Verjaring van belastingen: het europese hof aan zet !

Verjaring van belastingen: het europese hof aan zet !

Op het vlak van de directe belastingen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de aanslagtermijnen en de verjaringstermijnen. De aanslagtermijnen bepalen binnen welke termijn de fiscus een aanslag kan vestigen terwijl de verjaringstermijnen bepalen binnen welke termijn de gevestigde aanslag kan worden ingevorderd.
 
In principe verjaren directe belastingen door verloop van 5 jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te zijn; dit is binnen de twee maanden na het verzenden van het aanslagbiljet. In geval van schorsing van de verjaringstermijn houdt de verjaring op verder te lopen tijdens de duur van de schorsing. Zo wordt ondermeer de verjaring geschorst door het indienen van een bezwaarschrift of door het instellen van een rechtsgeding. Zolang de gewestelijke directeur niet over het bezwaar heeft geoordeeld of zolang het rechtsgeding nog hangende is bij een rechtbank loopt de verjaring niet verder maar blijft de reeds verlopen termijn verworven.
 
Een verjaringstermijn kan ook worden gestuit. Een stuiting heeft voor gevolg dat er vanaf de stuiting een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen en dat de reeds verlopen tijd van de verjaring verloren is. Zo wordt de verjaring gestuit wanneer de ontvanger zich genoodzaakt ziet een dwangbevel te betekenen in geval de belastingplichtige niet tijdig de aanslag heeft betaald. Daarmee geeft de ontvanger de belastingsplichtige het bevel om te betalen binnen de 24 uren op straffe van het leggen van een beslag.
 
Inzonderheid omtrent de stuiting van de verjaring van directe belastingen is er de voorbije 10 jaar veel te doen geweest. Zo oordeelde het Hof van Cassatie in de periode 2002 tot 2004 in een viertal arresten dat een dwangbevel de verjaring van betwiste belastingschulden niet kan stuiten. Door er vanaf 10 januari 2004 in te voorzien dat het indienen van een bezwaar of het instellen van een rechtsgeding de verjaring schorst, loste de wetgever dit probleem op naar de toekomst toe. Maar de wetgever wenste ook een oplossing voor de dwangbevelen die in het verleden werden betekend voor betwiste belastingschulden. Zo werd in artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 bepaald dat een dwangbevel de verjaring stuit zelfs indien de belastingschuld wordt betwist. Zowel het Grondwettelijk Hof als het Hof van Cassatie hebben geoordeeld dat dit een retroactieve wet betreft die aldus ook van toepassing is op dwangbevelen die in het verleden voor betwiste belastingschulden werden betekend.
 
Meteen rees de vraag of de retroactieve werking van voornoemd artikel 49 geen schending inhield van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) en van het recht op eigendom (art. 1 lid 1, 1° Prot. EVRM). Het Grondwettelijk Hof beantwoordde deze vraag reeds in 2005 en 2006 negatief. In 2007 oordeelden de rechtbanken van Namen en Luik in andere zin. In een zaak waarin de belastingplichtige onredelijk lang (5 jaar) diende te wachten op een beslissing op het bezwaarschrift dat hij had ingediend tegen een aanslag, oordeelde ook de rechtbank van Brussel in 2007 dat er sprake was van een schending van het recht op een eerlijk proces en van het recht op eigendom. Ondermeer de hoven van beroep van Gent, Antwerpen en Luik hebben zich later in 2008 en 2009 wèl aangesloten bij het standpunt van het Grondwettelijk Hof.
 
De partijen die betrokken waren in een zaak die werd behandeld door het Grondwettelijk Hof hebben zich in 2006 uiteindelijk gericht tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (zaak Optim & Industerre vs. België). Het EHRM zal zich in deze zaak, voor zover het verzoek als ontvankelijk wordt beoordeeld, moeten buigen over de toets van de retroactieve werking van artikel 49 van de Programmawet aan het  recht op een eerlijk proces.
 
Alvast het Hof van beroep van Gent heeft het in een tussenarrest van 31 mei 2011 opportuun geacht, op verzoek van de belastingplichtige, het arrest van het EHRM in de zaak Optim & Industerre af te wachten alvorens verder te oordelen in een geschil inzake de stuiting van de verjaring en de retroactieve werking van artikel 49 van de Programmawet. Het arrest van het Europese Hof zou naar verluidt kunnen worden verwacht ten vroegste eind 2012 dan wel in de loop van 2013.
 
Intussen zijn er op 22 september 2011 twee arresten van het Hof van Cassatie tussengekomen inzake de schorsing van de verjaring (Cass. 22 september 2011, nr. F.10.0015.N/1, Douaneagentschap Van Aert bvba en Van Aert-Distri bvba, www.cassonline.be en Cass. 22 september 2011, nr. F.10.0052.N/1, Dossche Mills nv, www.cassonline.be). In de zaak “Douaneagentschap Van Aert” oordeelde Cassatie in essentie dat de verjaring van de invordering geschorst is wanneer een bezwaarschrift tot gevolg heeft dat de betaling van de belastingschuld niet kan worden verkregen. In de zaak “Dossche” oordeelde Cassatie dat indien er geen “onmiddellijk verschuldigd gedeelte” van de belastingschuld is, de ontvanger geen betaling kan vorderen van de betwiste belastingschuld hetgeen opnieuw tot gevolg heeft dat de verjaring wordt geschorst. Het onmiddellijk verschuldigd gedeelte van de belasting is dat gedeelte van de belasting dat niet betwist wordt.
 
In het debat omtrent de verjaring van de belasting verdedigen sommigen, waaronder de fiscale administratie, het standpunt dat er bij een betwiste belastingschuld er hoe dan ook sprake is van de schorsing zodat de discussie omtrent de stuiting niet langer relevant zou zijn. Dat de verjaring zou intreden zou immers volgens die stelling alleen al door de schorsing op zich worden verhinderd. Het hof van beroep van Gent lijkt in haar arrest van 21 mei 2011 evenwel niet meteen van zinnens de schorsing van de verjaring te weerhouden aangezien zij het ondanks het argument van de schorsing, het nuttig achtte het oordeel van het EHRM inzake de stuiting van de verjaring af te wachten. Daarenboven zou naar verluidt de voornoemde partij NV Dossche Mills naar het EHRM zijn getrokken nadat zij op 22 september 2011 door Cassatie in het ongelijk werd gesteld inzake de schorsing van de verjaring. De grieven die in deze laatste zaak voor het EHRM zijn ingeroepen, zijn ons evenwel vooralsnog niet bekend.
 
Er zijn aldus verschillende zaken voor het EHRM hangende inzake de verjaring van de directe belastingen. Er zou ook sprake zijn van een derde zaak die voor dit hof werd gebracht en het valt niet uit te sluiten dat er nog zullen volgen…
 
Hoewel het leek dat een jarenlang debat inzake de stuiting van de verjaring van directe belastingen en inzake een retroactieve wet dienaangaande definitief beslecht was in het nadeel van de belastingplichtige, blijkt dit voorbarig. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zal zich immers in principe nog over deze problematiek dienen uit te spreken. Alvast het hof van beroep van Gent heeft in een tussenarrest beslist deze rechtspraak af te wachten alvorens verder inzake de verjaring te oordelen. Ook de discussie inzake de schorsing van de verjaring lijkt opnieuw te herleven. Het is uitkijken hoe het EHRM zal omgaan met de vergaande effecten van de retroactieve werking van een verjaringswet. Het EHRM is nu aan zet!

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.