Tijdschrift voor Fiscaal Recht : De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter

Tijdschrift voor Fiscaal Recht : De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter

Rb.Antwerpen, 3 januari 2014 (28196)

Douane en accijnzen - territoriale bevoegdheid rechtbank - enig kantoor Brussel.

Artikel 632 Ger.W., volgens hetwelk de territoriaal bevoegde rechtbank wordt bepaald door de ligging van het kantoor waar de belasting is of moet worden geïnd, is duidelijk en helder en behoeft geen verdere interpretatie. Bovendien is deze bevoegdheidsregel van openbare orde.
Het enig kantoor der douane en accijnzen, opgericht krachtens het Ministerieel Besluit van 19 juli 2006 en gelegen te Brussel is bevoegd voor de inning, de invordering, de terugbetaling of de kwijtschelding van sommen verschuldigd aan de administratie der douane en accijnzen. Bijgevolg is de rechtbank van Brussel bevoegd en dient de zaak naar die rechtbank te worden verwezen.

NOOT

De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter

I. De feiten - Een rechtsvordering inzake de betwisting van invoerrechten

Het hier besproken vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft betrekking op een rechtsvordering ingesteld door een vennootschap gespecialiseerd in douane-expeditie. Door de beschikking van de gewestelijk directeur der douane en accijnzen te Antwerpen van 2 september 2009 werd de vennootschap uitgenodigd tot de betaling van invoerrechten.

Het administratief beroep tegen deze beschikking werd afgewezen bij de administratieve beslissing van de administrateur-generaal van de administratie van de douane en accijnzen van 28 maart 2012.

De rechtsvordering, gericht tegen de douaneadministratie, strekt er toe zowel de beslissing als de voorafgaande beschikking te vernietigen.

II. Vonnis - Rechtbank Antwerpen verklaart zich onbevoegd ratione loci

De rechtbank gaat over tot het onderzoek van haar bevoegdheid en verwijst naar de bevoegdheidsregel voorzien in artikel 632 Ger.W. krachtens hetwelk ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor is gelegen waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Volgens de rechtbank is artikel 632 Ger.W. duidelijk en helder en behoeft het dan ook geen verdere interpretatie zodat de bedoeling van de wetgever bijgevolg niet dient achterhaald te worden. De rechtbank merkt op dat artikel 632 Ger.W. van openbare orde is zodat het niet toegelaten is om hiervan af te wijken.

Het geschil, zo oordeelt de rechtbank, houdt ontegensprekelijk verband met de inning van een belasting zodat het voor de beoordeling van de territoriaal bevoegde rechter niet relevant is waar de douaneschuld is ontstaan en/of waar de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen; wanneer het geschil verband houdt met de inning van een belasting, zoals in voorliggend geschil, is krachtens artikel 632 Ger.W. de rechtbank bevoegd die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat krachtens het ministerieel besluit van 19 juli 2006 een enig kantoor der douane en accijnzen werd opgericht met zetel in het Brusselse Gewest dat bevoegd is voor het geheel van het Belgische grondgebied. Artikel 4, § 1, 2° van het ministerieel besluit van 26 maart 2007 bepaalt volgens de rechtbank uitdrukkelijk dat het enig kantoor onder meer bevoegd is voor "de inning, de invordering, de terugbetaling of de kwijtschelding van sommen verschuldigd aan de administratie der douane en accijnzen of de sommen waarvoor de administratie belast is om ze te innen, in te vorderen, terug te betalen of kwijt te schelden voor rekening van derden".

Volgens de rechtbank is het ontvangkantoor aldus gelegen te Brussel zodat krachtens artikel 632 Ger.W. de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bevoegd is. De rechtbank verwijst in dit verband naar een viertal vonnissen van de arrondissementsrechtbank Antwerpen, allen van 12 maart 2013.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat krachtens het ministerieel besluit van 26 maart 2007 er hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen werden opgericht waarvan er onder meer één gevestigd is te Antwerpen. De rechtbank merkt evenwel op dat deze hulpkantoren binnen de perken van hun attributen, hun openingsuren en hun ambtsgebied, bevoegd zijn voor "het ontvangen van betalingen in speciën of daarmee gelijkgestelde betaalmiddelen" doch geen enkele wettelijke bepaling de belastingplichtige verplicht om de verschuldigde douanerechten in speciën of daarmee gelijkgestelde betaalmiddelen te betalen.

De rechtbank besluit, op grond van het voorgaande, de zaak krachtens artikel 660 Ger.W. naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel door te verwijzen. De partijen verklaarden zich daarmee ter zitting akkoord.

III. Analyse - De territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter, met name op vlak van douane

A. Algemeen inzake de administratieve en gerechtelijke douaneprocedure

Iedere persoon heeft het recht een administratief bewaar in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtsreeks en individueel raken (art. 243, eerste lid CDW). Een beschikking wordt gedefinieerd als elke beslissing van de administratie der douane en accijnzen die voor één of meer personen rechtsgevolgen heeft (art. 211, § 2 AWDA). De administratieve bezwaren kunnen betrekking hebben op allerhande beschikkingen van de douaneautoriteiten zoals de weigering van een vergunning of de uitnodiging tot betaling van een douaneschuld.

Het recht van administratief beroep kan slechts uitgeoefend worden tegen beschikkingen van de gewestelijk directeur der douane en accijnzen of van een ambtenaar met een gelijkwaardige graad aangesteld door de minister. Beslissingen van andere ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen moeten, voorafgaandelijk aan het uitoefenen van het recht van administratief beroep, worden voorgelegd aan de gewestelijk directeur der douane en accijnzen die in het geschil een beschikking zal moeten treffen waartegen dan wel een administratief beroep mogelijk is (art. 212 AWDA). Het administratief beroep moet worden ingesteld bij de administrateur-generaal van de administratie der douane en accijnzen (art. 216 AWDA) [1] .

Indien tegen een beschikking geen administratief bezwaar werd ingediend, kan er geen vordering bij de rechtbank worden ingesteld. Conform de zogenaamde uitputtingsvereiste kan de vordering voor de rechtbank slechts worden toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld [2] .

B. De bevoegdheidsregels rationae loci in fiscalibus

Alle geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet worden sinds 6 april 1999 voorgelegd aan de rechtbank van eerste aanleg, ongeacht het bedrag van de betwisting (art. 569, 32° Ger.W.) [3] .

De territoriaal bevoegde rechtbank wordt aangeduid door artikel 632 Ger.W.

Artikel 632 Ger.W. zoals vervangen bij artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 [4] , bepaalt in het eerste lid dat ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep (Brussel, Gent, Antwerpen, Luik en Bergen) in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd. Artikel 632, eerste lid Ger.W. bepaalt verder dat indien het geschil de toepassing van een belastingwet betreft doch geen verband houdt met de inning van een belasting, het geschil ter kennisneming staat van de rechter die zitting houdt ter zetel van het hof van beroep in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de beschikking heeft getroffen. Wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechter van Eupen bevoegd (art. 632, eerste lid Ger.W.).

Artikel 632, tweede lid Ger.W. bepaalt dat de Koning andere rechters in het rechtsgebied van het hof van beroep kan aanwijzen die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet en dat hij het gebied bepaalt waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is. De Koning heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Artikel 1 KB 25 maart 1999 [5] tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 zoals van toepassing tot 1 april 2014 bepaalt dat onverminderd artikel 632, eerste lid Ger.W. voor de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van eerste aanleg behoren alleen bevoegd zijn: de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen, voor de provincie Luxemburg, te Brugge, voor de provincie West-Vlaanderen, te Hasselt, voor de provincie Limburg, te Namen voor de provincie Namen en te Nijvel voor de provincie Waals-Brabant. Zoals bekend zijn op 1 april 2014 de gerechtelijke arrondissementen hervormd; er zijn er nog 12 in plaats van 27 [6] . Die schaalvergroting werd ook verwerkt in het besluit over de andere fiscale rechtbanken dan deze die gevestigd zijn bij een zetel van het hof van beroep [7] . Sindsdien is voor het volledige gerechtelijke arrondissement Limburg de afdeling Hasselt van de rechtbank van eerste aanleg Limburg bevoegd. Voor het gerechtelijk arrondissement Waals-Brabant is dat de rechtbank van eerste aanleg Waals-Brabant. Voor het volledige gerechtelijke arrondissement West-Vlaanderen vallen de fiscale geschillen onder de bevoegdheid van de afdeling Brugge van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen. De afdeling Aarlen van de rechtbank van eerste aanleg Luxemburg is bevoegd voor het volledige gerechtelijke arrondissement Luxemburg en de afdeling Namen van de rechtbank van eerste aanleg Namen ten slotte voor het volledige gerechtelijke arrondissement Namen. Artikel 1 KB 6 maart 2002 [8] tot uitvoering van de wet van 23 maart 1999 bepaalt dat de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet die tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoren, voor het gerechtelijk arrondissement van Leuven, alleen vallen onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

De gevallen waarin de plaats van vestiging van de belastingdienst die een beslissing heeft getroffen bepalend is voor de territoriale bevoegdheid moet volgens de voorbereidende werken zeer strikt worden uitgelegd. Volgens de minister van Financiën zijn hier de geschillen bedoeld over bijvoorbeeld vergunningen die moeten worden verleend door een belastingadministratie [9] , zoals de vergunning voor een douane-entrepot. De klassieke geschillen over de verschuldigdheid van een belasting, moeten worden geacht verband te houden met de inning van een belasting, zodat de hoofdregel daarvoor geldt: de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de plaats waar de belasting is of moet worden geïnd [10] .

De bevoegdheidsregels van artikel 632 Ger.W. zijn van openbare orde. Partijen kunnen niet overeenkomen dat zij hun geschil bij een andere rechtbank aanhangig zouden maken. De rechter moet zijn onbevoegdheid in voorkomend geval ambtshalve opwerpen. De exceptie van onbevoegdheid kan op elk ogenblik in de procedure worden opgeworpen. De rechter of de arrondissementsrechtbank verwijzen desgevallend de zaak naar de territoriaal bevoegde rechtbank [11] .

Hoewel de territoriale bevoegdheidsregels in beginsel algemeen toepasselijk zijn, dient er toch in ieder fiscaal wetboek of in iedere fiscale procedurewet nagezien te worden of er geen specifieke afwijkende territoriale bevoegdheidsregels zijn ingeschreven [12] . Zo bepaalt artikel 10 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen [13] dat tegen de beslissing genomen door de bevoegde overheid of bij gebrek aan een beslissing binnen de termijnen vermeld in artikel 9, § 5, een beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied waarin de belasting gevestigd werd.

C. De oprichting van het "enig kantoor der douane en accijnzen"

De voornoemde bevoegdheidsregels gelden aldus in principe voor alle geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet; zij zijn aldus evenzeer van toepassing op het vlak van indirecte belastingen zoals douane en accijnzen waarvoor geen afwijkende regeling geldt [14] .

Zoals gezegd wordt, wanneer het geschil gaat over de inning van belasting, de bevoegdheid van de fiscale rechter bepaald door de plaats waar het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd. Het is aldus de plaats waar het bevoegde ontvangkantoor is gelegen die de territoriaal bevoegde fiscale rechter aanduidt wanneer een geschil over de toepassing van de belastingwet verband houdt met de inning van belastingen.

Bij ministerieel besluit van 19 juli 2006 [15] werd een enig kantoor der douane en accijnzen genoemd "enig kantoor" opgericht met zetel in het Brusselse Gewest (art. 1). Het enig kantoor is bevoegd voor het geheel van het Belgische grondgebied (art. 2). De oprichting geldt vanaf 31 juli 2006 (art. 3).

Bij ministerieel besluit van 26 maart 2007 [16] werden er hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen opgericht en werden de bevoegdheden van zowel het enige kantoor als van zijn hulpkantoren bepaald.

Het enig kantoor is onder meer bevoegd voor de aanvaarding van elektronische aangiften inzake douane en accijnzen (art. 4, § 1, 1°) en voor de inning, de invordering, de terugbetaling of de kwijtschelding van sommen verschuldigd aan de administratie der douane en accijnzen of de sommen waarvoor de administratie der douane en accijnzen belast is om ze te innen, in te vorderen, terug te betalen of kwijt te schelden voor rekening van derden (art. 4, § 1, 2°). De hulpkantoren, waaronder dat van Antwerpen, zijn opgesomd in de bijlagen 1, 2 en 3 bij het ministerieel besluit. Naast de hulpkantoren die zijn opgesomd in deze 3 bijlagen wordt er ook nog een hulpkantoor Brussel (Tabak) A opgericht. Daarnaast worden ook nog 4 hulpkantoren opgericht met uitsluitend accijnsbevoegdheden te weten Antwerpen A, Brussel A, Luik A en Zottegem A. De hulpkantoren zijn onder meer bevoegd, binnen de perken van hun attributen, hun openingsuren en hun ambtsgebied voor de behandeling van de schriftelijke aangiften inzake douane en accijnzen die aldaar worden ingediend, om, met name, door de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen in het elektronische systeem van het enig kantoor te worden ingebracht (art. 6, 1°) en voor het ontvangen van betalingen in speciën of daarmee gelijkgestelde betaalmiddelen (art. 6, 4°).

Het ministerieel besluit van 26 maart 2007 trad in werking op 4 juni 2007 (art. 8) [17] , zijnde de dag dat in ons land de douaneaangifte elektronisch kan worden verwerkt via het aangiftesysteem "Paperless Douane en Accijnzen" (PLDA). Dit systeem verving het zogenaamde SADBEL-systeem. In een omzendbrief wordt de interferentie met het enig douanekantoor omschreven. Daarin wordt vermeld dat met de invoering van PLDA ook het beheer van de aangiften, de borgtochten en inning wordt gecentraliseerd op het enig kantoor. Alles wat elektronisch en centraal kan worden afgehandeld werd georiënteerd naar het enig kantoor. Het enig kantoor centraliseert in de eerste plaats de financiële verrichtingen en de dikwijls daaraan gerelateerde zekerheidsinstellingen. De hulpkantoren moeten volgens de omzendbrief enkel tussenkomen voor de manuele verrichtingen en voor de aanbieding van de goederen. Bijgevolg blijven de hulpkantoren ook de plaats van aanvaarding van de aangiften. Bovendien zullen volgens de omzendbrief de hulpkantoren een belangrijke rol blijven spelen bij een onbeschikbaarheid van PLDA en bij de toepassing van noodprocedures [18] .

De oprichting van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren dient gezien in het kader van een strategisch meerjarenplan uitgetekend door de Europese Commissie om tegen 2013 alle Europese douaneadministraties elektronisch te laten werken in één netwerk, zowel voor het opmaken van alle aangiften, het online en in real time volgen van goederenstromen als voor het uitwisselen van controleresultaten en risicoanalyses. De eerste stap van dit meerjarenplan was de invoering van het nieuwe "Enig Document" dat op 1 januari 2007 werd ingevoerd [19] .

D. De impact van een "enig ontvangkantoor" op de territoriale bevoegdheid van de fiscale rechters

Het onderzoek naar haar territoriale bevoegdheid door de rechtbank van eerste aanleg, afdeling Antwerpen en haar conclusie in dit verband kan m.i. worden bijgetreden. Aangezien voor de geschillen die verband houden met de inning van een belasting de territoriale bevoegdheid wordt bepaald door de plaats waar de belasting is of moet worden geïnd en aangezien voor gans België één enkel kantoor met zetel in het Brusselse Gewest, het zogenaamde enig kantoor der douane en accijnzen, bevoegd is voor de inning van sommen verschuldigd aan de administratie der douane en accijnzen, is de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, afdeling Brussel de territoriaal bevoegde rechtbank. De Antwerpse rechtbank lijkt dan ook terecht de zaak te hebben doorverwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De arrondissementsrechtbank van Antwerpen oordeelde in meerdere vonnissen van 12 maart 2013 in dezelfde zin. In het hier besproken vonnis wordt naar deze uitspraken verwezen. De arrondissementsrechtbank merkt bijkomend op, in verband met de vraag of het geschil al dan niet betrekking heeft op de inning van belasting, dat in navolging van vaste cassatierechtspraak het voorwerp van de eis uit de gedinginleidende akte volgt en dat geenszins het werkelijke of achterliggende voorwerp van de vordering dient te worden onderzocht [20] . Aangezien de hulpkantoren toch ook nog bevoegd zijn voor het ontvangen van betalingen in speciën of daarmee gelijkgestelde betaalmiddelen, is het in de praktijk niet geheel uitgesloten dat de belasting waarover het geschil gaat in zo'n hulpkantoor is geïnd. In dat geval zou overeenkomstig artikel 632 Ger.W. de fiscale rechtbank van de plaats van de inning in dat hulpkantoor (per hypothese niet in Brussel) territoriaal bevoegd zijn.

De impact op de territoriale bevoegdheid van de fiscale rechter van de oprichting van het enig kantoor der douane en accijnzen is groot. Dit geldt inzonderheid voor de afdeling Brussel van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel en het hof van beroep van Brussel. Zij zijn op grond van de territoriale bevoegdheidsregels (ratione loci) de facto materieel exclusief bevoegd geworden voor alle geschillen inzake douane en accijnzen die betrekking hebben op de inning van belastingen (ratione materiae). Dit lijkt slechts anders wanneer een arrest van het hof van beroep van Brussel zou worden gecasseerd door het Hof van Cassatie en waarbij vervolgens de zaak wordt doorverwezen naar een ander hof van beroep. Enkel in die hypothese lijken de andere hoven van beroep de facto nog materieel bevoegd om te oordelen over douane- en accijnsgeschillen inzake de inning van de belasting.

Een zogenaamd "enig ontvangkantoor" is in het fiscale landschap geen unicum. Een wellicht beter bekend voorbeeld, is dat op het vlak van de onroerende voorheffing waarvoor de Vlaamse belastingdienst de bevoegdheid heeft deze te innen voor de onroerende goederen gelegen in het Vlaamse Gewest. De kantoren van de Vlaamse belastingdienst zijn gevestigd te Aalst zodat conform artikel 632 Ger.W. de rechtbank van eerste aanleg Gent, afdeling Gent de facto uitsluitend bevoegd is deze geschillen te beoordelen. De twee andere voorbeelden van fiscale rechtbanken in Vlaanderen die de facto over een exclusieve materiële bevoegdheid beschikken ingevolge het bestaan van een "enig ontvangkantoor" zijn terug te vinden binnen de milieuheffingen. De oppervlaktewaterheffingen en bronwaterheffingen worden geïnd door de Vlaamse Milieumaatschappij in Erembodegem [21] zodat conform artikel 632 Ger.W. ook hier uitsluitend de rechtbank van eerste aanleg Gent, afdeling Gent bevoegd is. De afvalheffingen worden geïnd door OVAM te Antwerpen (Hooge Maey) [22] zodat voor wat betreft deze heffingen de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen uitsluitend bevoegd is.

Het voorgaande lijkt als voordeel te hebben dat de betrokken rechters die op grond van de bevoegdheidsregels ratione loci de facto exclusief bevoegd zijn (geworden) voor geschillen inzake de inning van bepaalde belastingen, in de betrokken materie bijzonder gespecialiseerd zijn (geworden). Anderzijds is er geen sprake van een soort verrijkende dialoog tussen de rechtspraak van de diverse hoven van beroep en de lagere rechtbanken. Eén en ander heeft ook ongetwijfeld een belangrijke impact op de input van fiscale zaken en aldus op de werklast bij deze exclusief bevoegde rechtbanken. Mocht het een tendens worden om ook voor andere belastingen te evolueren naar één gecentraliseerd ontvangkantoor, zal wellicht in het kader van de werklastverdeling artikel 632 Ger.W. moeten worden herzien, minstens wordt het dan zaak niet alle ontvangkantoren binnen één rechtsgebied te vestigen. Het komt op het eerste gezicht ook wat vreemd voor dat de rechtbanken van Brussel de facto exclusief bevoegd zijn voor de douanegeschillen inzake de inning van belastingen terwijl de grootste haven van het land gevestigd is in Antwerpen. Zo ook is de rechtbank van eerste aanleg van Gent, afdeling Gent bevoegd om te oordelen over de vrijstelling of kwijtschelding van onroerende voorheffing ook al heeft deze onroerende voorheffing betrekking op onroerende goederen gelegen in Limburg. Dit is nu éénmaal het gevolg van het feit dat de territoriaal bevoegde rechtbank niet deze is van het rechtsgebied waar de belastingschuld is ontstaan maar wel die van het rechtsgebied waarbinnen het ontvangkantoor gevestigd is. Althans wanneer het, zoals gezegd, de inning van belastingen betreft en er o.a. omwille van redenen van onder meer administratieve vereenvoudiging er slechts sprake is van één kantoor bevoegd voor de inning.

Artikel 2, 4° van de wet openbaarheid bestuur vereist "met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden" dat elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde onder meer de instanties vermeldt bij wie het beroep moet worden ingesteld [23] . Volgens het Hof van Cassatie vereist deze bepaling niet dat het betrokken bestuur de territoriaal bevoegde rechtbank en het adres ervan vermeldt. De vermelding van de georganiseerde beroepsmogelijkheden en de instantie die materieel bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, volstaat [24] . In het licht van het voorgaande komt het evenwel, om proceseconomische redenen, aangewezen voor dat de betrokken fiscale administraties op hun fiscale beslissingen waartegen een vordering in rechte kan worden ingesteld niet alleen de bevoegde rechtbank vermelden maar ook duidelijk vermelden welke rechtbank territoriaal bevoegd is. In de praktijk kan worden vastgesteld dat diverse ambtenaren, hoewel zij daartoe niet zijn verplicht, toch de territoriaal bevoegde rechtbank ook effectief vermelden op hun beslissing, hetgeen kan worden toegejuicht.

E. Conclusie

De bevoegdheidsregels ratione loci voor fiscale geschillen zijn relatief eenvoudig maar zij zijn van openbare orde; de oefening dient desnoods ambtshalve door de rechter te worden gemaakt. Er dient daarbij eerst te worden nagegaan of het geschil betreffende de toepassing van de belastingwet de inning van een belasting betreft. De klassieke geschillen over de verschuldigdheid van een belasting, moeten worden geacht verband te houden met de inning van een belasting. Houdt het geschil verband met de inning van de belasting dan wijst het bevoegde ontvangkantoor de territoriaal bevoegde fiscale rechter aan. Is dit niet het geval, dan is het de belastingdienst die de betrokken beschikking heeft getroffen die de territoriaal bevoegde rechter aanwijst. De gevallen waarin de plaats van vestiging van de belastingdienst die een beslissing heeft getroffen bepalend is voor de territoriale bevoegdheid moeten volgens de voorbereidende werken zeer strikt worden uitgelegd. Hoewel de territoriale bevoegdheidsregels in beginsel algemeen toepasselijk zijn, dient er toch in ieder fiscaal wetboek of in iedere fiscale procedurewet nagezien te worden of er geen specifieke afwijkende territoriale bevoegdheidsregels zijn ingeschreven.

Wanneer het criterium van het rechtsgebied van het kantoor waar de belasting is of moet worden geïnd, moet worden toegepast om de vraag naar de territoriaal bevoegde rechter op te lossen, en er dient vastgesteld dat er sprake is van slechts één bevoegd ontvangkantoor, zoals het enig kantoor der douane en accijnzen, impliceert dit dat slechts de rechters van één rechtsgebied, met name de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep van het betrokken rechtsgebied, op basis van de bevoegdheidsregels ratione loci, de facto exclusief bevoegd worden voor het beoordelen van geschillen inzake een bepaalde belastingmaterie (ratione materiae).

Het voorgaande lijkt een belangrijke impact te hebben op de bijzondere specialisatie van de rechter, de werklastverdeling binnen de hoven en de rechtbanken en de verrijkende dialoog die in de praktijk kan bestaan tussen de rechtspraak van diverse hoven van beroep en van diverse lagere rechtbanken.

Er kan ten slotte nog worden gepleit, omwille van proceseconomische redenen, opdat de betrokken fiscale administraties op hun fiscale beslissingen waartegen een vordering in rechte kan worden ingesteld niet alleen de bevoegde rechtbank vermelden maar ook duidelijk vermelden welke rechtbank territoriaal bevoegd is. Vonnissen zoals het hier besproken vonnis en de ganse procedure die er telkens aan voorafgaat, kunnen dan gemakkelijker worden vermeden op voorwaarde weliswaar dat de fiscale administratie de bevoegdheidsregels dan wel correct heeft toegepast. De belastingplichtige blijft hoe dan ook best de oefening ook zelf maken. Zoals gezegd zijn de territoriale bevoegdheidsregels immers van openbare orde.

 


[1] A. Baert en L. Gheysens,Douane en accijnzen. Fiscaal Compendium 2013, Antwerpen, Kluwer, 2013, 273-274.  


[2] Art. 1385undecies, eerste lid Ger.W.  


[3] Art 569, eerste lid, 32° ingevoegd bij art. 4 wet 23 maart 1999 (BS 27 maart 1999). Zie voor wat betreft de overgangsregels: L. Vanheeswijck en L. Kell,Artikel & Commentaar. Fiscale geschillen, Antwerpen, Kluwer, 2012, 68-70.  


[4] Wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (BS 27 maart 1999).  


[5] KB 25 maart 1999 (BS 27 maart 1999).  


[6] Wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Ger.W. met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde (BS 10 december 2013).  


[7] KB van 26 maart 2014 houdende wijziging van verscheidende reglementaire bepalingen om hen in overeenstemming te brengen met de hervorming van de gerechtelijke arrondissementen (BS 31 maart 2014). Zie hoofdstuk II en zie I. Vogelaere, "Fiscale rechtbanken aangepast aan hervorming gerechtelijke arrondissementen", Monkey, Kluwer,TaxTODAY, 16 april 2014.  


[8] KB van 6 maart 2002 (BS 12 maart 2002 (ed. 2)).  


[9] Verslag namens de Kamercommissie voor de Financiën en de Begroting, Parl.St. Kamer 1997-98, 15 april 1998, 1341/17, 117.  


[10] V. Dauginet en K. Spagnoli, De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, Kalmthout, Biblo, 1999, 97, randnr. 470.  


[11] V. Dauginet en K. Spagnoli, De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, Kalmthout, Biblo, 1999, 97, randnr. 473.  


[12] V. Dauginet en K. Spagnoli, De nieuwe fiscale procedure. Commentaar bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, Kalmthout, Biblo, 1999, 97, randnr. 475.  


[13] BS 4 juli 2008.  


[14] A. Baert en L. Gheysens,Douane en accijnzen. Fiscaal Compendium 2013, Antwerpen, Kluwer, 2013, 275.  


[15] MB van 19 juli 2006 houdende de oprichting van het enig kantoor der douane en accijnzen (BS 31 juli 2006).  


[16] MB van 26 maart 2007 houdende de oprichting van de hulpkantoren van het enig kantoor der douane en accijnzen en de bepaling van de bevoegdheden van het enig kantoor der douane en accijnzen en van zijn hulpkantoren (BS 13 april 2007).  


[17] Zij het dat de inwerkingtreding van bepaalde artikelen door latere wijzigingen werd uitgesteld. Zo trad art. 4 uiteindelijk in werking op 1 maart 2008.  


[18] Omzendbrief, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie der douane en accijnzen, Douaneprocedures, Papierloze aangifte inzake douane en accijnzen (PLDA), D.I 530.11, D.D. 273.416, 12 juli 2007.  


[19] Zie C. Van Geel, "Enig kantoor der douane en accijnzen: bevoegdheden en oprichting hulpkantoren", Jura - nieuws, 13 april 2007.  


[20] Zie bv. Arrondrb. Antwerpen 12 februari 2013, 13/6/E, onuitg.  


[21] Zie art. 35bis wet 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (BS 1 mei 1975); art. 28ter, § 5 decreet 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer (BS 5 juni 1984).  


[22] Art. 49 decreet 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (BS 28 februari 2012).  


[23] Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (BS 30 juni 1994 (ed. 2)).  


[24] Cass. 20 oktober 2011, www.cassonline.be .  

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.