Lexalert : Liquidatiereserve of liquidatie - impact artikel 344 WIB'92?

Lexalert : Liquidatiereserve of liquidatie - impact artikel 344 WIB'92?

Door de Programmawet van 28 november 2014 werd met ingang van aanslagjaar 2015 een nieuw bijzonder regime in de 'roerende fiscaliteit' ingevoerd, met name dat van de 'liquidatiereserve'. Over de toepassingsvoorwaarden en de gevolgen van de liquidatiereserve is al heel wat inkt gevloeid. In deze bijdrage wensen we in het bijzonder stil te staan bij de doelstelling van dit nieuwe regime om op basis daarvan te evalueren in welke gevallen de toepassing ervan, inzonderheid als alternatief voor een liquidatie, mogelijks in het vizier komt van de algemene antimisbruikbepaling in de inkomstenbelastingen zoals voorzien in artikel 344, §1 WIB'92. De situering van de liquidatiereserve in de algemene context van de 'roerende fiscaliteit' blijkt hierbij van bijzonder belang en bovendien bijzonder interessant.

'ROERENDE FISCALITEIT' IN DE VUURLINIE

Bij de laatste begrotingsrondes en -controles stond de 'roerende fiscaliteit' telkens in de vuurlinie, inzonderheid voor wat betreft de tarieven in de roerende voorheffing en de personenbelasting. Een eenvoudige verhoging van de tarieven in de 'roerende fiscaliteit' blijkt immers een bijzonder efficiënt middel om extra inkomsten voor de staatskas binnen te rijven. Een grondige hervorming  van de 'roerende fiscaliteit' is tot op vandaag echter uitgebleven. 

Door de Programmawet van 27 december 2012 werd een veralgemening van het 25%-tarief in de roerende voorheffing en personenbelasting beoogd. Het bijzonder liquidatietarief van 10% werd het laagste tarief in de roerende voorheffing en personenbelasting en hield (voorlopig) stand.

Uiteindelijk werd door de Programmawet van 28 juni 2013 ook dit bijzonder liquidatietarief van 10% afgeschaft met ingang van 1 oktober 2014. Liquidatieboni toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 oktober 2014 worden voortaan onderworpen aan het algemeen tarief in de roerende voorheffing en personenbelasting ad 25%. Hierbij werd evenwel in een tijdelijke overgangsmaatregel voorzien, waarbij vennootschappen die nog niet aan liquideren toe zijn gedurende een beperkte periode de mogelijkheid hadden bepaalde reserves in kapitaal vast te klikken aan een tarief van 10%.

De wijzigingen in de 'roerende fiscaliteit' hebben echter niet het ontstaan van nieuwe bijzondere regimes belemmerd, inzonderheid ten voordele van KMO's. Ondertussen lijkt de stap naar één algemeen tarief in de 'roerende fiscaliteit' dan ook alweer teruggedraaid, onder meer door:

(1) de invoering van een nieuw bijzonder regime, het zogenaamde 'VVPR bis-regime', voor de zogenaamde KMO-dividenden door de Programmawet van 28 juni 2013 (en dat na de eerdere afschaffing van het oude VVPR-regime);  

(2) de invoering met ingang van aanslagjaar 2015 van het regime van de 'liquidatiereserve', waarvan de draagwijdte in de rechtsleer wordt beschreven als een herinvoering van het bijzonder liquidatietarief van 10% en de invoering van een 'VVPR ter-regime' voor KMO's.

AFSCHAFFING BIJZONDER LIQUIDATIETARIEF, MET OVERGANGSMAATREGEL

Reeds bij de afschaffing van het bijzonder liquidatietarief van 10% werd door de Programmawet van 28 juni 2013 voorzien in een tijdelijke overgangsmaatregel, en dat onder het mom om de pijn wat te verzachten voor deze forse tariefstijging. Deze tijdelijke overgangsmaatregel lijkt echter tevens in belangrijke mate te zijn ingegeven door budgettaire redenen, met name om op anticipatieve wijze belastinginkomsten te innen (weliswaar aan een lager belastingtarief waardoor deze maatregel vanuit budgettair oogpunt wel eens wordt bekritiseerd).

Deze tijdelijke overgangsmaatregel, ingeschreven in artikel 537 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, biedt inzonderheid aan vennootschappen gedurende een beperkte periode de mogelijkheid bepaalde belaste reserves uit te keren en vast te klikken in fiscaal gestort kapitaal met toepassing van een bijzonder tarief in de roerende voorheffing en personenbelasting van 10% (hierna: de 'interne liquidatie'). Ondertussen is de mogelijkheid om toepassing te maken van deze overgangsmaatregel verstreken; de opname in kapitaal diende immers plaats te vinden tijdens het belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober 2014.

Met deze tijdelijke overgangsmaatregel wenst de wetgever vennootschappen waarvoor een liquidatie voor 1 oktober 2014 te vroeg kwam alsnog de mogelijkheid te bieden te genieten van het bijzonder 10%-tarief op voorwaarde dat de uitgekeerde middelen nog een bepaalde periode worden aangewend in de vennootschap (Ontwerp van Programmawet, Parl. St., 2013 2853/001, p. 8 en p. 13).

Bij een latere kapitaalvermindering wordt die immers geacht eerst uit de volgens artikel 537 WIB'92 ingebrachte kapitalen voort te komen. En een vermindering van het kapitaal gevormd in het kader van artikel 537 WIB'92 binnen een wachtperiode van 8 jaar (voor grote vennootschappen) of 4 jaar (voor kleine vennootschappen) volgend op de inbreng wordt in afwijking van artikel 18, 1e lid, 2° WIB'92 (i.e. het principe dat een vermindering van fiscaal gestort kapitaal belastingvrij is) in fiscalibus beschouwd als een dividend.

Bij een liquidatie tijdens deze wachtperiode is de bijzondere herkwalificatie in fiscalibus echter niet van toepassing. Het kapitaal gevormd in het kader van artikel 537 WIB'92 kan dus bij liquidatie in principe belastingvrij worden uitgekeerd ongeacht de verstreken periode na de inbreng. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd door de belastingadministratie (zie FAQ nr. 47-48), waarbij evenwel de toepassing van artikel 344, §1 WIB'92 niet wordt uitgesloten. Belangrijke opmerking in dit verband is dat op het moment van de mogelijkheid tot 'interne liquidatie' het liquidatietarief nog 10% bedroeg.

LIQUIDATIERESERVE - ALGEMENE SITUERING EN RATIO LEGIS

Zoals hierboven aangegeven is met ingang van aanslagjaar 2015 alweer een nieuw regime in de 'roerende fiscaliteit' in het leven geroepen. Opnieuw stelt de regering met deze maatregel tegemoet te komen aan verzuchtingen in de praktijk terwijl nadere lezing uitwijst dat wellicht tevens opnieuw, omwille van budgettaire redenen, een anticipatieve heffing van belastinginkomsten wordt beoogd.

De Programmawet van 28 november 2014 voorziet inzonderheid dat kleine vennootschappen vanaf aanslagjaar 2015 over de mogelijkheid beschikken om hun boekhoudkundige winst na belasting geheel of gedeeltelijk over te boeken naar één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief, een zogenaamde 'liquidatiereserve' (art. 184 quater WIB'92). Op de naar de liquidatiereserve overgeboekte winst wordt voor het betrokken belastbaar tijdperk een afzonderlijke aanslag van 10% gevestigd in hoofde van de betrokken vennootschap (art. 219 quater WIB'92).

Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Programmawet van 28 november 2014 wenst de regering tegemoet te komen aan de verzuchtingen van vele zelfstandigen die hun activiteiten uitoefenen onder de structuur van een vennootschap en die zich aangetast voelden in hun verwachtingen om hun reserves bij liquidatie ook in de toekomst aan het 10% - tarief te kunnen uitkeren, hetgeen niet langer mogelijk is door de afschaffing van het bijzonder liquidatietarief van 10%. Om aan deze verzuchtingen tegemoet te komen voorzag de regering reeds in het regeerakkoord het voornemen om voormelde overgangsmaatregel bij de afschaffing van het bijzonder liquidatietarief permanent te maken.

Verdere toelichting bij de invoering van deze nieuwe wetgeving wordt in eerste instantie niet gegeven, waardoor vragen omtrent de draagwijdte van de liquidatiereserve in eerste instantie onbeantwoord blijven.

In antwoord op kritiek van de raad van state wordt wat verder in de Memorie van Toelichting wel bijkomende duiding gegeven bij de doelstelling van de wetgeving inzake de liquidatiereserve; de raad van state voerde immers aan dat deze wetgeving mogelijk een onverantwoorde discriminatie inhoudt ten aanzien van niet-KMO's.

Volgens de regering wenst ze met deze maatregel inzonderheid KMO's aan te moedigen te investeren in eigen middelen. Het aanleggen van een liquidatiereserve leidt immers tot een verhoging van het eigen vermogen en zou ook het vinden van externe financiering moeten vergemakkelijken, aldus de regering in de Memorie van Toelichting. Gezien het bijzonder belang hiervan voor KMO's wordt de maatregel dan ook enkel voorbehouden voor deze kleine vennootschappen.

Het fiscale voordeel voor dividenduitkeringen (andere dan liquidatoeboni) voortkomend uit de liquidatiereserve wordt dan ook slechts genoten indien de bedragen die aan de basis liggen van deze dividenden minimum 5 jaar worden behouden. Inzonderheid worden deze dividenduitkeringen onderworpen aan (zie artikel 171, 3° septies juncto artikel 184 quater WIB'92):

  • tijdens wachtperiode van 5 jaar:     een tarief in de RV en PB van 15%;
  • na wachtperiode van min. 5 jaar:    een verlaagd tarief in de RV en PB van 5%.

Op het moment van liquidatie zal de liquidatiebonus die voortkomt uit de liquidatiereserve vrij zijn van roerende voorheffing en personenbelasting (zie artikel 21, 11° juncto artikel 184 quater WIB'92: wordt niet gekwalificeerd als belastbaar roerend inkomen). De Programmawet van 28 november 2014 voorziet in dit verband niet in na te leven toepassingsvoorwaarden en evenmin in bijzondere antimisbruikbepalingen.

Bijgevolg wordt de uitkering van een liquidatiebonus in de mate dat deze wordt aangerekend op de 'liquidatiereserve' in principe sowieso niet belast. De facto lijkt het dus inderdaad te gaan om een permanente verlaging van het liquidatietarief voor KMO's mits anticipatieve betaling van een heffing van 10%.

Evenwel geldt opnieuw (net zoals in het kader van artikel 537 WIB'92) dat dit niet de eventuele toepassing van artikel 344, §1 WIB'92 uitsluit en dat in het licht van de ratio legis van deze wetgeving en de algemene context van de betrokken fiscale wetgeving. Zo is een belangrijk aandachtspunt in dit verband dat op het moment van het aanleggen van de liquidatiereserve het tarief voor liquidatieboni in principe 25% bedraagt (i.t.t. ten tijde van de mogelijkheid tot interne liquidatie).

LIQUIDATIERESERVE ALS TUSSENSTAP VOOR LIQUIDATIE?

Een denkpiste zou er kunnen in bestaan een liquidatiereserve aan te leggen als tussenstap alvorens over te gaan tot een liquidatie. Via deze tussenstap wordt immers voor een gedeelte van het vermogen (i.e. de winst na belasting, bvb. o.m. de verwezenlijkte meerwaarde bij verkoop van bepaalde activa in het kader van de afbouw van activiteiten) 15% belasting bespaard, zijnde het verschil tussen het algemene tarief van 25% en de afzonderlijke aanslag van 10%.

In het licht van bovenstaande analyse dient op de vraag of het aanleggen van een liquidatiereserve een tussenstap kan vormen alvorens (op korte of middellange termijn) over te gaan tot een liquidatie dient ons inziens dan ook ontkennend te worden geantwoord indien (1) de liquidatie van meet af aan wordt beoogd en (2) geen verdere uitbouw van de activiteit van de betrokken vennootschap wordt beoogd na het aanleggen van de liquidatiereserve.

In dat geval lijkt de tussenstap van de liquidatiereserve immers de doelstelling van deze wetgeving te frustreren (i.e. versterking eigen vermogen met oog op uitbouw activiteiten) rekening houdend met de algemene context van de fiscale wetgeving (i.e. toepassing algemeen tarief ad 25% bij liquidatie).

Bij gebreke aan verdere uitbouw van activiteiten in de betrokken vennootschap voor de uiteindelijke liquidatie kan ons inziens bovendien moeilijk worden weerlegd dat deze rechtshandeling wezenlijk het verkrijgen van een belastingvoordeel tot doel heeft.

De optimalisatie van een liquidatie via de tussenstap van een liquidatiereserve lijkt dan ook geen optie indien de liquidatie van meet af aan wordt beoogd en de verdere uitbouw van de activiteiten niet wordt nagestreefd.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.