"verklikking” door fiscaal ambtenaar zonder machtiging aan parket : strafvervolging onontvankelijk ?

"verklikking” door fiscaal ambtenaar zonder machtiging aan parket : strafvervolging onontvankelijk ?


Het fiscaal strafprocesrecht kent ten opzichte van het algemeen strafprocesrecht een aantal bijzonderheden. Anders gesteld, voor strafrechtelijke procedures die betrekking hebben op fiscale misdrijven (inbreuken op een belastingwet of uitvoeringsbesluit ervan) gelden – naast de algemene procedure-voorschriften – specifieke vereisten. Aangezien het miskennen van deze fiscaal-specifieke bepalingen de onontvankelijkheid van de strafvervolging met zich mee kan brengen genieten deze onze volle aandacht.

In het bijzonder is de informatieverstrekking van de fiscus naar het parket toe, met oog op de opstart van een strafonderzoek, specifiek gereguleerd. Zo voorziet artikel 29, 2e lid Sv. uitdrukkelijk dat fiscale ambtenaren “feiten die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn” niet ter kennis kunnen brengen aan het parket zonder de machtiging van de Gewestelijke Directeur onder wie zij ressorteren. Wanneer het parket – in het bijzonder bij de opstart van haar strafonderzoek - informatie bekomt vanwege een fiscale ambtenaar die een spontane kennisgeving van feiten aan het parket heeft gedaan, dan is vereist dat deze kennisgeving gedekt wordt door een machtiging (toelating) van de bevoegde Gewestelijke Directeur. De doelstelling van deze specifieke wetsbepaling is dan ook geweest om misbruik van het strafonderzoek door hiërarchisch lager geschikte belastingambtenaren te vermijden.

Het belang van deze bijzondere bepaling is niet te onderschatten. De machtigingsvereiste is niet alleen een essentiële vereiste voor de geldigheid van de betrokken spontane aangifte door de fiscale ambtenaar in kwestie, maar vooral ook voor de ontvankelijkheid van de daaropvolgende strafvordering. Uit (cassatie-)rechtspraak en gezaghebbende rechtsleer volgt immers dat een strafvervolging voor fiscale misdrijven op basis van een spontane aangifte van feiten door een niet-gemachtigde ambtenaar onontvankelijk is. Dit principe is overigens ingeschreven in de diverse fiscale wetten (o.a. artikel 460 § 2 WIB 92; artikel 74 § 1 WBTW) die bepalen dat het Openbaar Ministerie (het parket) geen vervolging kan instellen indien het kennis heeft gekregen van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake in artikel 29, 2e lid Sv..

De “verklikkende” fiscale ambtenaar moet zich in zijn kennisgeving aan het parket houden aan de feiten waarvoor hij een machtiging kreeg van zijn directeur. Indien hij daarnaast ook feiten meldt waarvoor hij niet gemachtigd is dan kan de strafvervolging voor deze laatste feiten onontvankelijk zijn.
 
De ontvankelijkheid van de strafvervolging kan dus in vraag gesteld worden in zoverre de uiteindelijke strafvordering teruggaat op de kennisgeving van deze spontaan door de fiscus gemelde feiten.

Voor strafrechtelijke vervolgingen van fiscale misdrijven bestaan specifieke – op straffe van onontvankelijkheid van de strafvervolging – procedure-voorschriften. Wanneer een fiscale ambtenaar het parket op spontane wijze in kennis stelt van feiten die een schending van een belastingwet (en/of uitvoeringsbesluit ervan) uitmaken, dan behoeft hij hiertoe een machtiging vanwege de Gewestelijke Directeur (artikel 29, 2e lid Sv.). De strafvordering is onontvankelijk wanneer deze kennisgeving niet gepaard ging met een machtiging voor de vervolgde feiten of een deel ervan. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.