Tijdschrift voor Fiscaal Recht : De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechtbank bij een betwisting over een vraag tot inlichtingen met de fiscus als eiser

Tijdschrift voor Fiscaal Recht : De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechtbank bij een betwisting over een vraag tot inlichtingen met de fiscus als eiser

Meestal zijn de regels inzake de territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter in de praktijk eenvoudig toepasbaar. De klassieke geschillen over de verschuldigdheid van een belasting moeten immers worden geacht verband te houden met de inning van een belasting. Daarvoor geldt de hoofdregel dat de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de plaats waar de belasting is of moet worden geïnd. Het interessante aan de voorliggende casus is dat volgens de rechtbank we te maken hebben met het uitzonderingsgeval volgens hetwelk de rechtbank bevoegd is in wiens rechtsgebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen.

I. De feiten

De feiten die tot het tussenvonnis aanleiding hebben gegeven, betreffen een betwisting tussen de Bijzondere Belastinginspectie Antwerpen als eisende partij en de firma A met zetel te Brussel als verwerende partij.

De fiscale administratie zendt op 19 januari 2017, met verwijzing naar artikel 323 WIB 92, een vraag om inlichtingen waarbij de transactiegegevens worden gevraagd van buitenlandse bankkaarten die in 2015 en 2016 werden gebruikt in België en die werden verwerkt via het systeem van de voornoemde firma. De betrokken firma weigert de gevraagde gegevens over te maken. De weigering tot mededeling van de gevraagde gegevens werd gemotiveerd door onder meer te verwijzen naar de reglementering rond gegevensbescherming en persoonsgegevens.

De fiscale administratie liet het daar niet bij en maakte de zaak, door middel van een dagvaarding, aanhangig bij de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. De fiscale administratie vordert dat de rechtbank zou bevelen dat de gegevens zoals gevraagd in de vraag om inlichtingen van 19 januari 2017 alsnog dienen te worden meegedeeld door de firma A op grond van artikel 323 WIB 92.

Voor de rechtbank werpt de firma A een exceptie van onbevoegdheid op: zij vordert de zaak te verwijzen naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij betwist bovendien de wettigheid van de vraag om inlichtingen onder verwijzing naar de voornoemde reglementering omtrent de bescherming van gegevens.

II. Het tussenvonnis

De rechtbank stelt in haar vonnis vast, onder de enige titel “Betreffende de territoriale bevoegdheid”, dat geen van de partijen betwist dat de vraag om inlichtingen van de fiscale administratie kwalificeert als een beschikking zoals bedoeld in artikel 632 Ger. Wb. maar dat de verwerende partij aanvoert dat het niet de “bestreden beschikking” is zoals vermeld in voornoemd artikel.

De rechtbank oordeelt dat het geschil betrekking heeft op een bij toepassing van een belastingwet genomen beschikking waarvan de wettigheid wordt betwist zodat deze beschikking dient te worden beschouwd als de bestreden beschikking in de zin van artikel 632 Ger. Wb. De omstandigheid dat de vordering werd ingesteld door de belastingadministratie doet volgens de rechtbank hieraan geen afbreuk.

De rechtbank oordeelt verder dat de vordering van de belastingadministratie waarvan de beoordeling een toetsing inhoudt van de wettigheid van een beschikking, namelijk de vraag om inlichtingen, daar waar de wettigheid van de beschikking door de verweerster wordt betwist, een geschil vormt over de toepassing van een belastingwet, dat geen verband houdt met de inning van een belasting. Volgens de rechtbank is dan overeenkomstig artikel 632 Ger. Wb. de rechtbank bevoegd in wiens rechtsgebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Aangezien de beschikking door een in Antwerpen gevestigde dienst werd getroffen, acht de rechtbank van Antwerpen zich territoriaal bevoegd. De zaak wordt met oog op verdere behandeling in voortzetting gezet.

De rechtbank stelt daarbij uitdrukkelijk zich nog niet uit te spreken over de ontvankelijkheid of toelaatbaarheid van de vordering van de fiscale administratie.

III. Analyse

1. Algemeen

Het enige dat in het voorliggend geschil middels het tussenvonnis werd beslist, is dat de fiscale rechter zich (territoriaal) bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het geschil. Voorliggende analyse beperkt zich evenzeer tot deze kwestie.

Overeenkomstig artikel 10 Ger. Wb. is de territoriale bevoegdheid de rechtsmacht die aan de rechter toebehoort in een rechtsgebied naar de regels die de wet stelt. Deze bepaling impliceert dat een rechtscollege slechts binnen bepaalde geografische gebieden bevoegd is en dat partijen hun zaak aan het ratione loci bevoegde gerecht moeten voorleggen.[1] Algemeen wordt aanvaard dat de bevoegdheid van de rechter op het ogenblik van de vordering moet worden beoordeeld, ook op het vlak van de bevoegdheid  ratione loci.[2]

Inzake de territoriale bevoegdheid geldt in principe de keuzevrijheid van de eiser. Behoudens de gevallen waarin de wet uitdrukkelijk bepaalt welke rechter bevoegd is om kennis te nemen van de eis en de contractuele afwijkingen (bevoegdheidsovereenkomsten), kan de eisende partij haar keuze bepalen aan de hand van de mogelijkheden die artikel 624 Ger. Wb. haar biedt (de rechter van de woonplaats van de verweerder, de rechter van de plaats waar de betrokken verbintenis is ontstaan of is uitgevoerd of moest worden uitgevoerd, de rechter van de woonplaats gekozen voor de uitvoering van de akte of nog de rechter van de plaats waar de gerechtsdeurwaarder heeft gesproken tot de verweerder in persoon bij gebreke aan woonplaats).[3] Deze algemene regel is van aanvullend recht[4] zodat partijen er kunnen van afwijken.

Voor fiscale geschillen gelden bijzondere regels inzake de territoriale bevoegdheid.

1[Ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet staat ingevolge artikel 632 lid 1 Ger. Wb.[5] ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd (het eerste criterium). Indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, is de rechter bevoegd die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen (het tweede criterium). Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.

Conform artikel 632 lid 2 Ger. Wb. kan de Koning andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van beroep aanwijzen die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is. ]1De Koning heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Het komt er in essentie op neer dat ieder gerechtelijk arrondissement een fiscale kamer bij de rechtbank van eerste aanleg heeft voor al haar afdelingen, zodat er niet slechts één fiscale kamer is voor het ganse rechtsgebied van een hof van beroep.[6] Zo zijn er voor het rechtsgebied van het hof van beroep van Gent bij voorbeeld de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg Gent, afdeling Gent en de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg Brugge, afdeling Brugge.

De territoriale bevoegdheidsregels van artikel 632 Ger.Wb. zijn van openbare orde.[7] Partijen kunnen niet overeenkomen dat zij hun geschil bij een andere rechtbank aanhangig zouden maken en de rechter moet zijn onbevoegdheid desgevallend ambtshalve opwerpen. De exceptie van onbevoegdheid kan op elk ogenblik in de procedure worden opgeworpen. De rechter of de arrondissementsrechtbank verwijzen desgevallend de zaak naar de territoriaal bevoegde rechtbank.[8]

De bevoegdheid moet worden bepaald op het ogenblik van het instellen van de voorziening. Het feit dat in de loop van de procedure een ander ontvangkantoor bevoegd wordt, of dat op het aanslagbiljet een ander ontvangkantoor vermeld staat, verandert daar niets aan.[9]

2. Een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet

De eerste vraag, die in het licht van artikel 632Ger. Wb., in concreto rijst, is of we te maken hebben met ”een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet”. Deze vraag is verweven met de vraag naar de materiële bevoegdheid van de fiscale rechter. Artikel 569 lid 1, 32° van het gerechtelijk wetboek, dat weliswaar uitsluitend een materiële en geen territoriale betekenis heeft[10], bepaalt in dit verband immers dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt van “geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet”.

De notie “geschillen” moet ruim worden begrepen. Een geschil bestaat  wanneer twee of meer partijen niet met elkaar in overeenstemming zijnde aanspraken maken of standpunten verdedigen. Het moet gaan om individuele geschillen, de toetsing van de norm in abstracto wordt overgelaten aan het Grondwettelijk Hof en de Raad van State.[11]

Het is de bedoeling geweest van de wetgever dat de Raad van State alleen nog maar bevoegd is voor ‘normatieve fiscale rechtshandelingen’ en dat al de andere geschillen onder de bevoegdheidsfeer van de rechterlijke macht worden gebracht.[12]  Het “geschil” kan zich uiten doordat de administratie een uitvoerbare titel lastens een belastingplichtige tot stand heeft gebracht (middels een dwangbevel of een kohier), en de belastingplichtige zich verzet tegen de uitvoering ervan. Dit is de meest klassieke fiscale betwisting. Maar een “geschil” bestaat ook wanneer een administratieve beslissing genomen is of rechtshandeling gesteld is, waardoor een belastingplichtige gegriefd is. Bij voorbeeld de beslissing tot het niet-toestaan van betalingstermijnen, geschillen omtrent een onbetwistbaar verschuldigd gedeelte van een belasting, betwistingen over nalatigheidsinteresten enzovoort.[13] Of nog wanneer twee partijen een meningsverschil hebben omtrent een wetsinterpretatie of – toepassing, bij voorbeeld in het geval van de facturatie van verbouwingswerken waarbij de btw-plichtige en zijn klant een geschil hebben omtrent het toepasselijk btw-tarief. [14] De vordering in rechte moet aldus niet noodzakelijk een verzet tegen een dwangbevel of een betwisting van een gevestigde aanslag inhouden. Ieder geschil dat betrekking heeft op de toepassing van een belastingwet valt onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. Zodra een vordering gesteund is op artikelen uit de fiscale wetboeken of uit de bijzondere fiscale wetten, zal de fiscale kamer bij de rechtbank van eerste aanleg in beginsel bevoegd zijn.[15]

De minister van Financiën benadrukte in de voorbereidende werken herhaaldelijk de ruime draagwijdte van de notie ”een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet”. Volgens de wil van de wetgever moet het begrip belastingwet in zijn materiële betekenis worden begrepen. Daaronder valt elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet of een ordonnantie of een verordening.[16] Het begrip belastingwet dient ook inhoudelijk ruim te worden opgevat. Onder de belastingen vallen inkomstenbelastingen, B.T.W., successierechten, registratierechten, douane en accijnzen, kijk- en luistergeld, provincie- en gemeentebelastingen, zegelrechten, etc.[17] De minister verklaarde dat de notie “geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet” doelt op de belastingwetging in haar geheel, met inbegrip van boetes, administratieve sancties, beslissingen na willig beroep, enz.[18]

In casu meent de fiscale administratie op grond van artikel 323 WIB 92 van de rechtbank te kunnen vorderen om de betrokken firma te bevelen bepaalde transactiegegevens met betrekking tot bankkaarten over te maken. De firma weigert dit ondermeer omdat de vraag van de fiscale administratie onwettig zou zijn.

Artikel 323 WIB 92 bepaalt dat de administratie eveneens van natuurlijke of rechtspersonen alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens wettige redenen kan worden verlengd, voor alle of een deel van hun verrichtingen of activiteiten de overlegging mag vorderen van inlichtingen slaande op elke persoon of groep van personen, zelfs niet met name aangeduid, met wie zij rechtstreeks of onrechtstreeks in betrekking zijn geweest uit hoofde van die verrichtingen of activiteiten.

Artikel 323 bevindt zich onder afdeling 2 “plichten van derden” van hoofdstuk III “onderzoek en controle” onder de titel VII “vestiging en invordering van de belastingen” van het wetboek van de inkomstenbelastingen.

In het licht van wat voorafgaat kan er dan ook weinig twijfel over bestaan dat het hier een geschil met betrekking tot de toepassing van een belastingwet betreft. Het betreft immers duidelijk een vordering gesteund op een (procedure)artikel uit een fiscaal wetboek. Dat het een geschil over een belastingwet betreft, werd ook alzo beoordeeld door de rechter in het tussenvonnis zonder dat daaromtrent betwisting tussen partijen lijkt te hebben bestaan.

 3. Een geschil in verband met de inning van belasting?

Eens is vastgesteld dat een betwisting een geschil betreft omtrent de toepassing van de belastingwet, dient vervolgens te worden nagegaan of het geschil al dan niet verband houdt met de inning van de belasting.

Zoals gezegd, moeten de klassieke geschillen over de verschuldigdheid van een belasting, worden geacht verband te houden met de inning van een belasting (het eerste criterium), zodat de hoofdregel daarvoor geldt dat de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de plaats waar de belasting is of moet worden geïnd.[19]

De gevallen waarin de plaats van vestiging van de belastingdienst die een beslissing heeft getroffen bepalend is voor de territoriale bevoegdheid (het tweede criterium) moet volgens de voorbereidende werken zeer strikt wordt uitgelegd. Volgens de minister van Financiën zijn hier de geschillen bedoeld over bijvoorbeeld vergunningen die moeten worden verleend door een belastingadministratie, zoals de vergunning voor een douane-entrepot.[20] Een ander voorbeeld vormen de beschikkingen betreffende de vaststelling van een kadastraal inkomen.[21]

Evenzeer in de rechtsleer is men het er over eens dat het tweede criterium, als uitzondering op de hoofdegel, zeer strikt moet worden geïnterpreteerd.[22] Het betreft volgens J. Vanden Branden en J. Roseleth enkel de gevallen waarbij het geschil helemaal geen verband houdt met de inning van een belasting.[23] Volgens T. Afschrift en M. Igalson bedoelt de wetgever met de bewoordingen “geen enkele band hebbend met de inning van belastingen” de geschillen die zich kunnen voordoen gedurende een taxatieprocedure alvorens de inkohiering een feit is.[24]

Uit het tussenvonnis blijkt, dat de betrokken firma als verweerster een exceptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen waarbij zij vorderde om de zaak te verwijzen naar de rechtbank te Brussel. Daaruit lijkt te kunnen worden afgeleid dat verweerster het standpunt heeft verdedigd (al dan niet in hoofdorde) dat het in casu een geschil betreft omtrent de inning van belasting (anders kan de rechtbank van Brussel in casu nooit territoriaal bevoegd zijn). Dit laatste kan evenwel niet met zekerheid uit het vonnis worden afgeleid.

Er kan ons inziens moeilijk worden aangenomen dat het in casu een geschil zou betreffen aangaande de verschuldigdheid of de inning van belastingen, zelfs in de wetenschap dat de gevallen  waarin de plaats van vestiging van de belastingdienst die een beslissing heeft getroffen bepalend is voor de territoriale bevoegdheid, zeer strikt moet worden uitgelegd.

De fiscale administratie meent immers op grond van artikel 323 WIB 92 van de rechtbank te kunnen vorderen de betrokken firma te bevelen bepaalde transactiegegevens met betrekking tot bankkaarten over te maken terwijl de firma betwist dat de vraag van de fiscale administratie wettig is. De betrokken partijen hebben aldus weliswaar een geschil over de toepassing van een belastingwet, doch zonder dat zij een betwisting hebben over de verschuldigdheid of de inning zelf van de belasting.

Er is in hoofde van de betrokken firma geen sprake van een te innen of een ingekohierde belasting. Het betreft in tegendeel een geschil omtrent een fiscale onderzoeks en – of controlemaatregel aangaande het opvragen van buitenlandse (bank)kaarten gebruikt in België, verwerkt via het systeem van firma A. Aangenomen mag worden dat de fiscus met haar onderzoeksmaatregel gegevens wenst te bekomen over de klanten van de firma A met het oog op een eventuele taxatie in hoofde van deze klanten.

Het tussenvonnis kan aldus worden bijgetreden daar wordt beslist dat dit een geschil vormt dat geen verband houdt met de inning van een belasting.

Voor een m.i. vergelijkbaar precedent kan worden verwezen naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 4 juli 2001.[25]

In dit dossier stuurde de BBI Antwerpen aan  notaris E.T. een vraag om inlichtingen op grond van de artikelen 322 en 326 WIB 92. De vraag aan de notaris bestond erin aan de fiscale administratie een overzicht te bezorgen van alle vennootschapsakten die door zijn tussenkomst werden verleden sinds begin 1996 en waarin de heren B.O. en R.B. werden genoemd. De fiscus vroeg de notaris in zijn overzicht  de namen van de betrokken vennootschappen, het btw-nummer en hun inschrijvingsnummer in het handelsregister te vermelden. In zijn antwoord bezorgde de notaris een lijst van de vennootschappen waarin de heren B.O. en R.B. werden genoemd. Eén van deze vennootschappen was de vennootschap NV AL met zetel te Brussel. Aan deze vennootschap verstuurde de BBI Antwerpen vervolgens een kennisgeving van ambtshalve taxatie (op het moment van het vonnis was er nog geen ambtshalve taxatie gevestigd).

Volgens NV AL schond de notaris zijn beroepsgeheim toen hij de voornoemde gegevens bezorgde aan de fiscale administratie. De vennootschap maakte de zaak aanhangig bij de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (te weten de territoriaal bevoegde rechter in de hypothese dat het geschil betrekking heeft op de inning van de belasting, cf. supra het eerste criterium van art. 632 Ger. Wb.).

De vordering van de belastingplichtige, NV AL, bestond erin de Belgische Staat te laten verbieden onderzoek op te starten of verder onderzoek te voeren of te taxeren in de mate dit gebeurt op basis van informatie bekomen door de Belgische Staat met schending van het beroepsgeheim door een notaris. De vordering bestond er tevens in ieder reeds gevoerd onderzoek op basis van deze gegevens nietig te laten verklaren.

Volgens de rechtbank van Brussel (minstens impliciet) betrof het een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet die geen verband houdt met de inning van de belasting. Volgens de rechtbank was het voornoemde tweede criterium immers van toepassing. De bestreden beschikking bestond volgens het vonnis uit de vraag om inlichtingen (op basis van de artikelen 322 en 326 WIB 92) van de BBI aan de notaris en aangezien de dienst die de bestreden beschikking nam zich in Antwerpen bevindt, is volgens de rechtbank van Brussel, de rechtbank van Antwerpen bevoegd. De rechtbank van Brussel verklaarde zich ambtshalve territoriaal onbevoegd en verwees de zaak naar de rechtbank van Antwerpen.

Net zoals in de hier besproken zaak, wordt in de casus waarin de rechtbank van Brussel op 4 juli 2001 een vonnis heeft gewezen, een vraag om inlichtingen vóór enige taxatie gekwalificeerd als een bestreden beschikking zodat de rechtbank bevoegd is in wiens rechtsgebied de dienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen.

4. Een “bestreden” beschikking in de zin van art. 632 Ger. Wb.?

Zoals hoger geduid werd door geen van de partijen betwist[26] dat de vraag om inlichtingen van de fiscale administratie van 19 januari 2017 kwalificeert als een beschikking zoals bedoeld in artikel 632 Ger. Wb.

De betrokken firma aan wie de vraag werd gesteld, voerde evenwel aan dat de voornoemde vraag om inlichtingen niet de “bestreden” beschikking zou zijn zoals vermeld in artikel 632 Ger. Wb. Uit het tussenvonnis blijkt niet hoe zij dit standpunt zou hebben onderbouwd. De rechtbank oordeelde in ieder geval dat de voornoemde vraag om inlichtingen kwalificeert als de “bestreden” beschikking nu de wettigheid ervan wordt betwist door de firma A (de verweerster). De omstandigheid dat de vordering werd ingesteld door eiser als belastingadministratie doet hieraan volgens de rechtbank geen afbreuk.

Uit de wettekst van artikel 632 Ger. Wb. met betrekking tot de territoriale bevoegdheid kan inderdaad niet worden afgeleid dat de “bestreden beschikking” zou moeten worden bestreden door de eisende partij.

De voorliggende casus is in dit opzicht bijzonder daar het anders dan wat meestal voorkomt, het thans de fiscale administratie is die optreedt als formeel eisende partij. Doorgaans is het de belastingplichtige die ingevolge de werking van de artikelen 1385decies en 1385undecies  Ger. Wb.  de formele rol van eiser dient op te nemen.[27] Laatstgenoemde artikelen hebben respectievelijk betrekking op de wijze van instellen van een vordering betreffende de toepassing van een belastingwet “tegen de belastingadministratie” en op het op straffe van niet toelaatbaarheid van deze vordering voorafgaandelijk moeten instellen van het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep (de zogenaamde uitputtingsvereiste). De notie “bestreden beschikking” zoals vermeld in artikel 1385decies Ger. Wb. kan niet anders dan te worden begrepen als de beschikking bestreden door de belastingplichtige – eisende partij gezien het zijn vordering betreft “tegen de belastingadministratie.” Deze artikelen betreffen evenwel niet de territoriale bevoegdheid. Zoals gezegd, lijkt uit art. 632 Ger. Wb. aangaande de territoriale bevoegdheid niet te kunnen worden afgeleid dat dat de “bestreden beschikking” zou moeten worden bestreden door de eisende partij.

Het tussenvonnis kan bijgevolg evenzeer op dit punt worden bijgetreden.

5. Conclusie

De geschillen over de verschuldigdheid van een belasting, moeten worden geacht verband te houden met de inning van een belasting zodat overeenkomstig artikel 632 Ger. Wb. de rechter bevoegd is van de plaats waar de belasting is of moet worden geïnd. De gevallen waarin volgens artikel 632 Ger. Wb. de plaats van vestiging van de belastingdienst die een beslissing heeft getroffen bepalend is voor de territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter moeten zeer strikt wordt uitgelegd. Het betreftenkel de gevallen waarbij het geschil helemaal geen verband houdt met de inning van een belasting. Het hier besproken tussenvonnis betreft zo een uitzonderingsgeval. Het betreft in essentie een geschil over een vraag om inlichtingen waarbij de fiscale administratie als eisende partij van de rechtbank vordert de betrokken firma te bevelen de vraag te beantwoorden terwijl de firma als verwerende partij de wettigheid van de vraag betwist. Volgens de rechter betreft het een geschil over de toepassing van een belastingwet die geen verband houdt met de inning van de belasting. De vraag om inlichtingen kwalificeert volgens de rechter als de bestreden beschikking: de rechtbank is bevoegd binnen wiens rechtsgebied de dienst die deze beschikking heeft getroffen is gevestigd. De analyse van de rechtbank kan worden bijgetreden: op basis van de bekende feiten lijkt inderdaad moeilijk te kunnen worden aangenomen dat de betrokken partijen een betwisting hebben over de inning van belasting.




[1] L. Dillen en H. Symoens, Gerechtelijk recht, artikelsgewijze commentaren, Commentaar bij art. 632 Ger. WB., Losbladig werk, Mechelen, Kluwer,  OGR – afl. 68 (2 oktober 2006), randnr. 6.

[2] Cass. 8 september 1978, Arr. Cass. 1978—79, 26; Cass. 21 februari 1944, Pas. 1944, I, 219; Cass. 11 februari 1904, Pas. 1904, I, 134; L. Dillen en H. Symoens, o.c., randnr. 6.

[3] J. Laenes, D. Scheers, P. Thiriar, S. Rutten, B. Vanlersberghe, Handboek Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia 2016, p. 321, randnr. 664.

[4] B. Maes, E. Brewaeys, P. Vanlersberghe, N. Clijmans, S. Van Schel, Gerechtelijk privaatrecht na de hervormingen van 2013-2014, Brugge, Die Keure, 2014, p. 13.

[5] zoals vervangen bij artikel 7 Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (B.S. 27 maart 1999).  

[6] KB 25 maart 1999 (B.S. 27 maart 1999); Wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Ger.W. met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde (BS 10 december 2013);  KB van 26 maart 2014 houdende wijziging van verscheidende reglementaire bepalingen om hen in overeenstemming te brengen met de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen (B.S. 31 maart 2014); KB van 6 maart 2002 (B.S. 12 maart 2002 (ed. 2)); Zie hoofdstuk II en zie I. Vogelaere, "Fiscale rechtbanken aangepast aan hervorming gerechtelijke arrondissementen", Monkey, Kluwer,TaxTODAY, 16 april 2014; zie S. Vancolen, “De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter”, T.F.R., 2015/3, nr. 475, p. 131-135.

[7] Zie ondermeer Gent 29 maart 2000, zaak 1993/FR/4368, Fiscalnet; Luik 9 mei 2003, zaak 2003/RG/149; P. Van Orshoven en B. Allemeersch, Tussen gelijk hebben en gelijk krijgen, gerechtelijk recht voor bachelors, Acco, Leuven 2015, p. 175.

[8] Parl. St., Kamer, 1997-’98, nr. 1341/1-1342/1, p. 36; V. Dauginet en K. Spagnoli, De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, Kalmthout, Biblo, 1999, 97, randnr. 473;  B. Maes, E. Brewaeys, P. Vanlersberghe, N. Clijmans, S. Van Schel, o.c., p. 13; L. Vanheeswijk, “Problemen bij de invulling van de territoriale bevoegdheid van de fiscale rechtbanken”, noot onder Arr. Rb. Nijvel 5 november 2002, T.F.R., 2003, nr. 234, p. 70.

[9] Gent 18 juni 2012, F.J.F. 2003/99; F. Desterbeck, “Territoriale bevoegdheid rechtbank: plaats van kohier zonder belang”, Fisc. Act. 2002, afl. 25, 7-8.

[10] P. Van Orshoven, Het gerechtelijk luik” in F. Vanistendael en P. Van Orshoven (ed.), De nieuwe fiscale procedure. Verslagboek van de studiemiddagen gehouden te Leuven op 27 november 1998 en 7 mei 1999, Diegem, Ced. Samsom, 1999,p. (85), 133, nr. 39.

[11] V. Dauginet en K. Spagnoli, o.c., p. 92, randnr. 435.

[12] M. De Jonckheere, M. Maus en M. Delanote, o.c. p. 337.

[13] Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, zitting 1997-1998, 22 december 1997, 1341/1-1342/1,35 geciteerd door Dauginet en K. Spagnoli (ed.), o.c., pag. 91 randnr. 436 en 437.

[14] V. Dauginet en K. Spagnoli, o.c., p. 92, randnr. 437.

[15] Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, zitting 1997-1998, 22 december 1997, 1341/1-1342/1,35 geciteerd door Dauginet en K. Spagnoli (ed.), o.c., pag. 91 randnr. 434.

[16] Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer, zitting 1997-1998, 22 december 1997, 1341/1-1342/1,35 geciteerd door V. Dauginet en K. Spagnoli (ed), o.c., pag. 91, randnr. 432.

[17] Zie V. Dauginet en K. Spagnoli (ed.), o.c., pag. 91 randnr. 433.

[18] Verslag namens de senaatscommissie voor Financiën en Economische Aangelegenheden, Parl. St. Senaat, zitting 1998-1999, 1-966/11, 213, geciteerd door Dauginet en K. Spagnoli (ed.), o.c., pag. 91 randnr. 434; zie tevens M. De Jonckheere, M. Maus en M. Delanote, o.c. p. 337.

[19] Dauginet en K. Spagnoli (ed.), o.c., pag. 97 randnr. 470.

[20] Verslag namens de kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, 15 april 1998, 1341/17, 117, geciteerd door  Dauginet en K. Spagnoli (ed.), o.c., pag. 97 randnr. 470.

[21] Parl. St. Kamer 1997-98, nr. 1342/9, 2.

[22] V. Dauginet, K. Spagnoli, W. Huber en I. Bollingh, De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, V. Dauginet en K. Spagnoli (ed)., Kalmthout, Biblo, 1999, p. 97, nr. 470. W. Defoor, De nieuwe fiscale procedure, Antwerpen, Kluwer, 1999, 148.

[23] J. Vanden Branden en Jo Roseleth, Fiscale procedure inkomstenbelastingen, Mechelen, Kluwer, 2017, p. 232.

[24] Th. Afschrift en M. Igalson stellen dat “Les cas auxquels la loi se semble référer en parlant de contestations ‘n’ayant aucun lien avec la perception d’un impôt’ sont vraisemblablement les litiges pouvant se présenter dans le cours de la procédure d’imposition, avant qu’un enrôlement soit établi (…)” zie Th. Afschrift en M. Igalson “La procédure fiscale après les lois des 15 et 23 mars 1999”, J.T. 1999, p (489), 497, nr. 48 geciteerd door [24] L. Dillen en H. Symoens, o.c., randnr. 13.

[25] Rb. Brussel 4 juli 2001 , rol.nr. 1999/10058/A, Fiscalnet.

[26] Door de firma A wellicht in subsidiaire orde gezien zij in hoofdorde zij de toepassing van het eerste criterium lijkt te hebben ingeroepen.

[27] Zij het dat de belastingplichtige inhoudelijk het statuut van verweerder en de eraan verbonden procedurerechten kan claimen. Zie: K. Spagnoli, “De  actieve rechter en de limieten van het fiscale geschil”, T.F.R. 2003, nr. 244, p. 595. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.