NOTIONELE INTERESTAFTREK: CORRECTIE VOOR BUITENLANDSE VASTE INRICHTINGEN EN ONROERENDE GOEDEREN GEWIJZIGD !

NOTIONELE INTERESTAFTREK: CORRECTIE VOOR BUITENLANDSE VASTE INRICHTINGEN EN ONROERENDE GOEDEREN GEWIJZIGD !

Met ingang van aanslagjaar 2014 kent de wetgeving inzake de notionele interestaftrek alweer een belangrijke wijziging, ditmaal voor wat betreft de correctie voor buitenlandse vaste inrichtingen of onroerende goederen waarvan de winst in België is vrijgesteld krachtens een dubbelbelastingverdrag (artikel 205ter, §2 en §3 WIB’92). Het Europees Hof van Justitie bevond deze correctie voor vaste inrichtingen via een beperking van de berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek immers strijdig met de Europese vrijheid van vestiging (‘Argenta-arrest’ H.v.J. C-350/14 juli 2013). Met de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen heeft de wetgever getracht tegemoet te komen aan dit arrest door van de beperking van de berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek een beperking van de aftrek zelf te maken. Bovendien wordt voor buitenlandse vaste inrichtingen en onroerende goederen gelegen binnen de EER de beperking voortaan beperkt tot hun positief resultaat. De vraag rijst of hiermee de belemmering van de vrijheid van vestiging is weggewerkt… de Raad van State trekt dit alvast in twijfel.

correctie buitenlandse vaste inrichtingen en onroerende goederen

Sinds 1 januari 2006 kunnen Belgische vennootschappen en vaste inrichtingen genieten van de notionele interestaftrek; ze kunnen een fictieve rente op hun ‘risicokapitaal’ in mindering brengen van hun belastbare grondslag. Het in aanmerking te nemen ‘risicokapitaal’ stemt overeen met het boekhoudkundig eigen vermogen van de vennootschap, weliswaar op bepaalde punten gecorrigeerd om o.m. cascade-aftrekken en misbruiken te voorkomen.

Het boekhoudkundig eigen vermogen wordt onder meer gecorrigeerd indien een vennootschap een buitenlandse vaste inrichting of onroerend goed heeft waarvan de winst in België is vrijgesteld van belasting krachtens een dubbelbelastingverdrag. Men wou immers vermijden dat notionele interestaftrek kon worden genoten met betrekking tot activa die leiden tot in België vrijgestelde winst (M.v.T., Parl.St. 2004-2005, nr. 51-1778/001, 12).

Hiertoe voorzag artikel 205ter, §2 en §3 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen dat voor de berekening van de notionele intrestaftrek het boekhoudkundig eigen vermogen dient te worden verminderd met de netto-boekwaarde van buitenlandse vaste inrichtingen en onroerende goederen waarvan de winst krachtens een dubbelbelastingverdrag is vrijgesteld.

Argenta-arrest

Op 4 juli 2013 heeft het Europees Hof van Justitie in antwoord op een prejudiciële vraag in de Argenta-zaak geoordeeld dat deze correctie voor wat betreft buitenlandse vaste inrichtingen strijdig is met het Europees recht van vrijheid van vestiging.

Het Hof besluit dat het Europees recht van vrijheid van vestiging zich verzet tegen een nationale regeling waarbij de nettowaarde van een in een andere lidstaat gelegen en vrijgestelde vaste inrichting geen recht op notionele interestaftrek doet ontstaan, terwijl de nettowaarde van een vaste inrichting op het grondgebied van België wel recht heeft op dat voordeel.

Het Hof lijkt inzonderheid een strijdigheid met het vrij verkeer van vestiging aan te merken door de wijze waarop de correctie werd geconcipieerd, zijnde door een beperking van de berekeningsbasis voor de notionele interestaftrek zodra een Belgische vennootschap een buitenlandse, vrijgestelde vaste inrichting aanhoudt ongeacht de winst toerekenbaar aan deze inrichting.

Het Hof stelt immers vast dat de notionele interestaftrek wordt toegepast op de globale situatie van de in België onbeperkt belastingplichtige vennootschap; er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt naar gelang de oorsprong van deze wereldwijde winst. Het argument van de Belgische regering dat door deze correctie geen nadeel wordt ondervonden gaat volgens het Hof dan ook niet op. De Belgische regering voerde immers aan dat de toepassing van de notionele interestaftrek met betrekking tot vrijgestelde vaste inrichtingen enkel de vrijgestelde winst toerekenbaar aan deze vrijgestelde vaste inrichtingen zou verminderen waardoor geen nadeel werd ondervonden. Door de geglobaliseerde toepassing van de notionele interestaftrek gaat dit argument volgens het Hof niet op. Het Hof kan zich dan ook niet vinden in het argument van de regering dat deze correctie geen nadelige gevolgen inhoudt voor een vennootschap die een vrijgestelde, buitenlandse vaste inrichting aanhoudt.

Ook de door de regering aangevoerde rechtvaardigingsgronden voor deze strijdigheid worden door het Hof niet aanvaard. Zo voerde de Belgische regering aan dat deze correctie nodig is om de samenhang van het belastingstelsel en de noodzaak om de evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven. Het Hof doet dit argument van de hand door te stellen dat er geen rechtstreeks verband kan worden aangemerkt tussen het betrokken belastingvoordeel en de compensatie van dat voordeel door een bepaalde belastingheffing. Dit gaat opnieuw terug op de wijze waarop deze correctie is geconcipieerd.

Wet 21 december 2013

Met de wet van 21 december 2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen heeft de wetgever getracht tegemoet te komen aan het Argenta-arrest, zowel voor buitenlandse vaste inrichtingen als voor buitenlandse onroerende goederen. Voor buitenlandse vrijgestelde onroerende goederen kan immers per analogie tot hetzelfde besluit worden gekomen.

De wetgever heeft vooreerst artikel 205ter, §2 en §3 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen integraal geschrapt. Vanaf aanslagjaar 2014 dient de berekeningsbasis voor de notionele intrestaftrek bijgevolg niet langer te worden gecorrigeerd voor wat betreft buitenlandse vaste inrichtingen en onroerende goederen waarvan de winsten in België zijn vrijgesteld krachtens een dubbelbelastingverdrag.

Ter compensatie heeft de wetgever echter voorzien dat in dat geval vanaf aanslagjaar 2014 de aftrek voor risicokapitaal zelf dient te worden beperkt ten belope van de notionele interestaftrek berekend op de nettowaarde van buitenlandse vaste inrichtingen of onroerende goederen. Bovendien wordt hierbij voortaan een onderscheid gemaakt naar gelang de vaste inrichting of het onroerend goed al dan niet gelegen is binnen de Europese Economische Ruimte.

(a) niet-E.E.R.

Voor buitenlandse vaste inrichtingen en onroerende goederen gelegen buiten de Europese Economische Ruimte waarvan de winst in België is vrijgesteld van belasting krachtens een dubbelbelastingverdrag, geldt voortaan dat de notionele interestaftrek zelf dient te worden verminderd met het deel van de notionele interestaftrek berekend op de nettowaarde van het eigen vermogen van de buitenlandse vaste inrichting of het onroerend goed (ongeacht de winst of het verlies toerekenbaar aan de vaste inrichting of het onroerend goed).

(b) E.E.R.

Het deel van de notionele intrestaftrek berekend op het eigen vermogen van de vaste inrichtingen of onroerende goederen gelegen binnen de Europese Economische Ruimte waarvan de winst in België is vrijgesteld van belasting krachtens een dubbelbelastingverdrag, wordt slechts van de notionele interestaftrek afgetrokken in de mate dat deze het geheel van de winsten die toerekenbaar zijn aan deze activa niet overstijgt. Deze notionele interestaftrek gaat dus niet verloren indien ze niet volledig kan worden gecompenseerd met de winst toerekenbaar aan de vaste inrichting of het onroerend goed.

In de Memorie van Toelichting worden een aantal voorbeelden weerhouden.

• Een Belgische vennootschap heeft drie inrichtingen, een Belgische vaste inrichting, een Nederlandse vrijgestelde vaste inrichting en een Angolese niet-vrijgestelde vaste inrichting.
 
• Een Belgische vennootschap heeft drie inrichtingen, een Belgische vaste inrichting, een Nederlandse vrijgestelde vaste inrichting en een Angolese niet-vrijgestelde vaste inrichting. De Nederlandse vaste inrichting maakt verlies. Ingevolge artikel 75 KB/WIB’92 wordt het verlies van de Nederlandse vaste inrichting verrekend met de winst van de Angolese vast inrichting.

 
De Raad van State meent echter dat deze wetswijziging niet tegemoet komt aan de strijdigheid met de vrijheid van vestiging. De Raad van State meent immers dat Belgische vennootschappen met een Belgische inrichting of niet-vrijgestelde buitenlandse inrichting nog steeds beter behandeld worden dan vennootschappen met een vrijgestelde vaste inrichting (in de E.E.R.).

ambtshalve ontheffing voor het verleden

Het Argenta-arrest heeft bovendien gevolgen voor het verleden. Krachtens het Argenta-arrest werd de notionele interestaftrek in het verleden immers ten onrechte beperkt indien een vennootschap een buitenlandse, vrijgestelde vaste inrichting aanhield.

De belastingadministratie bevestigt nu in haar circulaire nr. 19/2014 dd. 16 mei 2014 dat deze vennootschappen kunnen verzoeken om een ambtshalve ontheffing op basis van artikel 376, §1 WIB’92. Het arrest van het Europees Hof van Justitie kan immers worden aangemerkt als nieuw feit. Dit betekent dat tot eind 2014 de aanslagen gevestigd sinds 1 januari 2010 in vraag kunnen worden gesteld in het licht van de hierboven genoemde Argenta-leer.

Per analogie kan ons inziens worden geargumenteerd dat ook voor buitenlandse, vrijgestelde onroerende goederen om een ambtshalve ontheffing op basis van artikel 376, §1 WIB’92 kan worden verzocht. De belastingadministratie weerhoudt dit echter niet in voormelde circulaire.

Rekening houdend met het belangrijk impact van het Argenta-arrest, zowel voor het verleden als voor de toekomst, komt het ons dan ook aangewezen voor Belgische vennootschappen met buitenlandse vaste inrichtingen en/of onroerende goederen grondig door te lichten.  

 

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.