Uitstel van betaling versus geldlening: de feitenrechter oordeelt soeverein volgens cassatie

Uitstel van betaling versus geldlening: de feitenrechter oordeelt soeverein volgens cassatie

Interesten van “voorschotten” die een bedrijfsleider aan zijn vennootschap toestaat, kunnen geherkwalificeerd worden in dividenden (art. 18 lid 1, 4° WIB 92). Echter alleen als er sprake is van een geldlening is een herkwalificatie mogelijk; een voorschot is immers wettelijk gedefinieerd als “elke al dan niet door effecten vertegenwoordigde geldlening”. Het komt er dus telkens op aan te weten of er sprake is van een geldlening. De belastingwet zelf bevat geen definitie van een geldlening. Conform het gemeen recht dat dan van toepassing is, impliceert een geldlening dat er een overhandiging van geld is geweest.

Een herkwalificatie van interesten in dividenden heeft voor de belastingplichtige nadelige fiscale gevolgen. Een herkwalificatie impliceert immers dat er door de vennootschap 25 % in plaats van 15 % roerende voorheffing is verschuldigd. Voorts zijn die geherkwalificeerde interesten niet langer fiscaal aftrekbaar en ze maken bijgevolg deel uit van het fiscaal resultaat. Als daardoor het fiscaal dividend meer bedraagt dan 13 % van het fiscaal gestort kapitaal, brengt dat bovendien een uitsluiting van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting met zich mee, met een hogere vennootschapsbelasting als gevolg. 

Het klassieke feitenrelaas is als volgt. Een vrij beroeper verkoopt zijn praktijk aan een door hem pas opgerichte vennootschap. Voor de betaling van de overnameprijs wordt een betalingsregeling overeengekomen. De schuldig gebleven koopsom wordt in de boekhouding ingeschreven in een rekening-courant waarop interesten worden toegekend. Op de uitbetaalde interest houdt de vennootschap 15 % roerende voorheffing in en zij doet daarvan aangifte.

In de eerste twee arresten van het Hof van Cassatie met betrekking tot het begrip geldlening in de zin van art. 18 WIB 92 oordeelde het Hof dat de geldlening de vorm “kan” aannemen van een inschrijving op rekening courant (Cass. 16 november 2006) maar dat zo’n inschrijving “niet noodzakelijk” een geldlening impliceert (Cass. 4 september 2009). In een derde arrest bevestigde Cassatie het voorgaande maar het Hof voegde daar deze keer nog het volgende aan toe: “Een aan de koper van een goed gegeven uitstel van de volledige betaling van de koopprijs is in de regel geen lening gegeven door de verkoper aan de koper.” Uit dit cassatiearrest lijkt tevens te kunnen worden afgeleid dat deze regel doorgaans niet geldt wanneer de administratie zou slagen in de (zware) bewijslast van simulatie (Cass. 20 mei 2010).

De algemene regel lijkt aldus te zijn dat een uitstel van de koopprijs niet kwalificeert als een geldlening. Uit een aantal recentere cassatiearresten kan evenwel worden afgeleid in welke gevallen er bij een uitstel van de betaling van de koopsom wèl kan worden besloten tot het bestaan van een geldlening. Alles hangt daarbij af van de concrete feiten die soeverein door de feitenrechters worden beoordeeld.

In een vierde cassatiearrest met betrekking tot het begrip geldlening in de zin van artikel 18 WIB 92 oordeelde Cassatie dat de overhandiging van de gelden kan gebeuren door een schuldvernieuwing (Cass. 15 oktober 2010). Er is sprake van schuldvernieuwing wanneer een schuldenaar tegenover zijn schuldeiser een nieuwe schuld aangaat welke gesteld wordt in de plaats van de oude die teniet gaat. In casu oordeelde de feitenrechter dat een leningschuld een schuld uit een verkoop had teniet gedaan en had vervangen. Specifiek aan de onderliggende feiten was evenwel dat de partijen naast de inschrijving op de rekening-courant van de koopsom naar aanleiding van een verkoop van aandelen geen termijn hadden overeengekomen waarbinnen de koopprijs diende te worden terugbetaald.

In een nog recenter cassatiearrest met betrekking tot een quasi-inbreng van cliënteel oordeelde cassatie uitdrukkelijk dat de bewijslast inzake het bestaan van een geldlening rust op de schouders van de fiscus (Cass. 2 december 2010). De feitenrechter stelde in deze zaak in essentie vast dat de zaakvoerder ermee instemde dat de overdrachtsprijs kon worden afgelost in functie van de financiële mogelijkheden van de vennootschap terwijl het van meet af aan duidelijk was dat de vennootschap niet voldoende financiële middelen zal kunnen genereren om de koopprijs binnen een redelijke termijn af te lossen. In casu was er de vaststelling dat de overnameprijs na 8 jaar nog niet was afgelost. Ondermeer op die grond besloten de feitenrechters tot het bestaan van een geldlening, hetgeen door Cassatie werd bevestigd.

Een (voorlopig) laatste cassatiearrest met betrekking tot de problematiek had betrekking op een gemengde inbreng van materiële en immateriële vaste activa (bij een gemengde inbreng wordt slechts een gedeelte van de inbreng vergoed in aandelen) (Cass. 11 maart 2011). Specifiek aan deze casus lijkt te zijn dat in de oprichtingsakte werd bepaald dat het gedeelte van de inbreng die anders dan in aandelen werd vergoed, meer bepaald zal worden vergoed door de boeking op de rekening-courant van de inbrenger “waarvan de terugbetaling door de zaakvoerder zal vastgesteld worden”. Ook hier was er met andere woorden geen sprake van een welbepaalde terugbetalingsregeling. De feitenrechters besloten tot het bestaan van een geldlening hetgeen opnieuw door Cassatie werd bevestigd.

De vraag of er al dan niet sprake is van een geldlening betreft een feitenkwestie die soeverein door de feitenrechters wordt beoordeeld. Uit de thans bekende cassatierechtspraak kunnen evenwel enkele praktische richtlijnen worden gedestilleerd. Wanneer de administratie zich wenst te beroepen op de toepassing van artikel 18 WIB 92, draagt zij de bewijslast van het feit dat de onderliggende overeenkomst van de geboekte schuld wel degelijk een geldlening uitmaakt. Een geldlening kan de vorm aannemen van een inschrijving op rekening-courant doch dit is niet noodzakelijk zo. De algemene regel is dat een uitstel van de volledige betaling van de koopprijs geen lening vormt vanwege de verkoper aan de koper. Dit is anders in geval van simulatie of in geval van een schuldvernieuwing. Het lijkt ook zaak de terugbetalingsmodaliteiten van de koopprijs van meet af aan voldoende nauwkeurig vast te leggen; zij moeten gezien de concrete feitelijke context ook binnen een redelijke termijn kunnen worden nageleefd. De feitenrechters kunnen immers altijd aan een overeenkomst de juiste kwalificatie geven…

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.