Verjaring en bewijskrachtige gegevens in btw – cassatie zorgt voor ommezwaai !

Verjaring en bewijskrachtige gegevens in btw – cassatie zorgt voor ommezwaai !

De vordering tot voldoening van de BTW verjaart naar gelang het geval na drie of na zeven jaar. De driejarige verjaringstermijn is de gewone termijn. De zevenjarige termijn is de termijn van toepassing in geval van fraude; voorheen bedroeg deze termijn vijf jaar. De zevenjarige termijn is ook van toepassing in geval ondermeer “bewijskrachtige gegevens waarvan de administratie kennis heeft gekregen, aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en de verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn (zie artikel 81 bis §1, al 3. 3° van het BTW-wetboek).

Onder “bewijskrachtige gegevens” moeten volgens de BTW-administratie ondermeer worden begrepen: “een controle, een onderzoek, een schatting, een scheidsrechterlijke uitspraak, een minnelijke schikking, waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, alsook vaststellingen van de opsporingsdiensten die de bekentenis van de belastingplichtige dragen, resultaten van onderzoekingen verricht door andere administraties en waarmee de belastingplichtige heeft ingestemd, een tot op het ogenblik van de ontdekking onbekend gebleven onderhandse akte of de resultaten van een controle uitgevoerd in een land waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten” (BTW-handleiding 625/5).
 
In de rechtspraak en rechtsleer wordt algemeen aangenomen, naar analogie met de regeling op het vlak van de inkomstenbelastingen, dat de notie “bewijskrachtige gegevens” impliceert dat de gegevens op zich moeten volstaan om de BTW-vordering te ondersteunen. Bijkomend onderzoek met betrekking tot deze gegevens is bijgevolg uitgesloten. Ook het hof van beroep van Bergen oordeelde in die zin in een arrest van 21 januari 2011. Deze zaak die geen betrekking had op fraude, betrof facturen van 1999 en 2000. De administratie beriep zich op bewijskrachtige gegevens die zij in 2003 verkregen had. Het betrof een dossier waaruit onregelmatige BTW-aftrekken bleken en dat werd overgemaakt door de BTW-plichtige zelf, daarover geinterpelleerd naar aanleiding van een controle van een andere vennootschap. De administratie had evenwel nog bijkomende onderzoeksdaden verricht met betrekking tot deze gegevens. Voor het hof van beroep van Bergen toonde dit voldoende aan dat de gegevens niet op zich “bewijskrachtig” waren wat betreft de BTW-overtreding. Het hof oordeelde daarom dat de BTW-administratie zich niet kon beroepen op de verjaringstermijn inzake bewijskrachtige gegevens en vernietigde om die reden het BTW-dwangbevel. Dit arrest ligt volledig in de lijn van de eerdere rechtspraak in dit verband (zie ondermeer Antwerpen 22 maart 2011; Rb. Gent 1 februari 2011 en Rb. Antwerpen 3 april 2009).

De BTW-administratie tekende tegen het arrest van het hof van beroep van Bergen cassatieberoep aan. Het Hof van Cassatie komt op het vlak van het begrip “bewijskrachtige gegevens” met zijn arrest van 27 april 2012 verrassend uit de hoek (Cass. 27 april 2012, www.cass.be). Het oordeelt met name dat artikel 81 bis §1, al 3. 3° van het BTW-wetboek niet uitsluit dat de bewijskrachtige gegevens bijkomend onderzoek vereisen voor het vaststellen van belastbare handelingen of van onrechtmatige aftrekken die de gegevens doen blijken. Het arrest van het hof van beroep van Bergen werd gecasseerd.

Het cassatiearrest is ook op het vlak van de termijn waarbinnen de bewijskrachtige gegevens moeten zijn bekomen door de administratie opmerkelijk. Op dit punt is het wellicht de BTW-administratie die mogelijk met het cassatiearrest verveeld zit. Naar analogie met de inkomstenbelastingen werd immers algemeen aangenomen dat de BTW-administratie in het bezit mag komen van de bewijskrachtige gegevens na het verstrijken van de gewone verjaringstermijn voor zover ze worden bekomen binnen de zeven jaar. Het Hof van Cassatie ziet dit nu volledig anders: artikel 81 bis §1, al 3. 3° van het BTW-wetboek veronderstelt volgens Cassatie dat de bewijskrachtige gegevens ter kennis van de administratie komen binnen de normale verjaringstermijn van 3 jaar (of 5 jaar in geval van de destijds van toepassing zijnde verjaringstermijn in geval van fraude).

In de praktijk lijkt het er voor de BTW-plichtige in het licht van het cassatiearrest van 27 april 2012 op aan te komen inzonderheid 2 zaken te controleren in geval de BTW-administratie meent dat bewijskrachtige gegevens BTW-overtredingen aantonen en zich bijgevolg meent te kunnen beroepen op de verjaringstermijn van zeven jaar. Vooreerst dient geverifieerd of de administratie kennis heeft gekregen van die “gegevens” binnen de normale verjaringstermijn van 3 jaar. Is het antwoord op deze vraag negatief dan kunnen deze gegevens geen aanleiding geven tot de verlenging van de driejarige termijn en is de zevenjarige termijn inzake bewijskrachtige gegevens bijgevolg niet van toepassing. Is het antwoord op deze vraag positief, blijft het zaak na te gaan of de betrokken gegevens wel degelijk “bewijskrachtig” zijn; dat er bijkomende onderzoeksdaden worden gesteld, sluit dit volgens Cassatie alvast niet uit. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.