Overheidsopdrachten voortaan toegankelijker voor KMO’s – nieuw wettelijk kader!

Overheidsopdrachten voortaan toegankelijker voor KMO’s – nieuw wettelijk kader!

Op 14 juli 2016 verscheen de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten in het Belgisch Staatsblad. De wet zorgt voor de omzetting van de Europese richtlijnen 2014/24/EU (overheidsopdrachten in de klassieke sectoren) en 214/25/EU (overheidsopdrachten in de speciale sectoren) en moet binnenkort de Overheidsopdrachtenwet van 15 juni 2006 vervangen. Voor de eigenlijke inwerkingtreding is het nog even wachten op een koninklijk besluit dat de datum van inwerkingtreding zal vaststellen.

Wat zijn nu de belangrijkste nieuwigheden uit deze nieuwe overheidsopdrachtenwet?

Vooreerst voert de wet naast de drie bestaande, algemene beginselen (gelijke behandeling, verbod tot discriminatie en transparantie) een vierde algemeen beginsel in, nl. het proportionaliteitsbeginsel. Dit algemeen beginsel vloeit rechtstreeks voort uit Europese rechtspraak. Aanbestedende overheden hebben voortaan een wettelijke plicht om een proportionaliteitstoets door te voeren wanneer zij facultatieve uitsluitingsgronden wensen te hanteren. Zo zullen kleine onregelmatigheden in de inschrijving nog slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een ondernemer kunnen leiden.

Een tweede, belangrijke wijziging is dat de communicatie en de informatie-uitwisseling tussen de aanbesteder en de ondernemers voortaan via elektronische communicatiemiddelen moet gebeuren. Denk hier bijvoorbeeld aan de indiening en de ontvangst van de offertes. Afwijkingen van deze elektronische communicatie zullen enkel nog mogelijk zijn in een beperkt aantal gevallen.

Voorts zullen er voortaan meer keuzemogelijkheden bij plaatsingsprocedures zijn. De plaatsing van overheidsopdrachten gebeurt in het vervolg volgens één van de volgende procedures: (i) de openbare procedure, (ii) de niet-openbare procedure, (iii) de mededingingsprocedure met onderhandeling, (iv) de concurrentiegerichte dialoog, (v) het innovatiepartnerschip en (vi) de vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking.

De wet maakt niet langer een onderscheid tussen de ‘aanbesteding’ en de ‘offerteaanvraag’, maar enkel nog tussen de ‘openbare’ of de ‘niet-openbare’ procedure. Daarnaast wordt de toepassing van de verschillende onderhandelingsprocedures grondig versoepeld en wordt er ook een nieuw onderhandelingsregime toegevoegd: het innovatiepartnerschap. De nieuwe wet bevat geen definitie van deze procedure, maar uit de memorie van toelichting blijkt dat deze procedure gericht is op het onderzoek en de ontwikkeling van innovatieve producten, diensten of werken en de daaropvolgende aankoop van de werken, leveringen of diensten die uit deze ontwikkelingen voortvloeien. Deze procedure kan toegepast worden wanneer de beschikbare werken, leveringen of diensten niet van aard zijn om te voorzien in de behoeftes van aanbestedende overheid. 

De inbreuken op de milieuwetgeving worden ook belangrijker, en komen op hetzelfde niveau te staan als de inbreuken op het sociaal recht en het arbeidsrecht. Dergelijke schendingen kwalificeren voortaan eveneens als facultatieve uitsluitingsgronden.

Nog een nieuwe, facultatieve uitsluitingsgrond is de uitsluiting op basis van de zogenaamde bad prior performance. Dit betekent dat de aanbestedende overheid een ondernemer kan uitsluiten wanneer de kandidaat of inschrijver blijk heeft gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift tijdens een eerdere overheidsopdracht, een eerdere opdracht van een aanbesteder of een eerdere concessieovereenkomst, èn dit geleid heeft tot ambtshalve maatregelen, schadevergoedingen of vergelijkbare sancties.

De aanbestedende overheid kan de opdrachten in afzonderlijke percelen verdelen. Wanneer de geraamde waarde van opdrachten voor werken, leveringen en/of diensten gelijk is aan of hoger is dan 135.000 EUR moèten de aanbestedende overheden de verdeling in percelen overwegen. Indien een opdracht in percelen kan worden opgedeeld, maar de aanbestedende overheid beslist om dit niet te doen, moet zij motiveren waarom. Deze vernieuwde bepaling is er voornamelijk op gericht om de toegang tot overheidsopdrachten voor KMO’s te vergemakkelijken.

De gunning van de opdracht wordt door de aanbestedende overheid gebaseerd op de economisch meest voordelige offerte, waarbij kan worden rekening gehouden met (i) de prijs, (ii) de kosten (rekening houdend met kosteneffectiviteit), en (iii) de beste prijs-kwaliteitverhouding. Voor dit laatste criterium kunnen bv. de leveringsvoorwaarden gelden, alsook de klantenservice of milieu- of sociale aspecten (bv. de opleiding van het personeel).

Een laatste belangrijke wijziging betreft de bepalingen met betrekking tot het in-house-toezicht. Een samenwerking tussen twee overheidsdiensten valt in principe niet onder de overheidsopdrachtenwet, maar omdat dergelijke samenwerking volgens de wetgever in geen geval tot een vervalsing van de mededing mag leiden, bevat de nieuwe wet voor het eerst ook bepalingen omtrent zogenaamde in-house-opdrachten.

Op de effectieve inwerkingtreding van de nieuwe overheidsopdrachtenwet is het voorlopig nog even wachten. Niettemin is het opzet van de wetgever duidelijk: een ruimere toegang tot de overheidsopdrachten voor de KMO’s, een soepeler kader voor de aanbestedende overheden, een betere bescherming van het milieu en een toename van het gebruik van elektronische middelen. Het initiatief om dit wettelijk kader up te daten en te stroomlijnen, kan enkel toegejuicht worden. 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.