LIQUIDATIE: "ONMIDDELLIJK" IS NIET ONMIDDELLIJK ?

LIQUIDATIE: "ONMIDDELLIJK" IS NIET ONMIDDELLIJK ?

In onze nieuwsbrief van augustus 2013 werd reeds de systematiek van het intern liquideren toegelicht.

Met oog op het vastklikken van het 10% liquidatietarief op belaste reserves, wordt in het nieuwe artikel 537 WIB 92 voorzien in de mogelijkheid om een dividend uit te keren die overeenkomt met ten laatste op 31 maart 2013 goedgekeurde belaste reserves voor zover het netto-dividend naderhand “onmiddellijk” wordt ingebracht in het kapitaal. Op die manier worden de belaste reserves omgezet in fiscaal gestort kapitaal, zij het na afhouding van 10% roerende voorheffing.

De term “onmiddellijk” riep een aantal vragen op in de praktijk.

Indien een dividend in speciën wordt uitgekeerd dan kan dat niet onmiddellijk aansluitend in het kapitaal van de vennootschap worden ingebracht; in het kader van een inbreng in geld dient er immers voorafgaandelijk (ten belope van het te volstorten bedrag van de kapitaalverhoging) een storting te gebeuren op een bijzondere rekening op naam van de vennootschap vooraleer de kapitaalverhoging kan plaatsvinden. De bank dient deze storting te attesteren en dit attest dient ter gelegenheid van de kapitaalverhoging te worden afgegeven aan de notaris. In de praktijk vraagt dit alles enkele dagen tijd …

Indien een dividend niet wordt uitbetaald aan de aandeelhouder, dan kan de vordering van de aandeelhouder op het netto-dividend in het kapitaal van de vennootschap worden ingebracht; alsdan is er evenwel sprake van een inbreng in natura, hetgeen onder andere een tussenkomst van de revisor onder de vorm van een voorafgaandelijk verslag inbreng in natura veronderstelt. Ook dan is de onmiddellijke inbreng met andere woorden geen sinecure …

In haar (langverwachte) Circulaire van 1 oktober 2013 neemt de administratie nu het standpunt in dat de inbreng onmiddellijk dient te gebeuren maar dat het begrip onmiddellijk dient te worden begrepen als “zonder verwijl, rekening houdende met de uitdrukkelijke bepalingen in het vennootschapsrecht.”

In concreto betekent dit dat bij een scenario inbreng in geld er eerst een dividenduitkering kan plaatsvinden (waartoe geen authentieke akte vereist is) waarbij iedere aandeelhouder per aandeel reeds bevestigt het netto-dividend te zullen inbrengen. Het netto-dividend dat toekomt aan de aandeelhouders wordt door de vennootschap meteen op de bijzondere rekening geopend op naam van de vennootschap overgeschreven. Vervolgens, wellicht enkele dagen later, kan de kapitaalverhoging plaatsvinden; pas dan worden de tegoeden op voornoemde bijzondere rekening eigendom van de vennootschap. De aangifte roerende voorheffing kan dan plaatsvinden binnen de 15 dagen na de toekenning van het dividend. De administratie beschouwt in dit scenario de inbreng als voldoende onmiddellijk aangezien deze – rekening houdende met de uitdrukkelijke bepalingen van het vennootschapsrecht – onmiddellijk heeft plaatsgevonden.

In concreto betekent dit dat bij een scenario inbreng in natura er opnieuw eerst een dividenduitkering kan plaatsvinden (waartoe geen authentieke akte vereist is), eveneens met het hierboven beschreven engagement van de aandeelhouder. De vordering van de aandeelhouder kan vervolgens het voorwerp uitmaken van een procedure inbreng in natura (met verslaggeving van de revisor en het bestuursorgaan) waarna de kapitaalverhoging, opnieuw wellicht enkele dagen na de dividenduitkering, kan plaatsvinden. Ook dit scenario kan om dezelfde reden geacht worden te voldoen aan de voorwaarde van onmiddellijkheid.

De Administratie erkent in haar circulaire bovendien dat de kapitaalverhoging ten opzichte van de dividenduitkering een toekomstige gebeurtenis is die in voorkomend geval (rekening houdend met de uitdrukkelijke bepalingen inzake het vennootschapsrecht) pas kan worden verwezenlijkt na het verstrijken van de 15-daagse aangiftetermijn in de roerende voorheffing. In dat geval geeft de Administratie aan dat bij de aangifte in de roerende voorheffing slechts het 10%-tarief kan worden geclaimd indien op voldoende wijze kan worden bewezen dat de aandeelhouder de beslissing heeft genomen het verkregen bedrag voortkomend van het toegekend dividend aan te wenden voor een kapitaalverhoging met toepassing van artikel 537 WIB’92. Een uitdrukkelijke vermelding in dit verband naar aanleiding van de algemene vergadering die beslist over de toekenning van het dividend, wordt hiertoe door de Administratie als voorbeeld gegeven. Vindt uiteindelijk echter geen kapitaalverhoging plaats dan zal een aanvullende roerende voorheffing van 15% verschuldigd zijn, verhoogd met nalatigheidsinteresten.

Deze relativering van het begrip “onmiddellijk” maakt het alvast praktisch haalbaarder om de interne liquidatie door te voeren. De circulaire komt evenwel niets te vroeg; de interne liquidatie moeten immers in het lopende boekjaar worden afgerond …

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.