Vereffening-verdeling van een nalatenschap & inkorting van schenkingen: successierechten verschuldigd ?

Vereffening-verdeling van een nalatenschap & inkorting van schenkingen: successierechten verschuldigd ?

Een nalatenschap is opgebouwd uit een voorbehouden deel - de zogenaamde reserve - waarover de overledene niet op onaantastbare wijze ten kosteloze titel kan beschikken ten nadele van bepaalde erfgenamen, en uit een beschikbaar deel waarover de overledene naar goeddunken kan beschikken. Een overschrijding van het beschikbaar deel impliceert een aantasting van de reserve. De reservataire erfgenaam kan in dergelijk geval een vordering tot inkorting instellen teneinde haar voorbehouden gedeelte te verkrijgen (art. 920 B.W.).

Een voorbeeld kan een en ander verduidelijken. Indien een vader twee kinderen heeft maar bij leven al zijn vermogen weggeschonken heeft aan zijn vriendin, dan kunnen de twee kinderen hun reserve op het vermogen van hun vader (elk 1/3) opeisen bij de bewuste vriendin en dit via de vordering tot inkorting.

Wanneer de vordering tot inkorting wordt ingesteld, worden eerst de legaten ingekort en vervolgens de schenkingen, in principe te beginnen met de recentste schenking (art. 923 B.W.). Wanneer zich onder de in te korten schenkingen zowel schenkingen bevinden waarover reeds registratierechten (schenkingsrechten) geheven werden, als schenkingen waarop nog geen registratierechten betaald werden, stelt zich de vraag in welke mate de reservataire erfgenaam successierechten moet betalen op de goederen die hij verkrijgt ingevolge zijn vordering tot inkorting van schenkingen.

In de regel wordt de erfelijke overdracht belast volgens de toestand zoals deze bestond op de dag van overlijden (art. 19 W. Succ.). De goederen die door de reservataire erfgenamen (in casu de kinderen) verkregen worden ingevolge een vordering tot inkorting van schenkingen die de overledene heeft toegestaan, maken geen deel meer uit van de belastbare nalatenschap. Die goederen zijn, door het feit van de schenking, definitief en onherroepelijk uit het patrimonium van de overledene verdwenen. De sanctie op het overschrijden van het beschikbaar deel is immers de vermindering van de schenking ten belope van dat gedeelte en niet de nietigheid van de schenking, zelfs niet indien geschonken werd met de uitsluitende bedoeling om de reserve aan te tasten. De schenking en de daarmee gepaard gaande verdwijning uit het vermogen van de schenker blijft op zich bestaan, waardoor de geschonken goederen niet meer kunnen overgaan door erfopvolging op de erfgenamen.

Bijgevolg wordt er geen rekening gehouden met deze schenkingen om het belastbaar aandeel van de erfgenamen te bepalen, ongeacht of deze schenkingen gebeurden bij een geregistreerde akte of niet. In beginsel zijn er dus geen successierechten verschuldigd op de goederen die de reservataire erfgenamen verkrijgen ingevolge een vordering tot inkorting.

Voorbehoud moet echter gemaakt worden indien de schenkingen gedaan werden binnen de verdachte periode van drie jaar die het overlijden van de schenker voorafgaan, zonder dat het registratierecht geheven werd. In dit geval worden ingevolge art. 7 W. Succ. die goederen geacht deel uit te maken van de nalatenschap en maken ze de successierechten wel opeisbaar.

Aangezien de reservataire erfgenamen in bepaalde gevallen successierechten kunnen verschuldigd zijn op verkregen ingekorte schenkingen stelt zich de vraag of ze een dading kunnen sluiten, buiten de successierechten om, met de begunstigden van de schenkingen (in casu de vriendin) die vatbaar zijn voor inkorting, waarbij overeengekomen wordt dat zij afzien van het instellen van de vordering tot inkorting in ruil voor een som geld.

Voor zover de dading translatief is, dit wil zeggen betrekking heeft op goederen die niet het voorwerp van het geschil uitmaken, blijft ze zonder invloed op de heffing van de successiebelasting. Met andere woorden, wordt de dading afgesloten zodanig dat niet de goederen van de nalatenschap erbij betrokken zijn, doch andere goederen, dan worden deze laatste goederen niet onderworpen aan successierechten.

Wanneer we dit toepassen op de hierboven voorgestelde dading, waarbij overeengekomen wordt dat de reservataire erfgenamen in ruil voor een som geld de vordering tot inkorting niet instellen zodat de schenkingen behouden blijven door de begunstigden, dan zullen geen successierechten verschuldigd zijn in zoverre de fondsen waarmee die “afkoopsom” wordt betaald niet afkomstig is van de geschonken goederen zelf.

Het karakter van de sanctie op de overschrijding van het beschikbaar deel van de nalatenschap is van determinerend belang voor het successierechtelijk regime: aangezien de vordering tot inkorting enkel leidt tot de vermindering van de schenking ten belope van het overschreden gedeelte en niet tot de nietigheid van de schenking, maken de goederen die de reservataire erfgenaam verkrijgt ingevolge een vordering tot inkorting geen deel meer uit van de belastbare nalatenschap en zijn hierop in beginsel geen successierechten verschuldigd. Voorbehoud moet echter gemaakt worden indien de schenkingen gedaan werden binnen de verdachte periode van drie jaar die het overlijden van de schenker voorafgaan, zonder dat het schenkingsrecht geheven werd. Het sluiten van een dading kan in voorkomend geval leiden tot een (bijkomende) besparing aan successierechten in hoofde van de reservataire erfgenaam die inkorting vraagt.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.