Onterven van de echtgenoot : oude(re) liefde roest ... af en toe...

Onterven van de echtgenoot : oude(re) liefde roest ... af en toe...

Het erfrechtelijk aandeel van de langstlevende bij het overlijden van zijn of haar echtgenoot is afhankelijk van of en welke andere erfgenamen er naast de langstlevende echtgenoot zijn.

De langstlevende echtgenoot kan vooreerst samen opkomen met kinderen van de erflater (ook als deze niet gemeenschappelijk zijn). De langstlevende echtgenoot verkrijgt dan het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap; de kinderen verkrijgen de blote eigendom.

De langstlevende echtgenoot kan voorts samen opkomen met andere bloedverwanten van de erflater; hier erft de langstlevende de volle eigendom van het deel van de erflater in het gemeenschappelijk vermogen en het vruchtgebruik van het eigen vermogen van de erflater.

De langstlevende echtgenoot kan tot slot opkomen zonder erfgerechtigde bloedverwanten van de erflater; alsdan bekomt de langstlevende de volledige nalatenschap in volle eigendom.

Van deze principes kan de erflater sowieso afwijken door bijvoorbeeld allerlei giften of legaten.

De langstlevende echtgenoot heeft evenwel hoe dan ook recht op een reserve, te weten het vruchtgebruik op de helft van de goederen van de nalatenschap. Minstens dient de langstlevende het vruchtgebruik op de gezinswoning te bekomen.

In tegenstelling tot de erfrechtelijke reserve van de kinderen kan deze reserve van de langstlevende worden ontnomen.

Een eerste geval betreft de feitelijke scheiding. Een louter feitelijke scheiding leidt evenwel niet automatisch tot onterving. De onterving bij echtgenoten die feitelijk gescheiden zijn is onderhevig aan de vervulling van drie vrij formalistische voorwaarden (artikel 915bis § 3 Burgerlijk Wetboek). Allereerst moeten de echtgenoten op het ogenblik van overlijden minstens zes maanden gescheiden leven. De echtgenoot die wil overgaan tot onterving dient daarenboven een vordering te hebben ingesteld bij de vrederechter tot het bekomen van een afzonderlijke woonst. Hierbij is een positieve uitspraak geen vereiste; het louter instellen van de vordering is voldoende. De vordering dient wel uit te gaan van de echtgenoot die wil onterven. Het is immers niet zo dat doordat echtgenoot A de vordering instelt, echtgenoot B ook hierdoor één van de voorwaarden van onterving vervult. Ten slotte dient bij testament ieder erfrecht ontnomen te worden van de echtgenoot.

Voor de duidelijkheid: indien echtgenoten meer dan zes maanden feitelijk gescheiden leven en elkaar wensen te onterven dan dienen zij beiden deze vordering tot afzonderlijk verblijf in te stellen en dienen zij beiden een testament op te stellen waarin de onterving wordt gestipuleerd.

Ook tijdens het verloop van een procedure door onderlinge toestemming kan het aangewezen zijn reeds te voorzien in een onterving tussen echtgenoten voor het geval er een overlijden plaatsvindt tijdens het verloop van de echtscheidingsprocedure. In de regelingsakte dienen echtgenoten alsdan uitdrukkelijk en wederzijds te bedingen dat zij elkaar wederzijds onterven (artikel 1287 lid 3 Gerechtelijk Wetboek).

Tot slot kan ook bij een tweede huwelijk het nieuwe koppel elkaars erfrechten beperken, bijvoorbeeld in het voordeel van kinderen uit een eerste huwelijk. Dit kan gebeuren via een huwelijkscontract (bij het aangaan van het huwelijk of later door wijziging van het huwelijksstelsel) (artikel 1388 lid 2 Burgerlijk Wetboek). In geen geval kan evenwel het recht van vruchtgebruik op de gezinswoning worden ontnomen. 

Het onterven van de langstlevende kan wel degelijk zijn nut hebben. Alleen dient men enkele strikte vormvoorschriften na te leven wil men hier ook in slagen…

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.