Ondernemers & Co 2017-15 : Kapitaalherschikkingen en dividendbelasting in familiebedrijven na het zomerakkoord : quo vadis ?

Ondernemers & Co 2017-15 : Kapitaalherschikkingen en dividendbelasting in familiebedrijven na het zomerakkoord : quo vadis ?

Ongetwijfeld zal de lezer het verhaal van het zomerakkoord op de voet gevolgd hebben. De maatregel waarbij kapitaalverminderingen vanaf 2018 fiscaal niet langer volledig belastingvrij zullen kunnen uitgekeerd worden, nodigt uit tot een reflectie over het fiscaal lot van toekomstige kapitaalherschikkingen en dividenduitkeringen.

Uitkering dividend & liquidatieboni – standaardtarief 30%

Sedert begin dit jaar bedraagt het standaardtarief van de roerende voorheffing op uitkeringen van dividenden en liquidatieboni 30%.

Uitkering liquidatiereserves door KMO’s – anticipatieve heffing 10% (+ eventueel 5%)

KMO’s kunnen middels het betalen van een anticipatieve heffing van 10% op de winst van het boekjaar na belasting een zogenaamde liquidatiereserve aanleggen die later op het ogenblik van de vereffening van de vennootschap belastingvrij kan uitgekeerd worden. Worden na 5 jaar uit de liquidatiereserves dividenden uitgekeerd vooraleer de vennootschap in vereffening is, is een bijkomende roerende voorheffing van 5% verschuldigd. Vindt de uitkering plaats voordien plaats, is alsnog een bijkomende roerende voorheffing van 20% verschuldigd.

Kapitaalverminderingen uit interne liquidaties van 2014 – anticipatieve heffing 10%

De roerende voorheffing op uitkeringen van liquidatieboni werd met ingang van 1 oktober 2014 gebracht van 10% op 25% (thans 30%). Om te voorkomen dat vennootschappen massaal werden vereffend voor 1 oktober 2014 werd voorzien dat de bestaande belaste reserves uitgekeerd konden worden als dividend tegen een belasting van 10% om vervolgens te worden geïncorporeerd in het kapitaal, een zogenaamde interne liquidatie. Een latere vermindering van dit kapitaal kan belastingvrij gebeuren, althans na een sperperiode van 8 jaar of 4 jaar voor KMO’s. Vindt de kapitaalvermindering voordien plaats, is alsnog een bijkomende roerende voorheffing verschuldigd.

Kapitaaluitkeringen anno 2018 – belastingheffing van 0% tot 30%

Ons fiscaal wetboek bepaalt op vandaag uitdrukkelijk dat een uitkering van fiscaal gestort kapitaal in uitvoering van een regelmatige beslissing tot kapitaalvermindering belastingvrij kan plaatsvinden. Het fiscaal gestort kapitaal wordt in principe gevormd door de inbrengen in geld of in natura door aandeelhouders. Vanaf 2018 zal een kapitaalvermindering fiscaal evenwel niet meer uitsluitend kunnen aangerekend worden op het fiscaal gestort kapitaal maar verhoudingsgewijs op het fiscaal gestort kapitaal en op de belaste reserves. Laatstbedoeld gedeelte vormt een dividend waarop de roerende voorheffing ad 30% verschuldigd is. De hoegrootheid van de belastingheffing bij kapitaalverminderingen zal bijgevolg afhankelijk worden van de hoegrootheid van belaste reserves. Zijn er zo goed als geen belaste reserves aanwezig, dan zal deze belastingheffing verwaarloosbaar zijn. In het omgekeerde geval zal deze belastingheffing de 30% benaderen. Fiscaal gezien zal het bijgevolg zaak zijn kapitaalverminderingen door te voeren op een ogenblik dat er relatief beperkte belaste reserves aanwezig zijn binnen de vennootschap ….

Kapitaalverminderingen anno 2017 – belastingvrij …..

Als er belangrijk belaste reserves aanwezig zijn, kan overwogen worden nog voor het einde van het jaar een kapitaalvermindering door te voeren om de overtollig liquide middelen alsnog belastingvrij uit te keren. Kapitaalverminderingen zijn immers in eerste instantie bedoeld om overtollige middelen uit te keren aan de aandeelhouders. Van enige frustratie van de fiscale regelgeving lijkt in dit scenario niet onmiddellijk sprake.

Het wordt genuanceerder indien de betrokken vennootschap een holding is, waarvan het kapitaal werd gevormd door inbreng van aandelen in werkvennootschappen. Waren de overtollige liquide middelen reeds aanwezig bij de werkvennootschappen bij oprichting van de holding en werden ze via dividenduitkeringen opgestroomd naar de holding, dan kan zich de problematiek van de algemene antimisbruikbepaling stellen. Meer bepaald zouden de dividenduitkeringen door de werkvennootschappen aan de holding, gevolgd door de uitkering van het kapitaal door de holding aan de aandeelhouders kunnen worden geherkwalificeerd in een rechtstreeks dividenduitkering door de werkvennootschappen aan de aandeelhouders met als gevolg dat op de kapitaalvermindering alsnog de roerende voorheffing ad 30% verschuldigd is. Het wordt evenwel een ander verhaal ingeval de holding ondertussen haar eigen toegevoegde waarde binnen de groep heeft bewezen en hierdoor blijkt dat de oprichting van de holding niet (wezenlijk) fiscaal geïnspireerd is. Hetzelfde geldt als ook andere dan zakelijke motieven (zelfs persoonlijke) aan de grondslag liggen van de oprichting van de holding of van de kapitaalvermindering; de algemene antimisbruikbepaling kan immers enkel doorwerken bij eenheid van opzet tussen oprichting en kapitaalvermindering. In deze lijkt de boodschap te zijn dat beter voorkomen wordt dan genezen !

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.