Het spanningsveld tussen de oude en de nieuwe fiscale cultuur. overdreven criminalisering en te strenge vervolging - een kentering?

Het spanningsveld tussen de oude en de nieuwe fiscale cultuur. overdreven criminalisering en te strenge vervolging - een kentering?

OVERDREVEN CRIMINALISERING?

In de fiscale wetboeken is er geen definitie terug te vinden van belastingontduiking. Ze bevatten wel telkens een zogenaamde “catch all” – bepaling. Met één enkele bepaling wordt op die manier het ganse wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten strafbaar gesteld met gevangenisstraffen en met geldboetes of met één van deze straffen alleen en dit “onverminderd de administratieve sancties” (zie bv. art. 449 WIB 92, art. 73 W.BTW, art. 206 W.Reg. en art. 133 W.Reg.). Het Belgisch fiscaal recht is op die manier fundamenteel gepenaliseerd. Telkens de fiscale wet wordt overtreden met een bedrieglijk opzet (zijnde bewust en met de bedoeling minder belasting te betalen) pleegt men een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf.

Belastingontduikingvalt te onderscheiden van belastingontwijking. Ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie is belastingontwijking immers in principe toegelaten (de zogenaamde Brepolsleer). Partijen kunnen met name gebruik makend van hun contractsvrijheid rechtshandelingen stellen met de bedoeling een voordeliger belastingregime te genieten, mits zij alle gevolgen ervan aanvaarden en wanneer zij geen wettelijke bepalingen schenden. Een werkzame belastingontwijking veronderstelt ondermeer dat men geen fiscale wetten of andere wetten van openbare orde overtreedt en dat men ook rekening houdt met specifieke wetsbepalingen die het belastingontwijkend effect van rechtshandelingen kunnen neutraliseren. Zo vereist artikel 344 §1 WIB 92 (de zogenaamde anti-misbruikbepaling) het bewijs van rechtmatige of financiële economische behoeften wanneer een kwalificatie door partijen van een akte de bedoeling heeft belasting te ontwijken. Een niet-werkzame belastingontwijking kwalificeert slechts als een (strafbare) belastingontduiking wanneer er sprake is van een overtreding die met een bedrieglijk opzet is begaan. In hoofde van de administratie kan men evenwel een zekere tendens ontwaren om een overtreding van een fiscale wet te aanzien als een zogenaamde belastingfraude hoewel de intentie om belasting te ontduiken ontbreekt. Het gaat dan bijvoorbeeld over een onachtzaamheid of een vergetelheid of nog het niet slagen in een bewijslast.

Eens dan toch de fiscale inbreuk is begaan met een bedrieglijk opzet, stelt zich de vraag naar de bestraffing van het misdrijf. De inbreuk zal ingevolge de voornoemde catch-all-bepalingen aanleiding kunnen geven tot zowel een administratieve sanctie als een strafsanctie. Administratieve sancties kunnen volgens de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) kwalificeren als strafsancties.  De vraag rijst dan ook naar een mogelijke schending van het recht om voor dezelfde feiten geen tweemaal te worden bestraft (het non bis in idem-beginsel). De rechtspraak van het Hof van Cassatie en van het Grondwettelijk Hof zit wat dit betreft niet op dezelfde lijn. In een arrest van 19 juni 2009 (Ruotsalainen-arrest) oordeelde het EHRM in een fiscale zaak in essentie dat voor substantieel dezelfde feiten slechts één sanctie met repressief karakter kan worden opgelegd voor zowel de strafrechtelijke als de fiscale inbreuk. Het belang van dit arrest kan bezwaarlijk worden onderschat; het betekent wellicht de doodsteek voor het Belgisch fiscaal sanctiestelsel. De wetgever is zich daarvan ter dege bewust. Het voorgaande zal wellicht leiden tot de invoering van het zogenaamde “Una Via”-systeem waarbij er ondermeer wordt afgestapt van de cumul van straffen doordat een fraudedossier uiteindelijk slechts één weg meer volgt; ofwel een behandeling door het gerecht ofwel door de fiscus. De volwaardige erkenning van het non bis in idem-beginsel in fiscalibus kan worden aangemerkt als een kentering in de tendens tot overdreven criminalisering van fiscale inbreuken.

Een ander voorbeeld van hoe de tendens tot overdreven strafbaarstelling enigszins wordt getemperd is het arrest van het Hof van Cassatie van 10 september 2010 inzake de bijzondere aanslag geheime commissielonen. Naar Belgisch recht is deze aanslag een heffing in het kader van de vennootschapsbelasting voor gelden die de vennootschap verlaten zonder passende verantwoording (art. 219 WIB 92). Het tarief bedraagt 309 % en wil het verlies van de schatkist op het vlak van de personenbelasting en de socialezekerheidsbijdragen compenseren. Cassatie oordeelde dat in zoverre de bijzondere aanslag er toe strekt het verlies van de belasting en de sociale bijdragen te vergoeden, zij geen strafrechtelijk karakter heeft. Dit is een genuanceerde uitspraak; de vraag rijst immers of de bijzondere aanslag geen strafsanctie is in de mate zij wel verder zou reiken dan het vergoeden van het voornoemde verlies. Het cassatiearrest had immers betrekking op de oude regeling inzake de aanslag geheime commissielonen en het is zeer de vraag hoe cassatie zou oordelen over de huidige aanslag geheime commissielonen die inmiddels is verhoogd tot 309 % (zie: artikel Cassatie over strafkarakter geheime commissielonen: Roma Locuta, causa finita?).

Voor een laatste voorbeeld verwijzen wij naar de uitzonderingbepaling die in fiscalibus geldt in de repressieve witwaswetgeving voor het zogenaamde eerste en derde witwasmisdrijf (art. 505 Sw). Zij die niet de dader zijn van het misdrijf waaruit het illegaal vermogensvoordeel voorkomt (de zogenaamde derden, cf. bv een bankier) kunnen ingevolge deze uitzondering niet worden vervolgd voor ondermeer het kopen, ruilen ontvangen bezitten bewaren of beheren van het illegale vermogensvoordeel, althans indien dit afkomstig is van een gewone fiscale fraude. Deze immuniteit geldt aldus niet voor de dader, de mededader en de medeplichtige van het basismisdrijf die het illegale vermogensvoordeel oplevert en in geval van ernstige en georganiseerde fiscale fraude. Zij  geldt evenmin bij het omzetten of het overdragen van het illegale vermogensvoordeel met het motief om de illegale herkomst te verbergen of de dader te helpen (het tweede witwasmisdrijf).

TE STRENGE VERVOLGING?

Dat de wetgever fiscale inbreuken steeds strenger wenst te vervolgen blijkt ondermeer uit de verlenging van de verjaringstermijnen bij fraude van 5 tot 7 jaar (Programmawet 22 december 2008). Ook de uitbreiding van het visitatierecht van beroepslokalen door de ambtenaren van de directe belastingen wijst in die richting (Wet 19 mei 2010). Voortaan kunnen deze ambtenaren wanneer zij een controle doen in een beroepslokaal de boeken en stukken onderzoeken die ze daar aantreffen. Zij mogen daarbij laden en kasten openen. Voorheen hadden alleen de ambtenaren van de BTW deze bevoegdheid (zie artikelen  “Recente wijzigingen in de fiscale procedure” en “De grenzen van de fiscale controle ter plaatse: controleer uw controleur!”).

De cumul van sancties en een tendens tot een te ruime interpretatie van het begrip belastingontduiking laten blijken dat er wat betreft inbreuken op de fiscale regelgeving er sprake lijkt van een overdreven criminalisering. Evenwel zijn er kenteringen merkbaar zoals bijvoorbeeld het recht geen tweemaal bestraft te worden voor dezelfde feiten dat ook in fiscalibus wordt erkend. Ook wat betreft de vervolging van fiscale inbreuken is er een verstrenging merkbaar. Daar kan evenwel niets op tegen zijn mits zij efficiënt gebeurt en met een proportionele en doordachte inzet van de wettelijke instrumenten en mits respect voor de rechten van de verdediging. De wetgever is er zich van bewust dat het in de toekomst anders zal moeten zoals ondermeer blijkt uit de initiatieven inzake “Una Via”. De wetgever zal zich wellicht genoodzaakt zien een systeem uit te werken waarbij fraudedossiers nog maar “één weg” inslaan: ofwel via het gerecht ofwel via de fiscus.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.