

Mogelijke actiemiddelen tegen de registratie …

Zoals hoger reeds aangehaald, schrijft het Leegstandsdecreet voor dat het agentschap na de officiële registratie een registratieattest betekent aan de eigenaar(s) van het geregistreerde goed. Het Leegstandsdecreet schrijft in dit verband onder meer voor dat het registratieattest de motivering van de registratie moet vermelden.

Terzake stelt de rechtsleer dat enkel een zeer uitvoerige en pertinente motivering die aangepast is aan elke registratie afzonderlijk, bij gebrek aan inhoudelijke criteria, het gevaar voor willekeur kan wegnemen; bv. een technisch verslag (De Keuster, D. en Vaerewyck, Ch., “De heffing ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten”, A.F.T., 1996, nr. 10, p. 328). Wanneer een registratieattest aldus onvoldoende gemotiveerd is, zal de Vlaamse Regering het beroep tegen de registratie o.i. moeten inwilligen met als gevolg dat de registratie in de inventaris als niet-bestaande beschouwd moet worden voor het lopende jaar.

Wanneer er geen uitspraak over het beroep tegen de registratie is gedaan binnen de hiervoor vermelde termijn, wordt de registratie in de inventaris als niet-bestaande beschouwd voor het lopende jaar (artikel 8, § 2 van het Leegstandsdecreet). Volgens het Vlaams Ministerie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed houdt het voorgaande in dat het beroep als ingewilligd wordt beschouwd en dat een attest tot schrapping op eenvoudig verzoek aan de belanghebbende betekend zal worden (www.ruimtelijkeordening.be) (zie ook De Jonckheere, M., De taxatieprocedure, Brugge, Die Keure, 2003, p. 155).

In tegenstelling tot provincie- en gemeentebelastingen (Astaes, J., “Het Vlaams decreet betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen”, A.F.T., 2008, nrs. 8-9, p. 15) voorziet het Leegstandsdecreet inzake gewestelijke belastingen ons inziens niet in de mogelijkheid van herregistratie/subsidiaire registratie.

Artikel 33 van het Leegstandsdecreet stelt immers enkel dat, inzoverre dit hoofdstuk (n.v.d.r.: Hoofdstuk III Heffing) en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet afwijken, de regels betreffende de invordering, de verwijl- en moratoire interesten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek, de aansprakelijkheid en plichten van sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere personen, de verjaring alsmede de vestiging inzake de onroerende voorheffing zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, mutatis mutandis van toepassing zijn op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen en administratieve geldboeten met uitzondering van titel VII, hoofdstuk VIII, afdeling IVbis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 332 van de Programmawet van 27 december 2004. Artikel 33 van het Leegstandsdecreet viseert aldus enkel het hoofdstuk inzake de heffing (Hoofdstuk III Heffing) en niet het hoofdstuk inzake de inventarisatie (Hoofdstuk II Inventarisatie).
 
Eigenaars van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten hebben er aldus alle belang bij om na te gaan of het registratieattest voldoende gemotiveerd is. Zoniet, dient dit registratieattest als niet-bestaande beschouwd te worden voor het lopende jaar en is o.i. geen herregistratie/subsidiaire registratie mogelijk. Volledigheidshalve wijzen we er tenslotte nog op dat eigenaars van leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten best niet wachten tot de ontvangst van de leegstandsheffing om het registratieattest alsnog aan te vechten. Bepaalde rechtspraak is immers van oordeel dat een heffingsplichtige in het kader van een geschil over de leegstandsheffing de registratie van de bedrijfsruimte in de inventaris van de leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten niet meer kan aanvechten … 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.