Put opties en het verbod op leeuwenbeding - het blijft oppassen geblazen !

Put opties en het verbod op leeuwenbeding - het blijft oppassen geblazen !

Een van de basisprincipes van het vennootschapsrecht is het verbod op een leeuwenbeding of de ‘societas leonina’. Deze term werd voor het eerst gehanteerd door de Romeinse rechtsgeleerde Cassius Longinus die de mosterd haalde bij de fabel van Phaedrus over de leeuw, de koe, de geit en het schaap. Hierin gingen de dieren een vennootschap aan om samen op wild te jagen, maar toen de buit diende te worden verdeeld eiste de leeuw alle delen op, waardoor er dus geen sprake meer kon zijn van een geldige vennootschap.

Het beginsel van het verbod op leeuwenbeding is neergeschreven in artikel 32 van het wetboek vennootschappen, dat voorziet dat elke overeenkomst die aan één van de vennoten de gehele winst toekent, nietig is. Eveneens nietig is het beding waarbij de gelden of de goederen, door één of meer vennoten in de vennootschap ingebracht, worden vrijgesteld van elke bijdrage in het verlies. Het is net deze tweede zin die bijzondere aandacht verdient in het licht van het verlenen van een onherroepelijke put optie aan een medevennoot. Enerzijds is het namelijk een wezenlijke vereiste van de inbreng in een vennootschap dat deze bijdraagt in de vennootschapsverliezen. Anderzijds is de begunstigde van een put optie gerechtigd zijn aandelen na verloop van een bepaalde termijn of bij het in vervulling gaan van bepaalde voorwaarden te verkopen aan een vooraf bepaalde prijs. Dit betekent meteen dat een put optie in beginsel neer komt op een verboden leeuwenbeding indien de vaste uitoefenprijs minstens gelijk is aan de waarde van de inbreng van de begunstigde of de prijs die deze heeft betaald om de aandelen te verwerven. Het Hof van Cassatie heeft echter in een aantal arresten één en ander genuanceerd.

Het Hof van Cassatie oordeelde in 1998 in haar bekende Torrespapelarrest dat alleen het beding verboden is dat ertoe strekt het evenwicht in de vennootschapsovereenkomst te verstoren, of dat, wanneer het schijnbaar een ander voorwerp heeft, in werkelijkheid toch hetzelfde doel beoogt. Uit dit arrest werd de leer van de oorzakelijke onafhankelijkheid afgeleid. Een overeenkomst die los staat van het vennootschapscontract en die niet beoogt te raken aan de vennootschapsverhoudingen kan geen miskenning zijn van het verbod op een leeuwenbeding, wat de inslag op de winst- en verliesdeelname van de vennoten ook moge zijn. De werkelijke bedoeling van de partijen is hierbij doorslaggevend. Deze leer veronderstelt aldus een dubbele vraagstelling. Raakt de overeenkomst volgens de werkelijke bedoeling van de partijen aan de vennootschapsrechtelijke evenwichten, en zo ja, wordt hierdoor één van de vennoten uitgesloten van de winst of vrijgesteld van het verlies? Indien één van deze vragen negatief kan worden beantwoord in het licht van de concrete feiten, wordt de overeenkomst niet beschouwd als een verboden leeuwenbeding. Dit maakt dat opdat dergelijk beding nietig zou zijn, vereist is dat partijen de bedoeling hadden met dit beding te raken aan de vennootschapsverhoudingen en dat een van de partijen hierbij werd vrijgesteld van elke deelname in de winsten of verliezen.

Het Hof van Cassatie versoepelde voormelde toetssteen nog verder in haar arrest van 29 mei 2008. Het Hof stelde dat een overeenkomst waarbij een partij een participatie neemt in een vennootschap onder het beding dat de overige vennoten deze aandelen tegen een vaste prijs zullen terug kopen na een bepaalde termijn of bij vervulling van een bepaalde voorwaarde, geen verboden leeuwenbeding is wanneer deze overeenkomst louter het vennootschapsbelang dient. Hierbij moet echter rekening worden gehouden met de concrete feiten die aanleiding gaven tot het arrest. Het betrof namelijk een participatiefonds dat louter was toegetreden tot een vennootschap met het oog op het verschaffen van het benodigde kapitaal. Het participatiefonds kreeg hierbij de zekerheid om later uit te stappen zonder te delen in de verliezen. Hieruit kan worden afgeleid dat de put optie, verleend aan een loutere geldschieter en die hem vrijstelt van het risico om te delen in de vennootschapsverliezen, niet per se verboden is. Indien deze financieringsconstructie enkel het vennootschapsbelang dient, is zij toegelaten; voor de geldschieter die zich echter actief wenst in te laten met het beleid van de vennootschap blijft het echter oppassen geblazen.

Partijen mogen met dergelijke put optie niet de bedoeling hebben om te raken aan het vennootschapscontract en de begunstigde vrij te stellen van elke deelname in de verliezen, of het moet de situatie betreffen waar een loutere geldschieter de nodige middelen verschaft met zekerheid op terugbetaling. In de rechtspraak van het Hof van Cassatie valt aldus een bereidheid te ontwaren om de draagwijdte van het verbod op leeuwenbeding enigszins te beperken. Opvallend hierbij is dat het verbod op leeuwenbeding op vandaag enkel nog gekend is en gehandhaafd wordt in het Franse en Belgische recht. Vraag is dan ook hoelang en in welke mate artikel 32 van het wetboek vennootschappen de contractsvrijheid van vennoten in de toekomst nog zal begrenzen lijkt beperkt. ‘Societas Leonina, quo vadis?’.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.