Liquidatie van vennootschappen - wie krijgt de verdoken activa?

Liquidatie van vennootschappen - wie krijgt de verdoken activa?

Vanaf het ontbindingsbesluit bestaat de vennootschap enkel nog ‘ten behoeve van de vereffening’. De vereffenaar zal de activa opsporen en verzilveren en met de opbrengst de passiva aanzuiveren. In principe kan de vereffening pas daarna afgesloten worden. Door de afsluiting van de vereffening verdwijnt de vennootschap uit de rechtsorde. De actieve rechtspersoonlijkheid dooft uit en het resterende vermogen van de vennootschap gaat over op de vennoten. De vennootschap behoudt enkel een zogenaamde passieve rechtspersoonlijkheid in de figuur van de gewezen vereffenaar en dit gedurende vijf jaar na de publicatie van de sluitingsakte.

Er kunnen zich situaties voordoen waarbij pas na de sluitingsakte bepaalde activa aan de oppervlakte komen. Vraag is dan uiteraard wat het lot van dergelijke activa is, zeker wanneer de vereffening deficitair was en de schuldeisers - noodzakelijkerwijs met hun instemming - niet de totaliteit van hun vordering betaald zagen.

De rechtsleer lijkt unaniem van oordeel dat de afsluiting van de vereffening geen afbreuk doet aan de rechten van schuldeisers tegenover de vennootschap. Deze algemene stelregel wordt echter niet vertaald in rechtstreekse actiemiddelen om een vordering tegen de afgesloten vereffening af te dwingen. Na de afsluiting van de vereffening beschikken de schuldeisers over drie, onrechtstreekse manieren om hun rechten te laten gelden.
 
Vooreerst is er de aansprakelijkheidsvordering tegen de vereffenaar, die kan resulteren in een persoonlijke veroordeling van de vereffenaar om de schade te vergoeden die een schuldeiser lijdt door een fout van die vereffenaar. Indien de vereffenaar op de hoogte was of moest zijn van de kwestieuze actiefbestanddelen en hij deze niet aanwendde voor de schuldeisers, maakt één en ander een fout uit. Deze aansprakelijkheidsvordering verjaart na verloop van vijf jaar vanaf de verrichting of vanaf de ontdekking van de verrichting indien deze met opzet verborgen werd gehouden.

Daarnaast is er de mogelijkheid om een vordering in te stellen tegen de vereffende vennootschap zelf, daartoe ‘passief’ vertegenwoordigd door de vereffenaar. Dit moet gebeuren binnen de vijf jaar na de publicatie van de afsluiting van de vereffening. Een dergelijke vordering kan in theorie strekken tot de betaling van een schuld, doch dit zal in de praktijk geen zin hebben. De vereffende vennootschap beschikt niet meer over een vermogen en er is dus geen ‘materie’ meer om een veroordeling op te realiseren. Het vermogen van de vereffende vennootschap is overgegaan op de vennoten en deze kunnen in beginsel niet aangesproken worden voor schulden van de vereffende vennootschap.

Een vordering tegen de vereffende vennootschap zal pas nut hebben indien zij ertoe strekt om de sluiting van de vereffening te laten nietig verklaren, waarna de vennootschap haar rechtspersoonlijkheid herwint, titularis wordt van alle activa, en aldus opnieuw het voorwerp van executie kan uitmaken. Een dergelijke nietigverklaring van de sluiting van de vereffening kan uitsproken worden wanneer de sluiting gebeurde met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers. Dit zal bij voorbeeld het geval zijn wanneer de aandeelhouders een vereffening afsluiten, terwijl zij weten dat er nog schuldeisers zijn die niet voldaan werden en die hierin niet berusten.

Tot slot is er mogelijkheid - al dan niet in combinatie met wat voorafgaat - om de vennootschap in vereffening of waarvan de vereffening al afgesloten werd, te laten failliet verklaren. Een dergelijke vordering moet op straffe van verval ingesteld worden binnen de zes maanden na de afsluiting van de vereffening. Na het faillissement zal de curatele het beheer over de boedel overnemen en instaan voor het opsporen, recupereren en verdelen van de activa.

Onverminderd wat voorafgaat, kunnen in principe enkel de aandeelhouders aanspraak maken op activa die na de sluiting van de vereffening opduiken.

Drie situaties kunnen onderscheiden worden:

  1. In een eerste situatie doet de vereffenaar namens de vennootschap afstand van de betrokken activa of vorderingen. Deze beslissing kan ingegeven zijn door opportuniteitsmotieven (te geringe vordering, te dure inning, niet-identificeerbare of niet-solvabele debiteur etc …). Een dergelijke afstand is onherroepelijk waardoor de aandeelhouders hierop niet kunnen terugkomen na de afsluiting van de vereffening. Indien deze activa na de sluiting van de vereffening alsnog gerealiseerd worden, vormen ze een onverschuldigde betaling die in principe terug toekomt aan de betaler.
     
  2. Een tweede hypothese houdt verband met activa die onbewust door de vereffenaar over het hoofd werd gezien. Traditioneel wordt aanvaard dat deze activa in onverdeeldheid aan de aandeelhouders toekomen. Een andere strekking in de rechtsleer stelt evenwel dat dergelijke ‘vergeten activa’ niet aan de aandeelhouders komen, maar wel tot het openbaar domein behoren en dus aan de Staat toekomen.
     
  3. In een laatste hypothese wordt de vereffening afgesloten in de wetenschap dat er mogelijks bepaalde activa niet werden verzilverd. Hierbij is het aangewezen om in de sluitingsakte een clausule te voorzien die alle toekomstige activa aan één aandeelhouder toebedeelt, waarbij deze laatste op zijn beurt eventuele gehouden is om de opbrengsten te delen met de overige aandeelhouders.

In de mate dat de aandeelhouders ‘vergeten activa’ verloren zien gaan ten gevolge een fout van de vereffenaar, kunnen zij net als de schuldeisers een aansprakelijkheidsvordering instellen tegen de vereffenaar. Men kan denken aan een lichtzinnige afstand van vordering, aan onvoldoende waakzaamheid of ijver bij de samenstelling van het actief, etc … Dergelijke vorderingen zullen evenwel slechts mogelijk zijn indien er geen kwijting werd verleend aan de vereffenaar, of indien een kwijting werd verleend zonder kennis van de elementen die finaal de schade veroorzaakten.

De afsluiting van de vereffening heeft verregaande gevolgen voor de aandeelhouders en de onbetaald gebleven schuldeisers. De aanspraken van de schuldeisers worden door de afsluiting in principe ‘geamputeerd’. Een aantal specifieke vorderingen biedt soelaas, vooral wanneer één en ander met misleiding van de schuldeisers of zonder hun akkoord gebeurde. De afsluiting van de vereffening grijpt ook in op de rechten van de aandeelhouders. Een hoge waakzaamheid van de vereffenaar bij de samenstelling van het actief en een nauwkeurige redactie van de vereffeningsakten zijn aangewezen!

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.