Vermogensfiscaliteit vanaf 2012 : een copernicaanse omwenteling of een evolutie die in de sterren stond geschreven ?

Vermogensfiscaliteit vanaf 2012 : een copernicaanse omwenteling of een evolutie die in de sterren stond geschreven ?

Binnen de fiscale begrotingsmaatregelen hebben deze rond de vermogensfiscaliteit een aanzienlijk impact. Zo goed als alle private beleggingsportefeuilles zien hun netto rendement verder dalen door een verhoging van de belasting met 40 tot 110%.

Nieuwe roerende inkomsten zijn er (vooralsnog) niet belastbaar gesteld. Een aantal inkomsten zijn nog steeds belastingvrij zoals bijvoorbeeld inkomsten uit bepaalde langlopende verzekeringscontracten.
 
Wat wel belangrijk is gewijzigd zijn de tarieven voor roerende inkomsten. Die zien er voortaan als volgt uit voor inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2012:

Indien we dit vergelijken met hetzelfde overzicht voor de periode voorafgaand aan 2012 valt het impact onmiddellijk op:

Daarnaast voorziet de fiscale wet voortaan in een bijkomende heffing van 4% voor alle interesten en dividenden die in het eerste schema hierboven aan 21% worden getarifeerd. Indien deze bijkomende heffing toepasselijk is, stijgt de belasting tot 25% waardoor er in vergelijking met de oude tarieven van 15% een verhoging is van meer dan 66%.

De bijkomende heffing wordt wel maar opgelegd in de mate de roerende inkomsten van de betrokken belastingplichtige jaarlijks een bedrag van € 20.020,00 (de zogenaamde vrije korf) overstijgen. Voor de invulling van de vrije korf dient wel geen rekening te worden gehouden met liquidatiebonussen, vrijgestelde inkomsten uit spaardeposito’s en interesten uit de staatsbons uitgegeven tussen 24/11/2011 en 2/12/2011. Opvallend is wel dat de vrije korf prioritair dient te worden opgevuld met interesten en dividenden die aan 15 of 25% worden belast. Daardoor worden de interesten en dividenden die vatbaar zijn voor de 4% bijkomende heffing maximaal omhoog geduwd in de korf en, indien de vrije korf overschreden wordt, bijkomend belast.

De verhoging van de tarieven mag, ondanks het feit dat het in bepaalde gevallen over belangrijke verhogingen gaat, niet onmiddellijk verrassen. In eerste instantie is er de budgettaire noodzaak. In tweede instantie kadert de verhoging van de roerende fiscaliteit ook in een zoektocht naar meer evenwicht tot belasting op arbeid en belasting op vermogen.

Wat op het eerste gezicht wel als een Copernicaanse (r)evolutie zou kunnen worden aangevoeld is de wijziging van het heffingssysteem inzake roerende inkomsten. Voorheen werd de belasting op roerende inkomsten geïnd via het systeem van de bevrijdende roerende voorheffing; de uitbetaler van het roerend inkomen hield de belasting in onder de vorm van een roerende voorheffing en stortte deze door aan de Staat; de verkrijger was ontheven van iedere aangifteplicht van het roerend inkomen. Vele Belgen voelden zich bij dit laatste zeer comfortabel omdat op die manier uit hun aangifte in de personenbelasting alvast hun roerend vermogen niet
bleek …

Voortaan geldt het principe dat iedere Belg in zijn aangifte in de personenbelasting zijn belastbare roerende inkomsten dient aan te geven. Voortaan geldt ook dat iedere instantie die roerende inkomsten uitbetaalt, het bedrag van deze inkomsten en de verkrijger ervan moet melden aan een Centraal aanspreekpunt (dat nog moet geïnstalleerd worden!?).

Op deze nieuwe algemene regel bestaat slechts één uitzondering. De aangifte in de personenbelasting en de melding aan het Centraal aanspreekpunt geldt niet voor zover (1) het gaat om inkomsten en dividenden die aan 21% worden belast en voor zover (2) de belastingplichtige er meteen voor kiest om een bijkomende heffing van 4% te laten inhouden.

Deze principiële aangifteplicht en principiële meldingsplicht wordt in de voorbereidende werken verantwoord als zou deze nieuwe systematiek nodig zijn om per belastingplichtige de al dan niet verschuldigdheid van de bijkomende heffing te kunnen opvolgen. Deze nieuwe systematiek geeft nochtans ingrijpende gevolgen (organisatie van een Centraal aanspreekpunt bij de fiscale administratie, organisatie bij de financiële instellingen, administratieve impact voor de beleggers die voortaan haast een boekhouding van hun roerende inkomsten dienen bij te houden, …). Dat het voor de belastingplichtigen discrete systeem van de bevrijdende roerende voorheffing om voornoemde reden zou worden opgeheven, klinkt niet echt overtuigend. Indien men het tarief van 21% op 25% had gebracht vanaf de eerste euro dan had dat iedere belastingplichtige maximaal € 800,00 meer kunnen kosten (4% op eerste schijf van € 20.020,00) maar kon het systeem van de bevrijdende roerende voorheffing (met de genoemde voordelen) blijven bestaan.

De inschatting lijkt eerder te mogen zijn dat men het principe van de algemene aangifteplicht inzake roerende inkomsten heeft willen invoeren, dit (voorlopig) met een nog symbolische uitzondering. Deze algemene aangifteplicht past daarbij noch min noch meer in de nationale en internationale evolutie naar steeds meer transparantie rond roerend vermogen. Roerend vermogen dat niet transparant is of kan worden (bv. omdat het fiscaal regime niet is ondergaan), komt daarbij steeds meer onder druk te staan. De regering laat de mogelijkheid om te regulariseren – en zich dus te conformeren aan deze transparante tijden – ongemoeid …

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.