Langdurige verliezen uit zelfstandig bijberoep: niet zomaar onredelijk!

Langdurige verliezen uit zelfstandig bijberoep: niet zomaar onredelijk!

Het gebeurt nogal eens dat men als natuurlijke persoon, naast zijn/haar hoofdberoep, nog een zelfstandige activiteit in bijberoep uitoefent (bij voorbeeld het fokken van paarden of andere dieren, kleinhandel in modelbouwartikelen, ...).

Er kan wat dit betreft discussie rijzen tussen de fiscus en de belastingplichtige omtrent de verrekening van de resultaten van deze zelfstandige nevenactiviteit met de inkomsten uit hoofdberoep, inzonderheid in de gevallen waarbij het zelfstandig bijberoep bij de opstart een aantal jaren verlieslatend blijkt te zijn.

Eerst en vooral dient te worden benadrukt dat, eens het professioneel karakter van de zelfstandige nevenactiviteit is komen vast te staan, de daarmee verbonden uitgaven overeenkomstig artikel 49 WIB 92 steeds principieel aftrekbaar zijn van de belastbare inkomsten van de betrokken particulier. Het komt de belastingplichtige/particulier toe de professionele aard van diens bijberoep aan te tonen.

Het al of niet professioneel karakter van de nevenactiviteit blijkt uit de concrete feiten/omstandigheden eigen aan iedere zaak (de aard, omvang, ingezette middelen, frequentie, ... van de activiteit). Dat een bepaalde nevenactiviteit verschillende opeenvolgende jaren verlieslatend zou zijn is alvast - zo blijkt uit recente rechtspraak in dit verband - op zich geen reden om het beroepsmatig karakter van deze activiteit te miskennen. Het Hof van Cassatie heeft wat dit betreft bij arrest van 23 april 2010 benadrukt dat artikel 49 WIB 92 geenszins vereist dat uitgaven, opdat deze aftrekbaar zouden zijn, lager zouden moeten zijn dan de behaalde inkomsten. Wat dit betreft is het wel van doorslaggevend belang te weten of er een gerechtvaardigde verwachting is dat de betrokken nevenactiviteit in de toekomst winstgevend kan en/of zal zijn. Een dergelijk perspectief op winstrealisatie wijst immers, bevestigd in recente rechtspraak, op het professioneel karakter van de nevenactiviteit, hetgeen ook de administratie niet betwist!

Wel is het zo dat de aldus in het kader van het bijberoep gedane professionele uitgaven (geleden verliezen) slechts te verrekenen zijn in de mate deze "redelijk" zijn, dit wil zeggen, redelijk door de beroepsbehoeften verantwoord zijn. Uitgaven die "onredelijk" hoog zijn kunnen overeenkomstig artikel 53, 10° WIB 92 verworpen worden ten belope van het "onredelijk" gedeelte van de uitgaven. De bewijslast ligt hier bij de administratie.

Zeker in het geval waarbij het bijberoep jarenlang verlieslatend zou zijn (en de uitgaven derhalve jarenlang in een wanverhouding staan tot de inkomsten) blijkt de administratie de uitgaven van het bijberoep die de inkomsten ervan overstijgen te verwerpen op basis van dit artikel 53, 10° WIB 92. De manier waarop de administratie hierbij tewerk gaat is veelal voor ernstige kritiek vatbaar, hetgeen volgt uit navolgende basisprincipes dewelke in recente rechtspraak werden geaccentueerd:

  • vooreerst stellen het Hof van Beroep van Antwerpen (arrest van 4 januari 2011) alsook de rechtbank van eerste aanleg van Gent (vonnis van 20 oktober 2010) uitdrukkelijk voorop dat het feit dat er jarenlang verliezen in bijberoep worden geleden (of anders gesteld het feit dat de uitgaven jarenlang de inkomsten overtreffen) op zich geenszins betekent dat deze kosten "onredelijk" zouden zijn in de zin van artikel 53, 10° WIB 92; door desgevallend op die manier te handelen levert de administratie een niet afdoende bewijs van het vermeend onredelijk karakter van de betrokken uitgaven met de nietigheid van de aanslag tot gevolg;
     
  • voorts benadrukken het Hof van Beroep van Antwerpen (arrest 4 januari 2011) en de rechtbank van Gent (vonnis van 20 oktober 2010) dat het in toepassing van artikel 53, 10° WIB 92 de administratie toekomt per uitgave concreet te duiden waarom en in welke mate zij de betrokken uitgave "onredelijk" acht; doet zij dit niet - door bijvoorbeeld de uitgaven zonder meer te verwerpen in de mate ze de inkomsten overstijgen - dan gaat zij willekeurig te werk en is de betrokken aanslag ook om die reden nietig;
     
  • tenslotte wordt in de rechtspraak unaniem (Antwerpen, 4 januari 2011; Brussel, 24 april 2008; Rb. Gent 20 oktober 2010; ...) aangenomen dat de toepassing van artikel 53, 10° WIB 92 met zekerheid impliceert dat het beroepsmatig karakter van de uitgaven wordt aangenomen; indien de administratie bij het vestigen van een aanvullende aanslag aldus toepassing maakt van artikel 53, 10° WIB 92 doch tegelijkertijd stelt dat de betrokken activiteit louter een hobby betreft en derhalve niet-beroepsmatig zou zijn, dan is de betrokken taxatie bovendien onmiskenbaar tegenstrijdig en dus ook om die reden nietig.

Zodra het beroepsmatig karakter van een nevenactiviteit door de particulier is aangetoond (en er dus daadwerkelijk sprake is van een bijberoep) - bij voorbeeld door het aanwijzen van winstperspectieven in de toekomst - kunnen de aan het bijberoep gerelateerde uitgaven (verliezen) in mindering worden gebracht van de andere aangegeven belastbare inkomsten. Indien de administratie de verliezen uit bijberoep wenst te verwerpen, dan draagt zij de niet evidente bewijslast in de zin van artikel 53, 10° WIB 92.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.