Improductief bedrijfsvastgoed en vemindering onroerende voorheffing: 'overmacht' ≠ 'force majeure' !?

Improductief bedrijfsvastgoed en vemindering onroerende voorheffing: 'overmacht' ≠ 'force majeure' !?

Als een gebouwd onroerend goed een gedeelte van het jaar heeft leeggestaan en geen inkomsten heeft opgebracht kan de onroerende voorheffing proportioneel verminderd worden voor de periode van het jaar waarin het onroerend goed improductief is geweest.

Er moet wel voldaan zijn aan een aantal voorwaarden. Het moet gaan om een niet-gemeubileerd gebouwd onroerend goed: gemeubelde gebouwen of ongebouwde onroerende goederen zoals gronden komen dus niet in aanmerking. Deze voorwaarde maakt dat het in de praktijk vooral bedrijfsvastgoed is dat voor de vrijstelling in aanmerking komt. De leegstand en de improductiviteit van het gebouw moeten tijdens het aanslagjaar minstens 90 dagen geduurd hebben zonder dat deze periode aaneensluitend moet zijn.

Voor onroerende goederen die langer dan 12 maanden niet in gebruik zijn genomen, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, zijn er strengere voorwaarden. Dan kan de proportionele vermindering van de onroerende voorheffing alleen worden verleend (naast een aantal specifieke gevallen inzake onteigening en inzake verbouwing met sociaal of cultureel doel) voor een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen.

De hier geschetste regeling betreft de regeling zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest (art. 2.1.5.0.2 Vlaamse Codex Fiscaliteit juncto art. 15 §1, 1° WIB 92). In het Waalse Gewest is een gelijkaardige regeling van toepassing (art. 257, 4° WIB 92 zoals van toepassing op het Waals Gewest). Evenzeer in de Waalse regeling zijn strengere eisen gesteld voor de vermindering van de onroerende voorheffing wanneer het onroerend goed sinds meer dan twaalf maanden niet meer in gebruik is. In geval van het niet kunnen uitoefenen door de belastingplichtige van zijn zakelijke rechten wegens ramp, overmacht of een administratieve of gerechtelijke procedure blijft er ook in de Waalse regeling recht op de vermindering.

In geschillen omtrent de vermindering van onroerende voorheffing betreft het veelal situaties waarin het betrokken bedrijfspand meer dan 12 maanden improductief is. Het betreft dan meestal discussies of er sprake is van overmacht in de zin van de voornoemde regelingen.

In de rechtspraak lijkt omtrent de interpretatie van het begrip "overmacht" een opvallende breuklijn te ontwaren.

Het komt immers voor dat de rechtspraak met betrekking tot de Vlaamse regeling het overmachtsbegrip ruim interpreteert in die zin dat de betrokken belastingplichtige ook bij een improductiviteit van langer dan 12 maanden, kan aantonen dat de improductiviteit onvrijwillig is en dat hij al wat redelijk mogelijk is in het werk heeft gesteld om de improductiviteit te voorkomen (preventief) en dat hij dit evenzeer doet om dit onroerend goed opnieuw productief te maken (schade beperkend). De belastingplichtige dient met andere woorden te hebben gehandeld als een bonus pater familias-bedrijfsleider (zie artikel Fiscale Actualiteit 2014 nr. 20, pag. 4-7, Onproductief bedrijfsvastgoed: economische realiteit werkt door in fiscalibus, S. Vancolen en H. Vanlandeghem).

Het Hof van Beroep van Mons ziet dit anders, evenwel in het kader van de regeling zoals van toepassing op het Waalse Gewest. Volgens dit hof heeft de Waalse wetgever met het begrip "overmacht" ("force majeure") in de regeling omtrent de proportionele vermindering van onroerende voorheffing niet willen afwijken van het gemeenrechtelijk begrip "overmacht" zoals gedefinieerd door het Hof van Cassatie. Volgens Cassatie is er enkel overmacht in geval van omstandigheden onafhankelijk van de menselijke wil, die niet kon worden voorzien noch vermeden (zoals een natuurramp).

Het hof van beroep van Mons weigerde aan het Grondwettelijk Hof dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen. Deze vraag kwam er op neer te weten of het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden wanneer het begrip overmacht in de betrokken Waalse regelgeving strikt wordt geïnterpreteerd, evenzeer in situaties waarin de belastingplichtige al het mogelijk heeft gedaan om de improductiviteit van het onroerend goed te voorkomen en ongedaan te maken zonder dat er sprake is van bv een natuurramp  (Mons 25 maart 2016, niet gepubl.).

De rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik heeft blijkbaar meer twijfels over de vraag of het gemeenrechtelijk begrip "overmacht" wel werkzaam is in fiscalibus, meer bepaald inzake de Waalse regeling aangaande de vermindering onroerende voorheffing.

Deze rechtbank heeft immers in een vonnis van 14 januari 2016 aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: "Wanneer de uitzonderingen op de 12 maanden-regel niet van toepassing zijn, is het dan discriminerend dat belastingplichtigen die hun onroerend goed rendabel hebben willen maken maar daarvan werden weerhouden (anders dan wegens overmacht e.d.) op dezelfde manier worden behandeld als belastingplichtigen die zelfs niet de bedoeling gehad hebben gehad hun onroerend goed rendabel te maken en het hebben laten vervallen?"  (Rb. Luik 14 januari 2016, B.S. 25 augustus 2016, 2° ed).

In geval het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag positief zou beantwoorden lijkt dit concreet te impliceren dat evenzeer in de regelgeving zoals van toepassing op het Waalse Gewest omtrent de vermindering onroerende voorheffing het begrip "force majeure" een eigen fiscale invulling kent. Er zou dan bij een improductiviteit van meer dan 12 maanden ook in het kader van de Waalse regelgeving moet worden nagegaan of de betrokken belastingplichtige al het mogelijke heeft aangedaan om de improductiviteit te vermijden en te doen ophouden, zelfs al is er geen sprake van een traditionele overmachtssituatie zoals bv een brand of een overstroming.

Als een bedrijfsvastgoed een gedeelte van het jaar improductief is gebleven kan zowel in het Vlaamse Gewest als in het Waalse Gewest, onder bepaalde voorwaarden, de onroerende voorheffing voor de betrokken periode proportioneel verminderd worden. Voor periodes van improductiviteit van langer dan 12 maanden is er in principe geen vrijstelling meer tenzij in een aantal uitzonderingsgevallen zoals overmacht. Onder de regelgeving zoals van toepassing op het Vlaamse Gewest lijkt het begrip overmacht een eigen fiscale invulling te krijgen die er op neer komt dat de belastingplichtige al wat redelijk mogelijk is in het werk heeft gesteld om de improductiviteit te voorkomen en het onroerend goed opnieuw rendabel te maken. Wellicht zal het antwoord van het Grondwettelijk Hof op een prejudiciële vraag binnenkort duidelijk maken of het begrip overmacht in de regelgeving zoals van toepassing in het Waalse Gewest op dezelfde manier dient te worden geïnterpreteerd.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.