Taxatie van meerwaarden bij verkoop van aandelenparticipaties: een strooptocht?

Taxatie van meerwaarden bij verkoop van aandelenparticipaties: een strooptocht?

De belastingvrije realisatie van interne meerwaarden door een natuurlijke persoon ligt reeds geruime tijd in het vizier van de belastingadministratie. Recent lijkt de BBI nu ook haar pijlen te richten op de meerwaarden die een bedrijfsleider realiseert bij de verkoop van de aandelen in zijn onderneming aan derden.  

Alle (tijdelijke) aanvalspistes van de belastingadministratie ten spijt, is de wetgeving ter zake al die tijd in wezen inhoudelijk ongewijzigd gebleven. Op vandaag zijn de wettelijke regels inzake meerwaarden op aandelen terug te vinden in artikel 90, 9° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (alwaar ze werden gegroepeerd door de fusiewet van 11 december 2008).

Meerwaarden op aandelen door een natuurlijke persoon gerealiseerd buiten het kader van een beroepswerkzaamheid zijn in principe definitief vrijgesteld van belasting. Deze vrijstelling geldt niet indien de meerwaarden werden gerealiseerd buiten het normaal beheer van privé-vermogen. In dat geval worden de gerealiseerde meerwaarden in hoofde van de natuurlijke persoon-aandeelhouder belast als diverse inkomsten aan het tarief van 33% vermeerderd met gemeentelijke opcentiemen.

Onder interne meerwaarden worden begrepen de meerwaarden op aandelen die een natuurlijke persoon realiseert bij de overdracht van zijn/haar aandelen aan een holdingvennootschap die hij/zij, rechtstreeks of onrechtstreeks, controleert en/of werd opgericht met oog op de realisatie van interne meerwaarden. 

Op vandaag is veelal het cruciaal criterium voor de belastbaarheid van meerwaarden op aandelen het begrip “normaal beheer van privé-vermogen”. De wetgever biedt ter zake geen nadere duiding. Omtrent de draagwijdte en invulling van het begrip “normaal beheer van privé-vermogen” is dan ook al veel inkt gevloeid, inzonderheid met betrekking tot interne meerwaarden.

In die zin achtte de belastingadministratie begin de jaren 2000 de overdracht van aandelen aan een eigen holding in beginsel geen verrichting van normaal beheer van privé-vermogen uit te maken. De administratie achtte het niet mogelijk dat een goede huisvader dit binnen het normaal beheer van zijn privé-vermogen kan realiseren. Sommige geledingen binnen de administratie (de BBI) zijn dit ongenuanceerd standpunt nog steeds genegen.

De rechtspraak heeft ter zake steeds een veel genuanceerder standpunt ingenomen. Het criterium “normaal beheer van privé-vermogen” lijkt door de meerderheid van rechtspraak in concreto te worden beoordeeld. De oprichting van een eigen holding maakt vanuit die optiek niet noodzakelijk abnormaal beheer van privé-vermogen uit, wel integendeeel. Hierbij moet de verrichting worden afgetoetst aan deze die een goede huisvader stelt in dezelfde omstandigheden (d.i. een goede huisvader met een gelijkaardig vermogen en beroepsactiviteit). Een goede huisvader kan in welbepaalde omstandigheden wel degelijk over rechtmatige economische en financiële behoeften beschikken tot het oprichten van een holding (bvb. successieplanning, optimalisatie vermogen, structuuruitbouw). Bovendien doen eventuele bijkomende fiscale overwegingen hieraan niet per se afbreuk. Het staat een goede huisvader vrij de keuze voor de minst belaste weg te maken zolang er hierbij geen gebruik wordt gemaakt van fiscaal geïnspireerde kunstgrepen.

De rulingcommissie is ten slotte van oordeel dat enkel de inbreng, en niet de verkoop, van aandelen in een eigen holding normaal beheer van privé-vermogen kan uitmaken.

In haar gepubliceerd advies koppelt de rulingcommissie hieraan in grote lijnen wel volgende voorwaarden (zie http://www.ruling.be/AdviezenPubConsult.htm):
 

  1. Er dient te worden voorzien in een driejarige standstill periode na de inbrengverrichting waarbij geen geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen van de holding (ingevolge een kapitaalvermindering in de holding of nieuwe financiële stromen (dividenden, management fees, tantièmes, …) vanuit de onderliggende werkvennootschappen naar de holding). Hogere dividenden mogen wel doorstromen naar de holding indien ze er vervolgens worden aangewend voor nieuwe investeringen of voor de uittreding van aandeelhouders die niet betrokken zijn bij de inbrengverrichting. Tevens mogen wel hogere fees worden uitbetaald door de werkvennootschap(pen) aan de holding indien deze teruggaan op werkelijke prestaties van de holding.
     
  2. Daarenboven dienen rechtmatige economische en financiële behoeften voorhanden te zijn voor de oprichting van een holding. 
     
  3. Tot slot eist de rulingcommissie een waarderingsverslag waarin de in de holding ondergebrachte aandelen op een onderbouwde wijze worden gewaardeerd door een revisor.
     

Onder invloed van dit rulingstandpunt en de evolutie in de rechtspraak neemt de belastingadministratie sinds midden jaren 2000 een gematigder standpunt in. Enkel de BBI blijft het moeilijk hebben met het belastingvrij realiseren van interne meerwaarden.

Volgens de letter van de wet moeten interne meerwaarden in principe definitief worden vrijgesteld van belasting. Het is aan de belastingadministratie te bewijzen dat de oprichting van een holding niet binnen het normaal beheer van privé-vermogen valt. De vooruitziende belastingplichtige kan op de problematiek van de interne meerwaarden op aandelen alvast anticiperen door rekening te houden met de rechtspraak en het advies van de rulingcommissie ter zake.

Zoals reeds aangegeven in de inleiding viseren bepaalde geledingen binnen de belastingadministratie thans, overigens tot ieders verbazing, tevens in een aantal gevallen de belastingvrije verkoop door een bedrijfsleider van de aandelen in zijn onderneming aan derden (zie onder meer de zaak Cash-Fresh).

Zo blijkt de administratie van oordeel te zijn dat een aandeelhouder die tevens bedrijfsleider is in een vennootschap (“de actieve aandeelhouder”) over mogelijkheden en informatie beschikt die niet beschikbaar zijn voor de doorsnee normale aandeelhouder (“de passieve aandeelhouder”) dermate dat de verkoop van zijn aandelen geen normaal beheer van privé-vermogen kan uitmaken. De belastingadministratie is namelijk van oordeel dat dergelijke actieve aandeelhouder onder meer over de mogelijkheid beschikt reserves op te potten in de vennootschap om deze dan bij een later verkoop belastingvrij te cashen.  

Voldoende rechtspraakheeft echter reeds geoordeeld dat er een duidelijk onderscheid moet gemaakt worden tussen de positie van de belastingplichtige als bedrijfsleider enerzijds en als aandeelhouder anderzijds. Actief aandeelhouderschap impliceert niet per se een abnormaal beheer van privé-vermogen, wel integendeel.

Het verkopen van aandelenparticipaties aan een derde kan in die zin allerminst worden beschouwd als een abnormaal beheer van privé-vermogen zodat, binnen de huidige wettelijke context, geen sprake kan zijn van een meerwaardebelasting.

De belastingvrije realisatie van meerwaarden op aandelen door een natuurlijke persoon blijft een doorn in het oog voor de BBI en bijgevolg het voorwerp van verhitte debatten. Tot zolang de wetgeving ter zake niet wordt gewijzigd blijven meerwaarden op aandelen echter principieel definitief vrijgesteld van belasting in hoofde van de natuurlijke persoon aandeelhouder. De inschatting mag wel zijn dat een wetswijziging in die zin er aankomt. Vraag is wanneer… 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.