Turboliquidatie en fiscale latente schulden – een geslaagd huwelijk ?

Turboliquidatie en fiscale latente schulden – een geslaagd huwelijk ?

 

In de vorige editie van onze nieuwsbrief (zie eerdere publicatie TFI rubriek Vennootschappen, 15 februari 2013, B. STRAGIER en P. DECRUYNAERE, “De turboliquidatie … alweer aan reparatie toe?”) gingen we reeds dieper in op de figuur van de turboliquidatie ofwel het ontbinden en vereffenen van de vennootschap in één akte.

Opdat een turboliquidatie mogelijk is, dienen de volgende cumulatieve voorwaarden te zijn vervuld (art. 184, §5 W.Venn.):
 

  • er mag geen vereffenaar worden aangeduid;
  • er zijn geen passiva volgens de staat van activa en passiva als bedoeld in artikel 181 Wetboek Vennootschappen; - alle aandeelhouders of vennoten dienen op de algemene vergadering aanwezig of geldig vertegenwoordigd te zijn en besluiten daarenboven met eenparigheid van stemmen;
  • de terugname van het resterende actief dient door de vennoten zelf te gebeuren.
In de praktijk bleek er onduidelijkheid te bestaan over de invulling van het begrip “passiva” volgens de staat van activa en passiva. Uiteindelijk bevestigde de minister van Justitie naar aanleiding van een parlementaire vraag op 12 december 2012 dat het begrip “passiva” doelt op schulden ten aanzien van derden en bv. niet de schulden aan vennoten, het kapitaal of de reserves. Daarnaast wordt ook verduidelijkt dat de kosten of provisies verbonden aan de vereffening buiten beschouwing moeten gelaten worden.

Ondanks het antwoord van de minister rijst de vraag of de latente meerwaardebelasting op onroerend goederen de turboliquidatie verhindert.

Bij het beantwoorden van deze vraag is het van belang om te vertrekken vanuit de boekhoudkundige regels die gelden voor vennootschappen in ontbinding en vereffening, daar er voor de turboliquidatie geen schulden mogen blijken uit de staat van activa en passiva.

Indien de vennootschap besluit haar activiteiten te beëindigen dient een staat van activa en passiva te worden opgesteld conform de waarderingsregels vastgesteld in het Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen. Inzonderheid bepaalt artikel 28, § 2 KB W.Venn. dat de vennootschap die besluit haar bedrijf stop te zetten de waarderingsregels dienovereenkomstig moet toepassen en in het bijzonder het volgende geldt: 
 

  • de oprichtingskosten moeten volledig worden afgeschreven; 
  • voor de vaste en de vlottende activa moet zo nodig tot aanvullende afschrijvingen of waardeverminderingen worden overgegaan om de boekwaarde terug te brengen tot de vermoedelijke realisatiewaarde; 
  • een voorziening moet worden gevormd voor de kosten die verbonden zijn aan de beëindiging van de werkzaamheden, inzonderheid voor de aan het personeel uit te keren vergoedingen.
De bijzondere waarderingsregels voor de vennootschap die besluit haar bedrijf stop te zetten staat niet toe dat een meerwaarde tot uiting wordt gebracht, maar de vennootschap in vereffening heeft overeenkomstig artikel 57 KB W.Venn. wel de mogelijkheid om materiële vaste activa te herwaarderen wanneer de waarde van deze activa bepaald in functie van hun nut voor de vennootschap op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. Aangezien er in het kader van een vereffening geen sprake meer is van “de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap” wordt de rentabiliteitsvoorwaarde irrelevant. Het “nut” van de activa voor een vennootschap in vereffening is enkel nog het genereren van liquiditeiten teneinde de vereffening af te ronden. Bijgevolg heeft de vennootschap niet de verplichting, doch wel de mogelijkheid om materiële vaste activa te herwaarderen.

In het advies van het informatiecentrum voor het bedrijfsrevisoraat van 15 juli 2012 wordt gesteld dat de vennootschap die ervoor opteert om de materiële vaste activa te herwaarderen een herwaarderingsmeerwaarde boekt in rubriek III van het passief. Bovendien raadt ze aan om bij het bepalen van het bedrag van de niet-gerealiseerde meerwaarde impliciet rekening te houden met de belastingen die ten laste van de vennootschap zullen vallen op het moment dat het onroerend goed effectief wordt verkocht. Anders gezegd stelt men voor om een latente meerwaarde te boeken, verminderd met de geschatte belastingdruk die effectief tot uiting zal komen op het moment van de verkoop. Hierbij zal men rekening houden met alle beschikbare elementen, onder meer met de eventuele beschikbaarheid van fiscaal overgedragen verliezen.

Aangezien de geschatte belasting over de meerwaarde bij de realisatie van de geherwaardeerde activa niet wordt geboekt als schuld in de staat van actief en passief betekent dit formeel gezien dat er geen latente belastingschuld zal blijken uit de staat van activa en passiva. Inhoudelijk echter is er in deze staat wel degelijk rekening gehouden met de latente meerwaardebelasting. Aldus lijkt formeel gezien een ontbinding en vereffening in één akte tot de mogelijkheden te behoren… Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.