Vermogen & fiscaliteit anno 2011: quo vadis?

Vermogen & fiscaliteit anno 2011: quo vadis?

Met het begin van het nieuwe jaar en de onzekere politieke situatie stelt zich de vraag hoe de fiscale omgeving van de vermogensplanning zal evolueren in de nabije toekomst. Hierbij tekent zich  een onderscheid af  tussen enerzijds de fiscaliteit van de vermogensovergang (successierechten en schenkingsrechten) en anderzijds de fiscaliteit van de vermogensorganisatie (inkomstenbelastingen).

Successierechten en schenkingsrechten zijn op vandaag sterk geregionaliseerd en ook betaalbaar(der) geworden. Nog geen 20 jaar geleden was er het algemeen credo gangbaar van de anonimiteit van het vermogen, ook op het vlak van de aangifte van nalatenschappen met alle gevolgen van dien : immobilisatie van het anonieme vermogen voor minstens 11 jaar, chantagemogelijkheden voor niet tevreden familieleden etc …..

Op vandaag evenwel valt de fiscale kostprijs van de overdracht van vermogen best mee mits enige vooruitziendheid. Het hoogste tarief in de rechte lijn in de successierechten van 27% zal hierbij de bijzondere aandacht weerhouden. De basisbouwstenen voor een adequate vermogensplanning hiervoor  zijn genoegzaam bekend. Vooreerst is er de schenking van roerende goederen voor een Belgisch notaris aan 3 % schenkingsrechten met een onmiddellijke bevrijding van mogelijke  successierechten. Alternatief is de schenking voor een buitenlandse notaris of middels handgift of onrechtstreekse schenking zonder schenkingsrechten, maar met een risicoperiode van 3 jaar : overlijdt de schenker binnen deze periode van 3 jaar dan zijn er alsnog successierechten op het geschonkene verschuldigd. Op het vlak van de successierechten is er het bijzonder 0% - tarief voor aandelen van en vorderingen op familiebedrijven die interessante perspectieven opent. Voorts is er de afzonderlijke toepassing van het tarief in de successierechten op enerzijds het roerend vermogen en anderzijds het onroerend vermogen wat mogelijkheden biedt om minder snel in de hoogste tarieven terecht te komen op het vermogen dat alsnog onderhevig is aan de successierechten. Ook kan voor de overdracht van belangrijke vastgoedcomponenten gewerkt worden met iets complexere technieken waarbij de boodschap lijkt te zijn dat dit best tijdig wordt aangepakt.

Het is evenwel op het vlak van de inkomstenbelastingen dat er tendensen te bespeuren vallen naar een (niet – onbelangrijke ?) verzwaring van de belastingheffing.  Hierbij zal  de verwachte vergrijzing van onze bevolking allicht een belangrijke rol spelen. Vanuit de vaststelling dat onze torenhoge tarieven in de personenbelasting en de vennootschapsbelasting geen marge voor stijging meer toelaten, lijken heffingen ten laste van de niet langer actieve bevolking die voldoende draagkracht blijkt te hebben en die belangrijk aangroeit, voor de hand te liggen.  De hertekening van de fiscale bevoegdheden tussen de regionale en de federale overheid waaromtrent op vandaag volop het debat wordt gevoerd, zou hierbij wel eens een kentering kunnen teweeg brengen. Dat de overheid die het economisch beleid voert best ook daartoe in voldoende mate over de bevoegdheid omtrent de inkomstenbelastingen beschikt lijkt de logica zelve. Misschien mag daarbij de inschatting zijn dat de inkomstenbelastingen in de vermogensfiscaliteit wel eens het hoogste gehalte aan federale belasting zou kunnen behouden ….

Welke vormen de verzwaring van de vermogensfiscaliteit zal aannemen is uiteraard zeer moeilijk in te schatten, zeker in de huidige politieke context. Enkele denkpistes liggen echter voor de hand mede gelet op de Europese regelgeving inzake vermogensinkomsten.

Vooreerst is er de mogelijke verhoging van het tarief van de roerende voorheffing naar 20 % of 25%. Ook is er de verruiming van de definitie van de roerende inkomsten; de inkoopbonus van aandelen – bevek’s en de opbrengsten van de zogenaamde tak 23 – verzekeringen liggen hierbij in de vuurlijn. Een nog verdergaande denkpiste is dat het belastingregime voor alle roerende inkomsten en meerwaarden wordt eengemaakt …

Een belastingheffing op vermogensmeerwaarden is een andere denkpiste. Allicht is het belastbaar stellen van iedere beurswinst niet waarschijnlijk. Het belastbaar stellen van meerwaarden op zogenaamde “aanmerkelijk belang deelnemingen” staat echter al een hele tijd in de kijker … Belangrijke vraag bij de invoering van deze heffing wordt dan wel de inwerkingtreding in de tijd : wordt de volledige meerwaarde belastbaar of wordt enkel de waardestijging vanaf de nieuwe maatregel belastbaar ? Of nog, is de meerwaarde enkel belastbaar ten belope van de opgebouwde reserves in de achterliggende vennootschap … ?

Uiteraard kan hier de afbouw van aandelen aan toonder niet onverlet gelaten worden waardoor normaliter vanaf 2014 alle aandelen op naam dan wel op rekening zullen aangehouden worden. Hierdoor wordt een vermogenskadaster mogelijk. De invoering van een vermogensbelasting tout court is echter niet onmiddellijk voor de hand liggend. In de ons omringende landen heeft men de vermogensbelasting afgeschaft dan wel zeer beperkt, hoofdzakelijk omdat de kosten / batenanalyse van zo’n belasting niet onmiddellijk overtuigde ….

Vanuit de vaststelling dat de huidige regularisatiewetgeving niet altijd even werkzaam lijkt te zijn, denken sommigen luidop aan de invoering van een EBA – bis maatregel waarbij vooralsnog tijdelijk zou kunnen worden geregulariseerd aan een forfaitair tarief of/en waarbij met het geregulariseerd vermogen wordt ingeschreven op renteloze overheidsobligaties. Zo’n maatregel zou meteen een verademing betekenen voor de Belgische schatkist, dit lijkt alvast de inschatting te mogen zijn …

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.