VERWERPING AFSCHRIJVING VASTGOED IN VOLLE EIGENDOM - EVENZEER EEN BRUG TE VER !?

VERWERPING AFSCHRIJVING VASTGOED IN VOLLE EIGENDOM - EVENZEER EEN BRUG TE VER !?

De laatste tijd is er veel te doen om de acties van de fiscus omtrent vruchtgebruik. De fiscus poogt daarbij, inzonderheid bij overwaardering van het vruchtgebruik, in eerste instantie een voordeel van alle aard te belasten bij de natuurlijke persoon – bedrijfsleider ten belope van de overwaardering. Aangezien dit voordeel gekoppeld wordt aan de aanvang van het vruchtgebruik, is het rekening houdende met de aanslagtermijn van drie jaar niet altijd meer mogelijk om nog te taxeren. In die zin gaat de administratie dan ook soms over tot verwerping van de afschrijving op het vruchtgebruik, minstens op het overgewaardeerd deel van het vruchtgebruik.

De laatste tijd stellen we evenwel soms ook vast dat de fiscus tout court bedrijfswoningen in een vennootschap viseert, ongeacht of deze zich in volle eigendom dan wel in vruchtgebruik in de vennootschap bevinden. Voor wat betreft de verwerping van vastgoed in volle eigendom, lijkt de fiscus toch een (extra) aantal fiscale basisprincipes uit het oog te verliezen.

De typecasus die aan de hand is, is de situatie waarbij de exploitatievennootschap eigenaar is van een vastgoed. Dit vastgoed doet dienst als bedrijfswoning. Enerzijds maakt de bedrijfsleider gebruik van dit vastgoed in het kader van de exploitatie (bv als bureel, ontvangstruimte, vergaderruimte, …); anderzijds stelt de vennootschap het vastgoed ter beschikking aan de bedrijfsleider als bijkomende bezoldiging voor zijn prestaties. Hetzelfde geldt overigens voor een appartement aan de kust dat als bezoldiging in natura wordt ter beschikking gesteld aan de zaakvoerder.

De aftrekbaarheid van een kost (in casu de afschrijving op de bedrijfswoning) moet inderdaad worden beoordeeld in het licht van artikel 49 WIB 92.

Artikel 49 WIB 92 voorziet dat als beroepskosten aftrekbaar zijn:
• de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan en gedragen;
• om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; 
• en waarvan de echtheid en het bedrag zijn verantwoord door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed.
In de praktijk vereist de fiscus, in navolging van cassatierechtspraak in een bepaalde zin gelezen, dat de kost tevens causaal verband moet houden met de activiteit van de vennootschap (die onder andere kan worden afgeleid uit het statutair doel van de vennootschap).

Niemand zal betwisten dat de betrokken kosten in het betrokken tijdperk zijn gedaan en dat ter zake voldoende bewijsstukken voorliggen omtrent de echtheid en het bedrag ervan. De meeste statutaire doelen van vennootschappen zijn ondertussen afgestemd op vastgoedinvesteringen (al kan men zich zeer nadrukkelijk de vraag stellen of dit wel hoeft nu de bedrijfswoning wordt gebruikt voor exploitatie en/of toekenning van een bezoldiging in natura aan de bedrijfsleider die de exploitatie leidt … waarbij de zaken die verband houden met de exploitatie toch mogen worden geacht verband te houden met de activiteit …).

De vraag of de kost wordt gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden is dan weer een retorische vraag: de zaakvoerder wordt voor zijn prestaties verloond door de ter beschikking stelling van het vastgoed. Prestaties van de zaakvoerder dragen per veronderstelling bij tot het inkomen van de vennootschap.

Tot hier is er geen onderscheid met de gevallen waarin de fiscus de afschrijvingen op vruchtgebruik verwerpt.

Maar – wat meer is – de vennootschap verwerft patrimonium die in waarde zal stijgen en dus in ieder geval tot een belaste meerwaarde zal aanleiding geven (bij verkoop of bij liquidatie). Ter illustratie kunnen we bijvoorbeeld verwijzen naar een arrest van het Hof van Beroep van Brussel, waarin het Hof de aftrekbaarheid van een vastgoed - ondanks het feit dat het niet onmiddellijke inkomsten oplevert - afleidt uit de principiële belastbaarheid van meerwaarden uit het betrokken onroerend goed (“Le fait qu’un immeuble ne produit temporairement pas de revenus, ne justifie pas pour les mêmes motifs le rejet des amortissements, si pour le reste les revenus et plus-values de ce bien constituent en principe des bénéfices imposables de la société”) (Brussel, 17 februari 1999, F.J.F. 2000/283,www.monkey.be).

In tegenstelling tot bij vruchtgebruik dossiers, waar op het vastgoed in de vennootschap niet altijd een meerwaarde wordt gerealiseerd (bv bij tussentijdse verkoop), zal dat hier dus met zekerheid wel het geval zijn.

De administratie stelt overigens in haar eigen interne Circulaire over vruchtgebruik eveneens dat een vruchtgebruik strikt moet worden onderscheiden van een aankoop in volle eigendom rekening houdende met het feit dat in het laatste geval een meerwaarde aan de orde kan zijn: “de vennootschap welke een onroerend goed aanschaft in volle eigendom met het oog op de terbeschikkingstelling ervan ten voordele van de bedrijfsleider en zijn gezin (als een bezoldiging in natura) kan dit doen met het oog op het gebruiken van een fiscaal gunstige bezoldigingstechniek; maar zij kan met betrekking tot dit onroerend goed later een meerwaarde realiseren wat de transactie een potentieel (bijkomend) winstoogmerk geeft. “ (letterlijk citaat uit interne circulaire fiscale administratie inzake vruchtgebruik)

De kosten zijn dus bij aankoop van een vastgoed in volle eigendom ook om die reden per definitie gedaan om belastbare inkomsten te behouden of te verkrijgen.

We gaan er dan ook vanuit dat acties waarbij de fiscus de afschrijvingen op een vastgoed in volle eigendom verwerpt, in de meeste gevallen geen kans op slagen hebben.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.