Onroerende voorheffing en "weldadigheidsinstelling" - vrijstelling krijgt eigentijdse invulling ...

Onroerende voorheffing en "weldadigheidsinstelling" - vrijstelling krijgt eigentijdse invulling ...

Een aantal onroerende goederen kunnen genieten van de vrijstelling onroerende voorheffing. Het betreft de onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk aanwendt voor de eredienst, of vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, als hospitaal, kliniek, dispensarium, rusthuis, vakantiehuis voor kinderen of gepensioneerden, of “soortgelijke weldadigheidsinstellingen” (art. 253, 1° WIB 92 juncto artikel 12 §1 WIB 92). Voor deze vrijstelling dient er aan twee voorwaarden te zijn voldaan: het gebrek aan winstoogmerk en het bestaan van een zogenaamde filantropische bestemming. Hierna wordt dieper ingegaan op enkele aspecten van deze vrijstelling die nog steeds voer voor discussie vormen. Zo ondermeer wat er onder het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” dient te worden begrepen en in wiens hoofde het gebrek aan winstoogmerk bij de bestemming van een onroerend goed dient getoetst in geval van een verhuur.

“Weldadigheid” – What’s in a name?

Het begrip “weldadigheid” kan worden gedefinieerd als “liefdadigheid”, “barmhartigheid”, “filantropie” of “naastenliefde”. Volgens het hof van beroep van Gent, in een arrest van 22 december 2009, is weldadigheid niets anders dan “weldadig zijn”. Daarbij verwijst het hof naar het Van Dale woordenboek volgens het welk “weldadig” betekent “goed doend aan armen en behoeftigen”. Nog volgens het hof dient “weldadigheid” in zijn moderne of actuele betekenis te worden begrepen.

Maar wat is dan een “soortgelijke weldadigheidsinstelling”?  Volgens het Vlaamse Gewest moet het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” beperkend worden uitgelegd en kan het alleen slaan op de begrippen die in de tekst van artikel 12 WIB 92 voorafgaan. De gemene deler tussen de diverse in de wet expliciet vermelde weldadigheidsinstellingen is volgens de administratie “de opvang, de verpleging of de verzorging van mensen”. De tewerkstelling van kansarmen als middel om de armoede te bestrijden zou, nog steeds volgens de administratie, bijgevolg niet kwalificeren als een “soortgelijke” weldadigheidsinstelling.

Het komt evenwel voor dat de administratie het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” te strikt interpreteert. In een recent arrest oordeelde het Hof van Cassatie dat met “soortgelijke weldadigheidsinstelling” die instellingen worden bedoeld die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken (Cass. 24 mei 2012). Ook een arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juni 2007 is dienaangaande zeer verhelderend. Het arrest antwoordt op een zogenaamde prejudiciële vraag. Deze vraag strekt er toe te weten of er geen sprake is van een ongrondwettelijke discriminatie in de hypothese dat voornoemde bepalingen zouden inhouden dat rusthuizen worden vrijgesteld van onroerende voorheffing terwijl instellingen die andere categorieën van personen dan bejaarden opvangen niet dezelfde vrijstelling zouden genieten. Het Grondwettelijk Hof geeft zelf een reeks voorbeelden van die laatstgenoemde categorieën met name gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen. In zijn antwoord op de prejudiciële vraag wijst het Hof op de doelstelling van de vrijstelling die erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe werden aangewend, fiscaal te begunstigen. Het kan volgens het Hof niet ernstig worden betwist dat instellingen waar, zonder winstoogmerk, andere hulpbehoevende personen dan bejaarden worden opgevangen als soortgelijke weldadigheidsinstelling worden beschouwd. In het licht van deze rechtspraak lijkt evenmin ernstig te kunnen worden betwist dat instellingen die aan armenzorg doen door kansarmen op te vangen kwalificeren als soortgelijke weldadigheidsinstelling; zoals de zogenaamde erkende sociale werkplaatsen die middels het aanbieden van tewerkstelling op maat kansarmen uit de kansarmoede willen helpen. Andere voorbeelden uit de rechtspraak zijn een VZW die telefonische anonieme hulp en bijstand verstrekt aan mensen met problemen (tele-onthaal); de opvang van kinderen geplaatst door een rechter, de voorbereiding van blinden op een zelfstandig leven, het opslaan van eetwaren die gratis worden verdeeld aan behoeftigen, de huisvestiging van jonge daklozen, een voetbalclbub voor jongeren, thuisverpleging en verzorging (Wit-Gele Kruis), etc.

Verhuur en gebrek aan winstoogmerk

Ook de voorwaarde dat het onroerend goed moet worden bestemd zonder winstoogmerk blijft een bron van discussie. Dit geldt in het bijzonder wanneer dit onroerend goed door de weldadigheidsinstelling wordt gehuurd van een vennootschap. Deze vennootschap kwalificeert in de meeste gevallen niet als een weldadigheidsinstelling en het betrokken onroerend goed genereert voor de vennootschap huurinkomsten. Vraag is dan of de voorwaarde van het gebrek aan winstoogmerk bij het bestemmen van het betrokken onroerend goed moet zijn vervuld zowel in hoofde van de eigenaar (“belastingplichtige”) als in hoofde van de huurder (“bewoner”).
 
Het standpunt dat de administratie thans inneemt, houdt in dat de voorwaarde van het gebrek aan winstoogmerk bij het bestemmen van het onroerend moet zijn vervuld in hoofde van zowel de eigenaar als de huurder. De rechtspraak van haar kant is dienaangaande verdeeld, zelfs op het niveau van de hoven van beroep. Voor zover bekend heeft het Hof van Cassatie zich dienaangaande nog niet uitgesproken.

De wet is nochtans duidelijk. Daarin staat immers: “Vrijgesteld zijn de inkomsten van onroerende goederen (…) die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerken heeft bestemd (…)” (artikel 12 §1 WIB 92). Het komt ons voor dat deze wettekst slechts voor één lezing vatbaar is en geen ruimte laat voor interpretatie: in de wet staat immers duidelijk vermeld dat de betrokken voorwaarde moet zijn vervuld bij de belastingplichtige “of” de bewoner: er staat niet “en”. Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie moet er, indien de wettekst duidelijk is, geen andere betekenis achter worden gezocht en mag hij niet worden aangevuld. Van het voorgaande kan overigens bevestiging worden gezien in een administratieve circulaire van 15 september 1998. Het komt ook niet meer dan logisch voor: het is uiteindelijk de huurder die het onroerend goed bestemt voor liefdadigheid en aan wie de vrijstelling desgevallend ten goede komt. In de huurovereenkomsten is immers meestal voorzien dat de onroerende voorheffing – en bijgevolg een eventuele vrijstelling – voor rekening is van de huurder. Ten slotte lijkt het niet redelijk verantwoord dat een liefdadigheidsinstelling-eigenaar de vrijstelling zou kunnen genieten terwijl een zelfde liefdadigheidsinstelling die het betrokken onroerend goed huurt deze vrijstelling niet zou kunnen genieten. De doelstelling van de vrijstelling is immers, zoals hoger geduid, de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen. Daarbij is het feit of het betrokken onroerend goed eigendom is dan wel wordt gehuurd niet relevant. Het komt aangewezen voor, wanneer de gelegenheid zich voordoet, het Grondwettelijk Hof dienaangaande te ondervagen middels een prejudiciële vraag.

In essentie kan de vrijstelling van onroerende voorheffing door de belastingplichtige of bewoner worden geclaimd wanneer een onroerend goed zonder winstoogmerk wordt bestemd voor filantropische doeleinden. Er zijn goede argumenten om aan te nemen dat het volstaat dat het onroerend goed – zonder winstoogmerk - wordt bestemd door een instelling die hulpbehoevenden (in de ruime zin van het woord) opvangt. Bovendien komt het voor dat in geval van een gehuurd onroerend goed het gebrek aan winstoogmerk enkel dient aanwezig te zijn in hoofde van de huurder aan wie de vrijstelling uiteindelijk toekomt. Een andere uitlegging van de wet lijkt ongelijkheden te creëren waarvan het zeer de vraag is of zij de toetst aan het wettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel doorstaat. Wordt ongetwijfeld vervolgd...

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.