Recht op aftrek in btw : formalisme brokkelt af !

Recht op aftrek in btw : formalisme brokkelt af !

28.03.2012
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) en Sophie Claeys (advocaat)

Art. 45 WBTW bepaalt dat iedere BTW plichtige van een recht op aftrek geniet van de belasting die is geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.

Om dit recht op aftrek genieten dient de belastingplichtige in principe te beschikken over een factuur die aan een aantal formaliteiten voldoet. Overeenkomstig art. 5, §1 KB nr. 1 dient een factuur onder meer te vermelden:

  • de datum waarop ze worden uitgereikt en het volgnummer waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de dienstverrichter;
  • de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in art. 50 WBTW bedoelde btw-identificatienummer van de medecontractant.

In de praktijk komt het wel eens voor dat een formaliteit ontbreekt.

Daar waar voorheen dergelijk gebrek eerder problematisch was voor het kunnen uitoefenen van het recht op aftrek, is er thans een evolutie gaande die de neutraliteit van de BTW laat prevaleren op het strikte formalisme.

Volgens het Hof van Justitie in Jeunehomme kunnen de lidstaten de uitoefening van het recht op aftrek afhankelijk stellen van het bezit van een factuur met een aantal verplichte vermeldingen, naast de door de richtlijn vereiste minimumvermeldingen. Deze bijkomende vermeldingen dienen echter nodig te zijn om de inning van de btw en de controle daarop door de administratie mogelijk te maken. Bovendien mogen die vermeldingen niet zo talrijk of technisch zijn dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken.

Het komt de nationale rechter toe te beoordelen of de (door de Belgische regeling) opgelegde vermeldingen aan de bovenstaande criteria voldoen. Welnu, volgens de rechtspraak is bijvoorbeeld een volgnummer niet altijd noodzakelijk voor de inning van de BTW en de controle daarop door de administratie. Een controle van de juistheid van de factuur en regelmatige inschrijving kan immers eveneens plaatsvinden op basis van de leveringsdatum op de factuur. De rechtbank van Brussel stelt bijvoorbeeld in een geval vast dat de administratie geen enkel argument geeft waarom de vermelding van het volgnummer voor haar noodzakelijk is.

In dit verband heeft het Hof van Justitie overigens al meermaals bevestigd dat “het recht op aftrek van btw een integrerend deel uitmaakt van het btw-stelsel en in beginsel niet beperkt kan worden”. De aftrekregeling heeft immers tot doel om de ondernemer volledig te ontlasten van de verschuldigde of betaalde btw. Aldus waarborgt het btw-stelsel een neutrale fiscale behandeling van de economische activiteit.

Naast de formele voorschriften dient de rechter daarom ook rekening te houden met het feit dat de prestaties van de leverancier werkelijk zijn geleverd alsmede met de goede trouw van de ontvanger van de dienst.

Het Hof van Justitie stelde voor het eerst in de zaak Genius Holding BV dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de vermeldingen op een factuur en de werkelijkheid van de gefactureerde leveringen.

Volgens het Hof van Justitie heeft de uitoefening van het recht op aftrek van btw steeds betrekking op een concrete belastbare handeling. Btw is in die zin aftrekbaar in de mate dat deze werkelijk is verschuldigd bij een concrete levering van goederen of de verrichting van diensten.

Het recht op aftrek wordt met andere woorden afhankelijk gemaakt van terecht gefactureerde btw. De economische werkelijkheid van de gefactureerde levering van goederen primeert, niet de vermelding op de factuur. Dit kadert binnen het principe van de neutraliteit inzake btw. De neutraliteit inzake btw impliceert immers dat de btw in de tussenschakels geen fiscale last mag opleveren. De eindgebruiker zal uiteindelijk de btw ten laste nemen, maar niet de tussenschakel. Ook het Hof van beroep van Antwerpen bevestigde dit leerstuk van de werkelijk geleverde prestaties in een arrest van 15 januari 2008.

Een afnemer te goeder trouw kan in die zin ook niet de dupe worden van fraude door de leverancier of dienstverrichter (die bijvoorbeeld factureert met een ongeldig BTW nummer). Enkel wanneer op grond van objectieve gegevens bewezen is dat een levering is gebeurd aan een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een btw-fraude (en dus te kwader trouw is), moet de nationale rechter het recht op aftrek echter weigeren. Wanneer vaststaat dat een belastingplichtige te goeder trouw heeft gehandeld zou de verwerping van de aftrek wijzen op een “te grote gestrengheid”.

Bij wijze van conclusie kan dan ook worden gesteld dat het recht op aftrek niet zomaar kan worden geweigerd omdat een bepaalde factuur in min of meerdere mate niet zou voldoen aan alle wettelijk voorziene formaliteiten. Het is zaak kritisch om te gaan met een controle waarbij om formele redenen het recht op aftrek wordt geweigerd.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.