Rechtsplegingsvergoedingen en rolrechten bij fiscale geschillen - geen Copernicaanse omwenteling...

Rechtsplegingsvergoedingen en rolrechten bij fiscale geschillen - geen Copernicaanse omwenteling...

I. Fiscus in het ongelijk gesteld - hij blijft zoals voorheen de rechtsplegingsvergoeding betalen  

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming die de verliezende partij dient te betalen aan de door de rechter in het gelijk gestelde partij ter compensatie van de kosten en erelonen die deze laatste verschuldigd is aan zijn advocaat (art. 1022 van het Gerechtelijk Wetboek). Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding hangt af van de waarde van de vordering. Ook in fiscale geschillen is de regeling van de rechtsplegingsvergoedingen, die in 2008 overigens grondig werd hervormd, van toepassing. Wanneer aldus de belastingplichtige in het gelijk wordt gesteld en wanneer hij beroep heeft gedaan op een advocaat, is de fiscus hem een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd. Anderzijds, wanneer de fiscus in het gelijk wordt gesteld en wanneer hij beroep deed op een advocaat zal het de belastingplichtige zijn die wordt veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de fiscus.

In strafzaken kan het Openbaar Ministerie nooit worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. In het licht hiervan rees de vraag of deze uitsluiting niet dient te gelden voor alle overheden die het 'algemeen belang' verdedigen. Zo oordeelde het Grondwettelijk Hof dat er wel degelijk sprake is van discriminatie wanneer o.a. een ambtenaar van de burgerlijke stand of een stedenbouwkundige inspecteur wordt veroordeeld tot een rechtsplegingsvergoeding.

De rechtbank van Aarlen vond het dan ook opportuun het Grondwettelijk Hof (middels zogenaamde prejudiciële vragen) te bevragen of het al dan niet discriminatoir is dat de fiscus kan worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. In afwachting van een antwoord van het Grondwettelijk Hof in deze kwestie stelden vele fiscale rechters hun uitspraak uit, althans over het punt inzake de rechtsplegingsvergoeding.

In een arrest van 21 mei 2015 oordeelde het hof nu dat het niet strijdig is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel dat de fiscus, wanneer hij in rechte in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld tot het betalen van de rechtsplegingsvergoeding (Grondwettelijk Hof 21 mei 2015). In feite komt het Grondwettelijk Hof, na heroverweging, terug op een deel van haar rechtspraak. Het Hof doet dit ondermeer om elke verandering of verbetering, die ook de wetgever beoogt, niet te beletten.

In fiscalibus wijzigt er op het vlak van de rechtsplegingsvergoeding aldus niets.

Wat nu met de wet van 25 april 2014? In deze wet werd de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat in het algemeen uitgesloten in die gevallen waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een rechtsgeding. De fiscus kwalificeert onbetwistbaar als zo'n publiekrechtelijk rechtspersoon. Vooreerst is bij gebreke aan een koninklijk besluit deze wet nog niet in werking getreden. Bovendien komt het in het licht van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 21 mei 2015 voor dat deze wet sowieso de toets aan het gelijkheidsbeginsel niet doorstaat.

II. Rolrechten bij een fiscaal geschil - enkel voor vorderingen van meer dan 250.000,00 €

Met rolrechten worden bedoeld de griffierechten die verschuldigd zijn wanneer men een betwisting aan een rechtbank wil voorleggen. Tot voor kort waren er geen rolrechten verschuldigd in zaken die voor de fiscale rechter werden gebracht. Sinds 1 juni is daarin verandering gekomen, met dien verstande dat er thans enkel rolrechten zijn verschuldigd bij fiscale vorderingen van meer dan 250.000,00 € (Wet 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten). Voor de meeste fiscale zaken blijft aldus alles bij het oude.

De rolrechten zijn overigens relatief beperkt te noemen, zeker in het licht van de waarde van de vorderingen. In eerste aanleg gaat het over 300,00 € voor vorderingen van 250.000,01 tot 500.000,00 € en over 500,00 € als de vordering meer dan 500.000,00  € betreft. Voor fiscale geschillen in hoger beroep gaat het over 600,00 € voor vorderingen van 250.000,01 tot 500.000,00 € en over 800,00 € als de vordering meer dan 500.000,00  € betreft.

De laatste tijd was er heel wat te doen over het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake de rechtsplegingsvergoedingen en over de wetswijziging inzake de rolrechten. Op fiscaal vlak verandert er evenwel niet veel. Wat betreft de rechtsplegingsvergoedingen blijft alles bij het oude: de fiscus kan nog steeds worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld en in geval de belastingplichtige beroep deed op een advocaat. Rolrechten zijn, sinds 1 juni, in fiscale zaken te betalen maar enkel in geschillen met een waarde van meer dan 250.000,00 €. Zij zijn hoe dan ook relatief beperkt. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.