Verhoogde notionele intrestaftrek voor groepsvennootschappen : ook eerste rechtspraak hoven van beroep positief !

Verhoogde notionele intrestaftrek voor groepsvennootschappen : ook eerste rechtspraak hoven van beroep positief !

De topic is inmiddels genoegzaam bekend en werd in ons magazine reeds een aantal keer aangestipt: de fiscale wetgever voorziet in een aantal gunstmaatregelen voor zogenaamde “kleine vennootschappen”; vraag is dan wanneer men als “kleine vennootschap” in de zin van de fiscale wetsbepalingen kwalificeert, inzonderheid wanneer een vennootschap deel uitmaakt van een vennootschappen-groep.

Wij lichtten eerder onze analyse terzake toe, meer bepaald dat:

  • de desbetreffende fiscale wetteksten (onder andere het verhoogd tarief inzake notionele intrestaftrek (artikel 205 quater § 6 WIB 92) en de gunstigere afschrijvingsregels (artikel 196 § 2 WIB 92)) klaar en duidelijk zijn en tot en met het aanslagjaar 2009 louter en uitdrukkelijk verwijzen naar de eerste paragraaf van artikel 15 W. Venn. ter beoordeling van het begrip kleine vennootschap; deze eerste paragraaf maakt een niet-geconsolideerde beoordeling, terwijl artikel 15 § 5 W. Venn. een geconsolideerde benadering weerhoudt;
  • in dit opzicht de invulling van het begrip “kleine vennootschap” dient te gebeuren op niet-geconsolideerde basis; de criteria vermeld in artikel 15 W. Venn. dienen met andere woorden afgetoetst te worden aan de vennootschap op zich (en niet aan de groep waartoe de betrokken vennootschap behoort);
  •  het aanvullen van een dergelijke duidelijke wettekst – waarbij wordt verwezen naar artikel 15 W. Venn. in zijn geheel om zo een geconsolideerde beoordeling erop na te houden – uit den boze is gelet op het grondwettelijk verankerd legaliteitsbeginsel in fiscalibus (TFI mei 2010, rubriek Onderneming & Fiscaliteit, “Tarief notionele intrestaftrek voor groeps-kmo’s – de wet is duidelijk!”).

Naderhand brachten we onder de aandacht dat de eerste rechtspraak op het niveau van de rechtbanken van eerste aanleg overwegend positief was omtrent dit item. Onder meer de rechtbanken van Luik en Brugge spraken zich reeds in positieve zin uit, terwijl enkel de rechtbank van Hasselt een geconsolideerde beoordeling van het begrip “kleine vennootschap” voorstond (TFI mei 2011, rubriek Geschillen & Fiscaliteit, “Verhoogde notionele intrestaftrek en de kleine vennootschap: eerste rechtspraak verdeeld!” en TFI juni 2011, rubriek Onderneming & Fiscaliteit, “De story inzake het verhoogd tarief voor notionele intrestaftrek voor “kleine vennootschappen”: rechtbank van Brugge schrijft positief vervolgverhaal”).

De rechtbank van Brugge volgde inmiddels bij vonnis van 2 april 2012 voor een tweede maal onze analyse terzake en bevestigde haar eerdere positieve rechtspraak opnieuw in niet mis te verstane en quasi identieke bewoordingen als voorheen.

Intussen hebben ook de eerste Hoven van Beroep zich uitgesproken over de kwestie, en dit op positieve wijze voor de belastingplichtige. Meer in het bijzonder heeft het Hof van Beroep van Antwerpen bij arrest van 24 april 2012 het voormeld negatief vonnis van de rechtbank van Hasselt (van 4 maart 2011) hervormd, stellende dat:

  •  de fiscale wetsbepaling (artikel 196 § 2 WIB 92 inzake afschrijvingen) tot en met het aanslagjaar 2009 enkel verwijst naar artikel 15 § 1 W. Venn., zodat de andere paragrafen van artikel 15 W. Venn. niet van toepassing kunnen worden geacht (hetgeen vanzelfsprekend ook geldt voor artikel 205 quater § 6 WIB 92 inzake het tarief van notionele intrestaftrek);
  • het legaliteitsbeginsel strikt moet worden toegepast, zodat een duidelijke wettekst (zoals in casu het geval) geen interpretatie behoeft; eventuele afwijkende standpunten van de Minister van Financiën of in parlementaire voorbereidingen zijn terzake niet dienstig en kunnen geen afbreuk doen aan de duidelijke tekst van de wet;
  • het feit dat de fiscale wetteksten intussen werden aangepast (waarbij voortaan in de fiscale wetsbepalingen wordt verwezen naar artikel 15 W. Venn. in zijn geheel en niet enkel naar de eerste paragraaf van dat artikel), waarbij de nieuwe wetteksten uitdrukkelijk van toepassing worden verklaard vanaf het aanslagjaar 2010, er op wijst dat de verwijzing naar artikel 15 W. Venn. voor het verleden beperkt blijft tot de eerste paragraaf; het Hof stelt dat er geenszins sprake is van een interpretatieve wet doch wel van een echte wijziging van de wet.

Ook het Hof van Beroep van Luik heeft bij arrest van 9 maart 2012 in gelijkaardige zin geoordeeld.

De eerste rechtspraak op het niveau van de Hoven van Beroep inzake de invulling van het begrip “kleine vennootschap” in functie van diverse fiscale maatregelen is positief voor de belastingplichtige: de hoven van beroep van Antwerpen en van Luik scharen zich achter het standpunt dat de fiscale bepalingen in kwestie duidelijk (en dus niet voor interpretatie vatbaar) zijn en tot en met het aanslagjaar 2009 enkel verwijzen naar artikel 15 § 1 W. Venn., zodat tot en met het aanslagjaar 2009 een beoordeling op niet-geconsolideerde basis aan de orde is. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.