Verjaring van belastingen: heropent het europese hof voor de rechten van de mens het debat?

Verjaring van belastingen: heropent het europese hof voor de rechten van de mens het debat?

Op het vlak van de directe belastingen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de aanslagtermijnen en de verjaringstermijnen. De aanslagtermijnen bepalen tot op welk ogenblik de fiscus een aanslag kan vestigen terwijl de verjaringstermijnen bepalen hoelang de gevestigde aanslag kan worden ingevorderd.

In principe verjaren directe belastingen door verloop van 5 jaren vanaf de datum waarop ze dienen betaald te zijn; dit is binnen de twee maanden na het verzenden van het aanslagbiljet. In geval van schorsing van de verjaringstermijn houdt de verjaring op verder te lopen gedurende een bepaalde tijd, namelijk voor de duur van de schorsing. Zo wordt, door een wetswijziging, sinds 10 januari 2004 de verjaring geschorst door het indienen van een bezwaarschrift of door het instellen van een rechtsgeding. Zolang de gewestelijke directeur niet over het bezwaar heeft geoordeeld of zolang het rechtsgeding nog hangende is bij een rechtbank loopt de verjaring niet verder maar blijft de reeds verlopen termijn verworven. Een verjaringstermijn kan ook worden gestuit hetgeen betekent dat de reeds verlopen tijd van de verjaring verloren is, maar er vanaf de stuiting een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen. Zo wordt de verjaring gestuit wanneer de ontvanger zich genoodzaakt ziet een dwangbevel te betekenen in geval de belastingplichtige niet tijdig de aanslag heeft betaald. Daarmee geeft de ontvanger de belastingsplichtige het bevel om te betalen binnen de 24 uren op straffe van het leggen van een beslag.

Inzonderheid omtrent de stuiting van de verjaring is er de voorbije 10 jaar veel te doen geweest. Zo oordeelde het Hof van Cassatie in de periode 2002 tot 2004 in een viertal arresten dat een dwangbevel de verjaring van betwiste belastingschulden niet kan stuiten. Door er vanaf 10 januari 2004 in te voorzien dat het indienen van een bezwaar of het instellen van een rechtsgeding de verjaring schorst, loste de wetgever dit probleem op naar de toekomst toe. Maar de wetgever wenste ook een oplossing voor de dwangbevelen die in het verleden werden betekend voor  betwiste belastingschulden. Zo werd in artikel 49 van de Programmawet van 9 juli 2004 bepaald dat een dwangbevel de verjaring stuit zelfs indien de belastingschuld wordt betwist. Zowel het Grondwettelijk Hof als het Hof van Cassatie hebben geoordeeld dat dit een retroactieve wet betreft die aldus ook van toepassing is op in het verleden voor betwiste belastingschulden betekende dwangbevelen.

Meteen rees de vraag of de retroactieve werking van voornoemd artikel 49 geen schending inhield van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) en van het recht op eigendom (art. 1 lid 1, 1° Prot. EVRM). Het Grondwettelijk Hof beantwoordde deze vraag reeds in 2005 en 2006 negatief. In 2007 oordeelden de rechtbanken van Namen en Luik in andere zin. In een zaak waarin de belastingplichtige onredelijk lang (5 jaar) diende te wachten op een beslissing op het bezwaarschrift dat hij had ingediend tegen een aanslag, oordeelde ook de rechtbank van Brussel in 2007 dat er sprake was van een schending van het recht op een eerlijk proces en van het recht op eigendom. Ondermeer de hoven van beroep van Gent, Antwerpen en Luik hebben zich later in 2008 en 2009 wèl aangesloten bij het standpunt van het Grondwettelijk Hof.

De partijen die betrokken waren in een zaak die werd behandeld door het Grondwettelijk Hof hebben zich in 2006 uiteindelijk gericht tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens waar de zaak nog steeds hangende is (zaak Optim & Industerre vs. België). Het EHRM zal zich in deze zaak ondermeer moeten buigen over de toets van de retroactieve werking van artikel 49 van de Programmawet aan het recht op een eerlijk proces.

Alvast het hof van beroep van Gent heeft het in een recent tussenarrest van 31 mei 2011 opportuun geacht, op verzoek van de belastingplichtige, het arrest van het EHRM in de zaak Optim & Industerre af te wachten alvorens verder te oordelen in een geschil inzake de stuiting van de verjaring en de retroactieve werking van artikel 49 van de Programmawet.

Hoewel het leek dat een jarenlang debat inzake de (stuiting van de) verjaring van directe belastingen en inzake een retroactieve wet dienaangaande definitief beslecht was in het nadeel van de belastingplichtige, bleek dit voorbarig. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zal zich immers in principe nog over deze problematiek dienen uit te spreken in een zaak gevoerd door een belastingplichtige tegen de Belgische Staat. Alvast het hof van beroep van Gent heeft in een recent tussenarrest beslist deze rechtspraak af te wachten alvorens verder inzake de verjaring te oordelen. Het is aldus uitkijken of het EHRM de belastingplichtige bijspringt door de vergaande effecten van de retroactieve werking van een verjaringswet te veroordelen.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.