VEREFFENING VENNOOTSCHAP – WAT MET LOPENDE PROCEDURES ?

VEREFFENING VENNOOTSCHAP – WAT MET LOPENDE PROCEDURES ?

In het licht van het verhoogde tarief van roerende voorheffing op liquidatieboni, dat vanaf 1 oktober 2014 met 150% toeneemt, wint de vereffening opnieuw sterk aan belangstelling. Naast de mogelijkheid van de interne liquidatie, kan men uiteraard ook aan het verhoogde tarief ontsnappen door de vennootschap te ontbinden en vóór die datum (een voorschot op?) de liquidatiebonus uit te keren. Een van vragen die daarbij op de proppen komt, is deze naar het lot van de lopende procedures waarbij de vennootschap in vereffening procespartij is.

Na haar ontbinding blijft de vennootschap voortbestaan voor de doeleinden van haar vereffening. De vennootschap behoudt derhalve haar rechtspersoonlijkheid gedurende de afwikkeling van haar vereffening. Haar statutair doel verwordt dan weliswaar tot een vereffeningsdoel, in het kader waarvan de vennootschap zal worden vertegenwoordigd door de vereffenaars. Voor zover de statuten of de akte van benoeming daarvan niet uitdrukkelijk afwijken, kunnen de vereffenaars overeenkomstig artikel 186 W. Venn. alle rechtsgedingen voeren, hetzij als eiser hetzij als verweerder. Aldus kunnen zij de lopende procedures voortzetten, zonder dat daarvoor een gedinghervatting nodig.

Pas op het ogenblik van de beslissing tot afsluiting van de vereffening door de algemene vergadering verliest de vennootschap haar rechtspersoonlijkheid en verdwijnt zij als afzonderlijk rechtssubject. Zij heeft alsdan geen afgescheiden vermogen meer, noch een maatschappelijke zetel of organen die haar kunnen vertegenwoordigen. Door het verdwijnen van haar rechtspersoonlijkheid verliest de vennootschap eveneens haar procesbekwaamheid. Tezelfdertijd verliezen de vereffenaars dan ook hun mandaat om nog op te treden in naam en voor rekening van de vennootschap. Eens de vereffening werd afgesloten, kan de vennootschap dus geen procedures meer verderzetten waarin zij als eiseres optrad. De toenmalige vennoten kunnen dit evenmin. Dit euvel kan eventueel verholpen worden door een vordering van de vennootschap voor het afsluiten van de vereffening aan een derde over te dragen. Volgens het Hof van Cassatie kan de vereffening weliswaar worden afgesloten nog voor alle schulden zijn aangezuiverd. De vennootschap dient m.a.w. niet te wachten totdat alle geschillen waarin zij betrokken is tot een einde zijn gekomen en zij kan evengoed tijdens een lopende procedure tot de afsluiting van haar vereffening beslissen. De eventuele aansprakelijkheid van de vereffenaar is de evidente pendant van deze regeling.

Het verlies van rechtspersoonlijkheid is evenwel niet absoluut. Artikel 198, § 1 W. Venn. voorziet immers dat een schuldeiser van de vennootschap nog gedurende een termijn van 5 jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de beslissing tot sluiting van de vereffening in het Belgisch Staatsblad, een vordering kan instellen tegen de vereffenaar als zodanig, i.e. als orgaan van de vennootschap. Uit dit artikel besloot het Hof van Cassatie dat de vennootschap na de sluiting van de vereffening nog een ‘passieve’ rechtspersoonlijkheid behoudt, dewelke louter is ingegeven vanuit de schuldeiserbescherming. Deze passieve rechtspersoonlijkheid strekt zich niet alleen uit tot nieuwe vorderingen die eerst na de sluiting van de vereffening tegen de vennootschap worden ingesteld, maar ook tot de lopende vorderingen waar de vennootschap als verweerster optrad. Het Hof van Cassatie oordeelt dat de sluiting van de vereffening niet impliceert dat hangende gedingen niet meer kunnen worden verder gezet tegen de vennootschap in de persoon van haar vereffenaar. Eenmaal voormelde vijfjarige termijn verstreken is, houdt de vennootschap helemaal op te bestaan, behalve voor wat betreft de rechtsvorderingen die reeds voordien werden ingesteld.

Het praktisch belang van voornoemde regeling moet in die zin genuanceerd worden dat het ganse vermogen van de vennootschap ingevolge de vereffening reeds vereffend en verdeeld is, en een schuldeiser dan ook niet meer de mogelijkheid heeft om eventueel positief vonnis tegen de vereffende vennootschap of haar toenmalige vennoten uit te voeren. Indien een schuldeiser alsnog de betaling van zijn schuldvordering wenst te verkrijgen, dient hij dus tevens de nietigheid, minstens de niet-tegenwerpelijkheid van de beslissing tot sluiting van de vereffening te vorderen. Zo kan die beslissing nietig worden verklaard indien ze werd genomen met bedrieglijke benadeling van de schuldeisers, wat het bewijs veronderstelt dat de aandeelhouders tot sluiting van de vereffening hebben beslist, terwijl zij kennis hadden van de schuldvordering en nagelaten hebben de nodige gelden te kantonneren. Daarnaast kan de schuldeiser zich ook richten tegen de vereffenaars met een aansprakelijkheidsvordering, indien zij willens en wetens de afsluiting voorstellen terwijl er nog openstaande schulden bestaan.

Met betrekking tot de procesbekwaamheid van de vereffende vennootschap in het kader van de passieve rechtspersoonlijkheid, aanvaarden rechtspraak en rechtsleer dat de vereffenaar, net als de schuldeisers, eventueel zelf rechtsmiddelen kan instellen in procedures die tegen de vennootschap werden opgestart na de sluiting van de vereffening. Materieelrechtelijk blijft de vennootschap zich alsdan immers verweren tegen de aanspraken van derden ingesteld tegen de vereffenaar.

Over de vraag of de vereffenaar nog een rechtsmiddel kan instellen of verder zetten in een op het ogenblik van de afsluiting nog lopende procedure, zijn de meningen verdeeld. Een deel van de rechtsleer en rechtspraak aanvaardt dit onverkort en beschouwt dit als een onderdeel van het verweer dat de vereffenaar kan voortzetten na de afsluiting. De meerderheidsstrekking in de rechtsleer ontzegt de vereffenaar evenwel de mogelijkheid om na de vereffening nog een nieuw rechtsmiddel in te stellen tegen een veroordeling in het kader van reeds lopend geding. Bepaalde rechtsleer gaat nog verder en neemt zelfs aan dat de vereffenaar in die hypothese een voor de afsluiting ingesteld rechtsmiddel zelfs niet langer kan voortzetten. Deze auteurs overwegen immers dat de vennootschap er zelf voor opteert haar rechtspositie te wijzigen, en dat het alsnog voortzetten van een rechtsmiddel alsdan niet te rijmen valt met de schuldeiserbescherming, de basisgedachte achter de passieve rechtspersoonlijkheid. Aldus doet de meest voorzichtige vereffenaar er alvast goed aan de definitieve beslechting van de hangende geschillen af te wachten, alvorens de afsluiting van de vereffening voor te stellen.

Zoals uit het voorgaande reeds duidelijk is geworden, laat de theorie van de passieve rechtspersoonlijkheid enkel toe zich te verweren. De lopende procedures die de vennootschap zelf had ingesteld als eiser, kunnen derhalve niet worden voortgezet. Eventueel kan de vennootschap op voorhand haar vordering aan een derde overdragen. Door de afsluiting wordt de vennootschap geacht afstand te hebben gedaan van haar rechten. Zelfs al mocht de vennootschap nog een gunstig vonnis bekomen, kan de vereffenaar dit niet ten uitvoer leggen. Vanzelfsprekend is dan ook het opstarten van nieuwe procedures niet meer mogelijk. Evenmin kan de vennootschap nog het rechtsmiddel verder uitputten dat zij voor de sluiting van de vereffening had aangewend tegen een vonnis dat haar vordering als eiseres had afgewezen. Na de sluiting van de vereffening kan zij evenmin nog een rechtsmiddel instellen tegen dergelijk vonnis.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.