“Only fools never change their minds” – voorafgaande kennisgeving volgens Cassatie dan toch vereist bij onderzoek ten aanzien van derden!

“Only fools never change their minds” – voorafgaande kennisgeving volgens Cassatie dan toch vereist bij onderzoek ten aanzien van derden!

In de inkomstenbelastingen is de normale aanslag- en tevens onderzoekstermijn 3 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd (art. 354 lid 1 WIB 92, art. 333 lid 1 en lid 2 WIB 92). Concreet eindigt bij voorbeeld voor inkomstenjaar 2009 (aanslagjaar 2010) de normale aanslag- en onderzoekstermijn in principe op 31 december 2012.  Deze termijn kan met 4 jaar worden verlengd (in het voorbeeld tot eind 2016) wanneer de inbreuken op het wetboek gebeuren met een bedrieglijk opzet (art. 354 lid 2 WIB 92).

Wanneer de fiscus in deze aanvullende termijn van 4 jaar (in het voorbeeld: voor het belastbaar tijdperk 2013 tot en met 2016) nog onderzoek wil voeren, dient zij evenwel vooraf aan dit onderzoek de belastingplichtige op schriftelijke en nauwkeurige wijze kennis hebben gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die ten aanzien van de betrokken belastingplichtige bestaan. Gezien de voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag (art. 333 lid 3 WIB 92), is het voor ieder dossier zaak te verifiëren of de fiscus de regels inzake de voorafgaande kennisgeving heeft gerespecteerd.

In dit verband was er jarenlang discussie of de voorafgaande kennisgeving enkel diende te gebeuren wanneer de fiscus tijdens de verlengde termijn onderzoek wil voeren bij de belastingplichtige zelf dan wel of deze kennisgeving ook diende te gebeuren wanneer het onderzoek zou worden gevoerd bij derden. We denken dan bij voorbeeld aan de situatie waar de fiscus met betrekking tot de toestand van een belastingplichtige stukken of inlichtingen opvraagt bij zijn leverancier, aan een openbare dienst of een andere derde.

De wettekst zelf lijkt wat betreft de vereiste inzake de voorafgaande kennisgeving geen onderscheid te maken  of er nu sprake is van een onderzoek bij de belastingplichtige zelf of bij derden.  In verscheidene arresten heeft het Hof van Cassatie daarover nochtans anders beslist: de kennisgeving diende volgens deze arresten enkel te gebeuren bij onderzoek bij de belastingplichtige zelf en dus niet bij een onderzoek bij derden (Cass. 18 november 2010; Cass. 14 oktober 1999).

Naar aanleiding van twee recente arresten is het Hof van Cassatie nu op haar rechtspraak teruggekomen (Cass. 20 mei 2016; Cass. 12 februari 2016). Cassatie maakte een analyse van de betrokken wetsartikelen en van de hoofdstukken van het wetboek van inkomstenbelastingen waartoe zij behoren. Daaruit leidde Cassatie af dat als de onderzoeksdaden tijdens de verlengde onderzoekstermijn betrekking hebben op de ‘toestand van een belastingplichtige’, de administratie deze belastingplichtige voorafgaandelijk in kennis moet brengen van de aanwijzingen van belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan en dat ongeacht de persoon bij wie deze onderzoeksdaden moeten plaats hebben”

Stel de fiscus beschikt over aanwijzingen van fraude bij een bepaalde handelaar. Wanneer  tijdens de verlengde onderzoekstermijn de fiscus stukken (facturen, bestelbons, etc) heeft opgevraagd bij zijn leveranciers zonder voorafgaandelijk de handelaar in kennis te hebben gesteld van de aanwijzingen van fraude waarover zij beschikt, is de aanslag nietig.

Het betreft overigens een nietigheid die via een herbelasting (hertaxatie of subsidiaire aanslag) niet lijkt te kunnen worden opgelost aangezien er ook in het kader van de herbelasting steeds sprake zal blijven van een verboden voorafgaande onderzoeksdaad (zie in dit verband Antwerpen 10 maart 2015).

Er moet wel sprake zijn van onderzoek. Dit is volgens de rechtspraak bij voorbeeld niet het geval bij het louter consulteren van een privédatabank met daarop gegevens van bedrijven, bij het opstellen en verzenden van een bericht van wijziging en bij de (zelfs herhaalde) inzage van een gerechtsdossier.

Wanneer de administratie inzake de inkomstenbelastingen nog onderzoeksdaden wil stellen nadat de gewone onderzoekstermijn is verstreken, moet zij de belastingplichtige voorafgaandelijk in kennis stellen van de aanwijzingen van belastingontduiking waarover zij beschikt. Tot voor kort was Cassatie van oordeel dat deze kennisgeving enkel vereist was wanneer het onderzoek gebeurt bij de belastingplichtige zelf en niet bij bijvoorbeeld zijn leverancier of werkgever. Het Hof van Cassatie komt nu terug op zijn rechtspraak. Als de onderzoeksdaden tijdens de verlengde onderzoekstermijn betrekking hebben op de ‘toestand van een belastingplichtige’, moet de kennisgeving gebeuren ongeacht de persoon bij wie deze onderzoeksdaden plaats hebben.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.