Omzetten van artsenpraktijk in vennootschap - hof van cassatie sluit verhuur praktijk niet uit !

Omzetten van artsenpraktijk in vennootschap - hof van cassatie sluit verhuur praktijk niet uit !

Recente rechtspraak doet opnieuw heel wat stof opwaaien omtrent de vraag of het verhuren van een handelsfonds of de praktijk van een vrij beroep door een natuurlijke persoon (die zijn activiteit in eigen naam stopzet) aan een door hem opgerichte vennootschap wel kan, en of de aldus ontvangen huurgelden kunnen kwalificeren als roerende inkomsten in de zin van artikel 17, § 1, 3° WIB 92 (belastbaar aan het voordelig tarief van 15 % (artikel 171, 2°bis WIB 92)).

In een eerder nummer van ons magazine hebben wij gesteld dat dit perfect kan, zij het mits een goede aanpak aan de dag wordt gelegd, onder meer door een consequente feitelijke stopzetting van de eenmanszaak, door een goed geredigeerde huurovereenkomst, … (TFI rubriek ‘Onderneming en Fiscaliteit’, februari 2010, Stijn Lamote en Dries Verhaeghe, “Verhuur handelsfonds: een fiscaal voordelig alternatief bij omzetting in vennootschap”).

De administratie stelt in bepaalde gevallen, in hoofdzaak bij vrije beroepers, dat dergelijke huurinkomsten eigenlijk verdoken bedrijfsleidersbezoldigingen zouden zijn in de zin van artikel 32 juncto artikel 30, 2° WIB 92 en derhalve belastbaar zouden zijn aan het progressief tarief (hetwelk kan oplopen tot 50 %).

Als argument daartoe werpt de administratie in deze gevallen op dat het verhuren van bij voorbeeld een artsenpraktijk op zich niet zou kunnen aangezien dit geen voorwerp zou zijn dat in de handel is, en dat het bijgevolg de natuurlijke persoon zou zijn die in werkelijkheid de activiteit verder zet (en niet de vennootschap). Alleen al in die zin zouden dergelijke huurovereenkomsten volgens de administratie gesimuleerd zijn.

De administratie meent zich wat dit standpunt betreft gesterkt te weten door recente rechtspraak, meer in het bijzonder door een arrest van het Hof van Beroep van Gent van 9 maart 2010 hetwelk niet werd verbroken door het Hof van Cassatie in een arrest van 19 januari 2012 jongstleden. Ook in een aantal vaktijdschriften ontstond nogal wat deining naar aanleiding van voormeld cassatie-arrest, waarbij men nogal snel tot de conclusie lijkt te komen dat het Hof van Cassatie de mogelijkheid tot het verhuren van een artsenpraktijk aan een artsenvennootschap zou uitstluiten.

Maar is dat wel zo? Kan aan de recente rechtspraak, in het bijzonder van het Hof van Cassatie, het gevolg worden gekoppeld dat bij voorbeeld een artsenpraktijk op zich niet meer zou kunnen worden verhuurd aan een eigen opgerichte vennootschap? Een nadere analyse van het cassatie-arrest van 19 januari 2012 leert dat dit niet het geval lijkt te zijn.

(1)

Een arts verhuurde blijkens de huurovereenkomst in kwestie “het recht op de uitbating van het cliënteel verbonden aan de éénmanszaak (huisartsenpraktijk)” aan zijn eigen opgerichte doktervennootschap. De aldus door de arts (natuurlijke persoon) ontvangen huurgelden werden aangegeven als roerende inkomsten in de zin van artikel 17, § 1, 3° WIB 92.

(2)

De Rechtbank van Eerste Aanleg van Brugge bevestigt bij vonnis van 9 september 2008 dat uit de feiten en stukken (onder meer uit de huurovereenkomst) duidelijk was gebleken dat de beroepswerkzaamheid in persoonlijke naam werd stopgezet, dat het de professionele artsenvennootschap was die voortaan het cliënteel in eigen naam en voor eigen rekening beheerde alsook dat die artsenvennootschap perfect kon overgaan tot het huren van cliënteel en hiervan het gebruik en het genot kan hebben. Dat cliënteel niet verhuurd zou kunnen worden wijst de rechtbank dus van de hand.

(3)

Het Hof van Beroep van Gent heeft voormeld vonnis bij arrest van 9 maart 2010 vernietigd, in essentie gesteld om reden dat het Hof meent dat het cliënteel van een geneesheer geen roerend goed of recht zou zijn van de geneesheer waarover men kan beschikken. Men zou de cliëntele derhalve niet kunnen verhuren. Volgens het Hof was het de natuurlijke persoon-zaakvoerder die de patiënten verder behandelde en de geneeskunde verder beoefende en niet de vennootschap. In die zin zou de betrokken huurovereenkomst tot verhuur van het recht op uitbating van het cliënteel gesimuleerd zijn en zouden de huurinkomsten te kwalificeren zijn als bezoldiging van bedrijfsleiders in de zin van artikel 32 juncto 30, 2° WIB 92.

(4)

Nadat tegen voormeld arrest van het Hof van Beroep van Gent cassatie-beroep werd aangetekend heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof van Cassatie zich daaromtrent in een conclusie van 28 juni 2011 uitgesproken. De Advocaat-Generaal stelde hierbij (los van het feit dat in diens conclusie om andere redenen wordt geadviseerd om de cassatie-voorziening te verwerpen) uitdrukkelijk voorop dat de inbreng van cliënteel van een dokter in een artsenvennootschap wel degelijk mogelijk is en dat het Hof van Beroep van Gent wat dit betreft uitgaat van een verkeerde voorstelling van het begrip cliënteel.

Inzonderheid stelt de Advocaat-Generaal dat de meeste cliënten (patiënten) inert zijn en blijven gaan waar ze dat gewoon zijn, waarbij het irrelevant is of de arts hen uit eigen naam dan wel als werkend vennoot van een vennootschap behandelt; het is volgens de Advocaat-Generaal de waarschijnlijkheid dat de patiënten zullen blijven gaan waar ze dat gewoon zijn die een voorspelbare bron van toekomstige inkomsten oplevert en derhalve een in geld waardeerbaar actief uitmaakt dat kan worden verhuurd.

(5)

Het Hof van Cassatie stelt tenslotte in haar voornoemd arrest van 19 januari 2012 dat de appelrechters in de betrokken casus naar recht hebben kunnen oordelen dat niet de vennootschap maar wel de natuurlijke persoon-zaakvoerder (dokter) ook na de litigieuze overeenkomst in werkelijkheid de arts is die de geneeskunde uitoefent en dat de overeenkomst tot het verhuren van het recht op de uitbating van het cliënteel in die zin fictief en gesimuleerd zou zijn geweest.

Het Hof van Cassatie wijst hiertoe in het bijzonder naar artikel 2, § 1 van de Wet Gezondheidsberoepen, dat bepaalt dat niemand de geneeskunde mag uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde.

Voor het overige spreekt het Hof van Cassatie zich niet uit over het standpunt van het Hof van Beroep van Gent als zou een artsenpraktijk op zich niet verhuurd zou kunnen worden. Het Hof spreekt alvast het standpunt van de Advocaat-Generaal wat dit punt betreft niet tegen.

(6)

Uit het arrest van het Hof van Cassatie kan dan ook louter worden afgeleid dat het verhuren van hetrecht op de uitbating van cliënteel van een artsenpraktijk”, wat zou kunnen neerkomen op het recht te verhuren om de geneeskunde uit te oefenen, niet zou kunnen gelet op het feit dat enkel de persoon die daartoe het vereiste diploma heeft de geneeskunde zelf kan uitoefenen (Wet Gezondheidsberoepen). Een vennootschap is geen titularis terzake en kan dit recht derhalve niet huren.

De manier wordt de overeenkomst in kwestie was opgesteld, meer bepaald het feit dat in de huurovereenkomst het recht op de uitbating van het cliënteel werd verhuurd (het recht om de geneeskunde uit te oefenen werd zodus verhuurd) bleek met andere woorden een doorn in het oog van het Hof van Cassatie.

Uit het arrest kan anderzijds geenszins worden afgeleid dat het cliënteel op zich, als bestanddeel van de artsenpratijk, niet verhuurd zou kunnen worden aan de artsenvennootschap. Evenmin kan uit het cassatie-arrest worden afgeleid dat het onmogelijk zou zijn voor een vennootschap met rechtspersoonlijkheid om de geneeskunde (door tussenkomst van haar zaakvoerder) uit oefenen; dit zou een flagrante miskenning betekenen van de rechtsgeldigheid van professionele (artsen)vennootschappen.

(7)

Ook in de meeste recente rechtspraak van de Hoven van Beroep wordt alvast niet aangenomen dat cliënteel niet verhuurd zou kunnen worden (Gent, 4 oktober 2011; Luik, 22 februari 2012).

Het Hof van Cassatie sluit niet uit dat een artsenpraktijk op zich verhuurd zou kunnen worden aan een zelf opgerichte vennootschap. Het Hof van Cassatie sluit louter uit dat het recht op de uitbating van het cliënteel, wat zou kunnen neerkomen op het recht het beroep van arts zelf uit te oefenen, verhuurd zou kunnen worden. Ook na deze recente rechtspraak van onder meer het Hof van Cassatie blijft het verhuren van een artsenpraktijk aan een artsenvennootschap met andere woorden wel degelijk mogelijk en kunnen de huurgelden nog steeds kwalificeren als roerende inkomsten belastbaar aan het voordelig tarief van 15 %. Eén en ander blijft uiteraard wel afhankelijk van de specifieke omstandigheden eigen aan elke zaak (de effectieve stopzetting van de éénmanszaak; het voorliggen van een niet-gesimuleerde en goede uitgebalanceerde huurovereenkomst; het bedrag van de ontvangen huurinkomsten en van de daarnaast ontvangen bedrijfsleidersbezoldigingen; …). 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.