Verhoogde notionele intrestaftrek en de kleine vennootschap: eerste rechtspraak verdeeld!

Verhoogde notionele intrestaftrek en de kleine vennootschap: eerste rechtspraak verdeeld!

16.05.2011
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) & Dries Verhaeghe (advocaat)

Vennootschappen met een “KMO-statuut” (“kleine vennootschappen”) genieten een aantal fiscale voordelen. Bij wijze van voorbeeld: artikel 196 § 2 WIB 92 voorziet in soepelere afschrijvingsregels voor kleine vennootschappen, artikel 205 quater § 6 WIB 92 voorziet in een hoger tarief (basistarief + 0,50 %) voor notionele intrestaftrek, … .

De vraag stelt zich telkenmale of men in een bepaald geval al dan niet te maken heeft met een dergelijke “kleine vennootschap” zoals bedoeld in de betrokken fiscale wetteksten (en men derhalve van de daarin opgenomen gunstmaatregelen kan genieten). De invulling van dit begrip is niet zelden het voorwerp van discussie tussen de belastingplichtige vennootschap en de fiscus, inzonderheid in het geval waarin de betrokken vennootschap deel uitmaakt van een “vennootschappen-groep”. In eerdere edities van deze nieuwsbrief werd hier reeds dieper op ingegaan, onder meer specifiek inzake de beoordeling van het KMO-begrip in functie van het toepasselijk tarief inzake notionele intrestaftrek (zie TFI december 2010, rubriek Onderneming & Fiscaliteit, “Het KMO-statuut in fiscalibus: het consortium als onzichtbare mol” en TFI april 2010, rubriek Onderneming & Fiscaliteit, “Tarief notionele intrestaftrek voor groeps-KMO’s – de wet is duidelijk”).

De discussie blijkt aan de orde onder de “oude” fiscale wetteksten zoals van toepassing tot en met aanslagjaar 2009. In deze fiscale wetteksten werd ter invulling van het begrip “kleine vennootschap” uitdrukkelijk en louter verwezen naar artikel 15 § 1 W. Venn. en niet ook naar artikel 15 § 5 W. Venn..

Artikel 15 § 1 W. Venn. luidt als volgt:

“Kleine vennootschappen zijn deze vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst [en het voorlaatst] afgesloten boekjaar, niet meer dan één der volgende criteria overschrijden:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
  • jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: [7.300.000 euro];
  • balanstotaal: [3.650.000 euro];

tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt.”

Artikel 15 § 5 W. Venn. luidt als volgt:

 

“Als de vennootschap met één of meer andere vennootschappen verbonden is in de zin van artikel 11, worden de criteria inzake omzet en balanstotaal bedoeld in § 1 berekend op geconsolideerde basis. Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.”

De uiteenlopende standpunten in dit verband kunnen samenvattend als volgt worden voorgesteld:

  • standpunt belastingplichtige vennootschap: in de fiscale wet wordt uitdrukkelijk en louter verwezen naar artikel 15 § 1 W. Venn.; deze fiscale wetteksten zijn klaar en duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar; dit impliceert een beoordeling van het KMO-begrip op niet-geconsolideerde basis (anders gesteld: op basis van de fiscale wetteksten moet ter beoordeling van het KMO-begrip worden getoetst of de vennootschap op zich niet één van de in artikel 15 § 1 W. Venn. vermelde criteria overschrijdt onafhankelijk van een beoordeling op geconsolideerde basis);
  • standpunt administratie: op basis van de bedoeling van de wetgever blijkens parlementaire voorbereidingen alsook op basis van een standpunt van de Minister zou voor de beoordeling van het KMO-begrip dienen te worden verwezen naar artikel 15 W. Venn. in zijn geheel, en dit ondanks het feit dat de fiscale wetteksten tot en met het aanslagjaar 2009 uitdrukkelijk en louter verwijzen naar artikel 15 § 1 W. Venn.; dit impliceert een beoordeling van het KMO-statuut op geconsolideerde basis.

Voor de goede orde: onder de huidige wetgeving - van toepassing vanaf het aanslagjaar 2010 – is er geen discussie wat dit betreft. In de fiscale wet (onder meer de voornoemde artikelen 196 § 2 WIB 92 en artikel 205 quater § 6 WIB 92) wordt thans immers uitdrukkelijk verwezen naar artikel 15 W. Venn. in zijn geheel voor de invulling van dit KMO-begrip. Dit betekent dat de beoordeling van het begrip “kleine vennootschap” op geconsolideerde wijze moet gebeuren, met als gevolg dat vennootschappen die op zich “klein” zich toch uit de boot vallen voor bijvoorbeeld soepelere afschrijvingsregels (artikel 196 § 2 WIB 92) of verhoogd tarief van notionele intrestaftrek (artikel 205 quater § 6 WIB 92) indien ze verbonden zijn met andere vennootschappen (en dus behoren tot een vennootschappen-groep).

Het bleef enige tijd wachten tot onze rechtbanken zich omtrent dit item zouden uitspreken. De rechtbank van eerste aanleg van Luik brak alvast een lans in voor de belastingplichtige positieve zin. De zaak die voor de rechtbank voorlag betrof de vraag of een vennootschap, deel uitmakend van een vennootschappen-groep, een kleine vennootschap is in functie van het (al dan niet soepeler) afschrijvingsregime (artikel 196 § 2 WIB 92).

De rechtbank van Luik heeft in haar vonnis van 17 februari 2010 wat dit betreft uitdrukkelijk het volgende vooropgesteld:

  • de betrokken fiscale wettekst (artikel 196 § 2 WIB 92) verwijst uitdrukkelijk en louter naar artikel 15 § 1 W. Venn. ter beoordeling van het begrip “kleine vennootschap”;
  • deze fiscale wettekst is klaar en duidelijk en dus niet voor enige interpretatie vatbaar;
  • een antwoord van de Minister van Financiën is alvast geenszins van die aard dat zij een duidelijke wet kan interpreteren laat staan de wet kan aanvullen;
  • de beoordeling van het KMO-begrip mag derhalve in casu niet gebeuren op geconsolideerde basis;
  • de rechtbank besloot dat de vennootschap in kwestie op basis van een dergelijke niet-geconsolideerde beoordeling een kleine vennootschap betrof in de zin van artikel 196 § 2 WIB 92 en derhalve van de daarin opgenomen soepelere afschrijvingsregels kon gebruik maken.

In de literatuur wordt dit vonnis toegejuicht. Hierbij wordt onderstreept dat de doorgevoerde wetswijziging, houdende de verwijzing in de fiscale wetteksten naar artikel 15 W. Venn. in zijn geheel vanaf aanslagjaar 2010 en dus de geconsolideerde beoordeling van het KMO-begrip, niet met terugwerkende kracht werd doorgevoerd en derhalve per definitie niet terugwerkt voor het verleden.

Eén gewonnen veldslag betekent echter niet dat de oorlog reeds is gewonnen. Recent heeft de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt immers een ander geluid laten horen. Inzonderheid heeft deze rechtbank in een vonnis van 4 maart 2011 het volgende gesteld:

  • de paragrafen van artikel 15 W.Venn. die volgen op artikel 15 § 1 W. Venn. betreffen verdere toelichtingen van de in artikel 15 § 1 W. Venn. genoemde begrippen;
  • bijgevolg zou het onmogelijk (“kunstmatig”) zijn artikel 15 § 1 W. Venn. afzonderlijk te zien van de rest van artikel 15 W. Venn.;
  • de rechtbank baseert zich hiertoe op de vermeende bedoeling van de wetgever (zoals die zou blijken uit de parlementaire voorbereidingen bij de betrokken fiscale wetteksten) en het ingenomen standpunt daaromtrent van de Minister van Financiën;
  • ook onder de oude wetgeving (van toepassing tot en met het aanslagjaar 2009) zou de beoordeling van het KMO-begrip op geconsolideerde wijze moeten gebeuren in toepassing van artikel 15 W. Venn. in zijn geheel.

Dat artikel 15 § 1 W. Venn. niet op zich zou kunnen gelezen worden is alvast niet correct. Of het al dan niet de bedoeling was van de wetgever om naar artikel 15 W. Venn. in zijn geheel te verwijzen, lijkt in deze niet relevant; een duidelijke wettekst aanvaardt geen interpretatie!

Vennootschappen die kwalificeren als een “kleine vennootschap” (KMO-vennootschap) in de zin van de fiscale wet genieten op verschillende vlakken van fiscaal meer gunstige regels (bij voorbeeld soepelere afschrijvingsregels en een verhoogd tarief inzake notionele intrestaftrek). De vraag of een vennootschap die deel uitmaakt van een vennootschappen-groep kwalificeert als een kleine vennootschap blijft tot en met het aanslagjaar 2009 voer tot discussie.

De rechtbank van Luik oordeelt ons inziens terecht dat voor dergelijke vennootschappen de beoordeling dient te gebeuren op niet-geconsolideerde basis. De rechtbank van Hasselt van haar kant is ons inziens ten onrechte van oordeel dat in dat geval de beoordeling op geconsolideerde basis moet gebeuren. De weinige rechtspraak is met andere woorden verdeeld over deze hot topic.

Verhoopt mag worden dat de andere hoven en rechtbanken zich niet (zoals de administratie en de rechtbank van Hasselt) bezondigen aan een ongeoorloofde interpretatie contra legem doch wel het grondwettelijk verankerd fiscaal legaliteitsbeginsel (zoals de rechtbank van Luik) zullen voorstaan en derhalve de fiscale wettekst terzake (die klaar en duidelijk is en dus niet voor interpretatie vatbaar) zullen volgen.

Wordt vervolgd …

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.