Intern liquideren (3) – een opportuniteit of net niet …?

Intern liquideren (3) – een opportuniteit of net niet …?

De liquidatieheffing is verschuldigd op hetgeen aandeelhouders uit de vennootschap verkrijgen ter gelegenheid van de liquidatie van de vennootschap evenwel onder aftrek van het fiscaal gestort kapitaal. Hoe hoger het fiscaal gestort kapitaal hoe beperkter met andere woorden de berekeningsgrondslag voor de liquidatieheffing.

Het tarief van de liquidatieheffing bedraagt op vandaag 10%; met ingang van 1 oktober 2014 stijgt het tarief evenwel naar 25%. Indien de aandeelhouder een vennootschap is, dan is er in de praktijk vaak vrijstelling.

Artikel 537 WIB 92 voorziet voor vennootschappen (zeer) tijdelijk in de mogelijkheid belaste reserves - die door de algemene vergadering goedgekeurd werden uiterlijk eind maart 2013 – om te zetten in fiscaal gestort kapitaal; bij die gelegenheid dient onmiddellijk roerende voorheffing tegen een tarief van 10% te worden betaald op de omgezette reserves. Een kapitaalvermindering mag evenwel ten vroegste in het 5e jaar volgend op de interne liquidatie plaatsvinden, zoniet gaat het voordeel (progressief) verloren.
De uiteindelijke doelstelling van deze operatie is met andere woorden het anticiperen op de verhoogde liquidatieheffing vanaf 1 oktober 2014.
Op het eerste gezicht biedt deze maatregel mogelijkheden voor alle vennootschappen met belaste reserves, maar toch biedt het nut in ieder geval de opportuniteit, los van de technische kant van zaken, individueel te benaderen.

Een eerste aandachtspunt is het feit dat de vennootschap met een onmiddellijke cash-out geconfronteerd wordt ten belope van 10% van haar belaste reserves. Indien de vennootschap en op vandaag een mooi rendement behaalt op haar eigen vermogen en niet binnen al te korte termijn zal worden geliquideerd of een kapitaalvermindering voor ogen heeft, dan moet de vraag gesteld worden of de belastingbesparing van 15% op de liquidatieheffing op lange termijn wel opweegt tegen de onmiddellijke cash out en het onmiddellijk verlies aan rendement daarop. Dit vergt een individuele benadering.

In de praktijk is het nuttig in dergelijke gevallen overigens ook na te denken over de verdere uitbouw van een holdingstructuur als alternatief, inzonderheid door het onderbrengen van de thans privaat aangehouden aandelen in een holding. De aandelen kunnen in de holding worden ingebracht aan hun werkelijke waarde, hetgeen betekent dat niet alleen rekening wordt gehouden met de substantiële waarde van de vennootschap maar ook met eventuele latente meerwaarden en/of dat een waarde aan de goodwill wordt vastgekoppeld. Naar aanleiding van de inbreng van de aandelen in de holding wordt voor de werkelijke waarde van de ingebrachte aandelen, fiscaal volstort kapitaal gevormd in de holdingvennootschap. Hiermee wordt de in het begin van het artikel beoogde doelstelling - anticiperen op een liquidatieheffing en de verhoging van het toepasselijk tarief - eveneens bereikt; maar er is meer, ook de winsten van 2012 / 2013 alsmede latente meerwaarden en eventueel goodwill worden vastgeklikt in het fiscaal gestort kapitaal waardoor er geoptimaliseerd wordt op vlak van liquidatieheffing; immers, de exploitatievennootschap kan op termijn vereffend worden en doordat de aandeelhouder de holdingvennootschap is, is er vrijstelling van liquidatieheffing; in een latere fase zou ook de holding kunnen worden vereffend naar de private aandeelhouders toe, maar door het gevormd fiscaal gestort kapitaal zal de berekeningsgrondslag voor de liquidatieheffing beperkt(er) zijn. Een holdingstructuur heeft daarbovenop nog andere opportuniteiten; de holdingvennootschap kan worden uitgebouwd tot investeringsvehikel en/of tot familiaal controlevehikel.

Een tweede aandachtspunt is dat de omzetting van belaste reserves in kapitaal – en daardoor de vorming van een groot kapitaal - in bepaalde vennootschappen weinig economische meerwaarde biedt, wel integendeel. Het heeft weinig nut dat vennootschappen van bv. vrij beroepers een aanzienlijk kapitaal hebben. Vanuit deze vaststelling groeit de praktijk om deze vennootschappen in bepaalde gevallen belast partieel te splitsen door oprichting van een zustervennootschap met inbreng van de beleggingen uit de bestaande vennootschap. De zustervennootschap wordt uitgebouwd als een patrimoniumvennootschap. Door de partiële splitsing belast te laten verlopen (hetgeen kan door de splitsing niet onder de vennootschapsrechtelijke definitie van partiële splitsing te laten vallen) is er ook sprake van een discontinue splitsing, zowel op boekhoudkundig als op fiscaal vlak. Dit betekent enerzijds dat er op de afgesplitste reserves 10% liquidatieheffing verschuldigd is, anderzijds dat in de patrimoniumvennootschap ten belope van de ingebrachte waarde fiscaal gestort kapitaal wordt gevormd. Bijkomend voordeel van dit alternatief is dat meer dan alleen maar uiterlijk op 31 maart 2013 door de algemene vergadering goedgekeurde reserves kunnen worden vastgeklikt; de reserves kunnen worden vastgeklikt zoals deze bestaan op het ogenblik van de partiële splitsing.

De interne liquidatie kan in bepaalde gevallen ongetwijfeld nut hebben zo een liquidatie binnen een aantal jaar in de pipeline zat en de vennootschap over overtollige liquide middelen beschikt. In bedrijven going concern is dat wellicht veel minder het geval en kan er best ook worden nagedacht over alternatieven voor het verzekeren van de fiscale toekomst. Bepaalde van die alternatieven hebben immers veel verstrekkender positieve fiscale en andere gevolgen dan de systematiek van de interne liquidatie.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.