Het kmo-statuut in fiscalibus: het consortium als onzichtbare mol?

Het kmo-statuut in fiscalibus: het consortium als onzichtbare mol?

24.12.2010
Jan Sandra (Advocaat-vennoot), Alexander Loobuyck (Advocaat)

Op het formulier van de aangifte vennootschapsbelasting werd met ingang van aanslagjaar 2010 een vak XV 'grootte van de vennootschap' toegevoegd. In dit vak moet de belastingplichtige vennootschap onder meer vermelden of zij een grote dan wel een kleine vennootschap is. Het statuut van kleine of grote vennootschap is afhankelijk van het overschrijden van een aantal hiernavermelde criteria (inzake personeelsbestand, jaaromzet en balanstotaal) gedurende de twee voorgaande boekjaren. De fiscus heeft met de invoering van dit vak de bedoeling om op termijn automatisch te kunnen bepalen of een vennootschap voor een bepaald boekjaar groot of klein is (op basis van de gegevens van de twee voorgaande boekjaren).

Belang kmo-begrip

Een aantal fiscale voordelen zijn immers uitsluitend voorbehouden voor kleine (kmo-)vennootschappen. Dit betreft onder meer volgende zaken:

  • beveiligingskosten zijn voor 120% aftrekbaar (art. 185quater WIB 1992);
  • afschrijvingen worden in het jaar van aanschaffing of inbreng van een actief niet pro rata beperkt en bijkomende kosten kunnen in één keer worden afgeschreven of op een andere wijze als de activa waarop ze betrekking hebben (art. 196 § 2 j° art. 62 WIB 1992);
  • het tarief van de notionele interestaftrek is 0,5% hoger (art. 205quater § 6 WIB 1992);
  • de mogelijkheid tot aanleg van een investeringsreserve (art. 194quater § 1 WIB 1992);
  • er vindt geen vermeerdering wegens ontbrekende voorafbetalingen plaats gedurende de eerste drie boekjaren vanaf de oprichting (art. 218 § 2 WIB 1992).

Criteria

Artikel 15 § 1 van het Wetboek van vennootschappen bepaalt wat onder een kleine vennootschap moet worden verstaan: "vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst en het voorlaatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één der volgende criteria overschrijden:
-  jaargemiddelde van het personeelsbestand : 50;
-  jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde : 7.300.000 EUR;
-  balanstotaal : 3.650.000 EUR;
tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt."

Op geconsolideerde basis

Tot en met aanslagjaar 2009 zijn er zeer goede redenen om aan te nemen dat de criteria van art. 15, § 1 W.Venn. in fiscalibus niet op geconsolideerde basis moeten worden berekend (zie S. LAMOTE en D. VERHAEGHE, "Tarief notionele interestaftrek voor groepskmo's- de wet is duidelijk", Taxforius 7 mei 2010 http://www.taxforius.be/taxotheek.php).

Een berekening van de criteria op geconsolideerde basis impliceert dat het statuut van kleine of grote vennootschap berekend wordt op groepsniveau en niet op het niveau van de individuele vennootschap. De fiscale voordelen verbonden aan een kleine vennootschap worden in dit geval slechts verkregen indien zij samen met de vennootschappen die met haar 'verbonden' zijn de voormelde criteria niet overschrijdt.

Vanaf aanslagjaar 2010 moeten de criteria in hoofde van verbonden vennootschappen sowieso op geconsolideerde basis worden berekend (zie art. 50, eerste lid Wet houdende fiscale en diverse bepalingen 22 december 2009).

Verbonden vennootschappen

Art. 11 W.Venn. bepaalt wanneer vennootschappen met elkaar verbonden zijn. Dit is onder meer het geval wanneer er sprake is van controle van de ene vennootschap over de andere vennootschap of wanneer de vennootschappen samen een consortium vormen.

Er is sprake van rechtstreekse controle van de ene vennootschap over de andere indien deze vennootschap zelf de bevoegdheid heeft om de meerderheid van de stemrechten verbonden aan de aandelen van de andere vennootschap uit te oefenen.

De controle is daarentegen onrechtstreeks indien zij via een dochtervennootschap gebeurt. De onrechtstreekse controlebevoegdheid via een dochtervennootschap moet echter bij de rechtstreekse controlebevoegdheid worden geteld.

De gevallen waarin er sprake is van controle zijn in het algemeen echter vrij duidelijk en veroorzaken in de praktijk nauwelijks problemen. Anders is het echter in de situatie waarin er sprake is van een consortium.

Consortium

Er is sprake van een consortium wanneer een vennootschap enerzijds en één of meer andere vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht anderzijds, die geen dochtervennootschappen zijn van elkaar, noch dochtervennootschappen zijn van één en dezelfde vennootschap, onder centrale leiding staan (art. 10, § 1 W.Venn.).

In de praktijk zorgt dit artikel vaak voor verrassingen. Veel cijferberoepers beschikken vaak immers niet over de nodige feitelijke gegevens om het bestaan van een consortium te kunnen vaststellen.

Vennootschappen worden onweerlegbaar vermoed onder centrale leiding te staan wanneer de centrale leiding van deze vennootschappen voortvloeit uit tussen deze vennootschappen gesloten overeenkomsten of uit statutaire bepalingen of wanneer de bestuursorganen van de vennootschappen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen (art. 10, § 2 W.Venn.) (vb. vennootschap 1 wordt bestuurd door bestuurder A, B en C en vennootschap 2 wordt bestuurd door bestuurder A, B en D. Beide vennootschappen zullen bijgevolg onweerlegbaar worden vermoed een consortium en dus verbonden te zijn).

Daarnaast bestaat er ook nog een weerlegbaar vermoeden van centrale leiding indien de meerderheid van de aandelen van de vennootschap wordt aangehouden door dezelfde personen (art. 10, § 3 W.Venn.) Dit is bijvoorbeeld het geval in het hiernavolgende voorbeeld. De aandelen van vennootschap 1 worden voor 30% gehouden door aandeelhouder A, voor 40% door aandeelhouder B en voor 30% door aandeelhouder C. De aandelen van vennootschap 2 worden voor 50% gehouden door aandeelhouder A en voor 50% door aandeelhouder B. Aandeelhouder A en B hebben zowel de meerderheid in vennootschap 1 als in vennootschap 2. Beide vennootschappen worden bijgevolg vermoed een consortium en dus verbonden te zijn.

De filosofie van deze bepaling lijkt te zijn dat, om het vermoeden te weerleggen, er aangetoond moet worden dat er geen sprake is van centrale leiding van de betrokken vennootschappen. Het komt ons voor dat het vermoeden van consortium slechts zal kunnen worden weerlegd indien kan aangetoond worden dat het niet dezelfde personen zijn die de juridische of de feitelijke leiding van de betrokken vennootschappen hebben. Dit betekent dat dezelfde personen de facto geen beslissende invloed op de leiding van beide vennootschappen mogen uitoefenen.

Gevolg

Ook in het geval vennootschappen deel uitmaken van een consortium zijn zij verbonden in de zin van art. 15, § 5 W.Venn. Fiscaal gezien zal dit een aandachtspunt zijn aangezien de voordelen van een kleine vennootschap in dat geval slechts worden toegekend indien de betrokken vennootschap samen met de andere vennootschap(pen) uit het consortium de criteria inzake kleine vennootschappen (art. 15, § 1 W.Venn.) niet overschrijdt. Het ziet er echter naar uit dat deze situatie op fiscaal vlak voor veel onaangename verrassingen zal zorgen.

Besluit

Een aantal fiscale voordelen wordt enkel voorbehouden voor vennootschappen met een kmo-statuut. Om als kleine vennootschap te worden gekwalificeerd mogen een aantal criteria niet overschreden worden (art. 15, § 1 W.Venn.). De berekening van deze criteria moet gebeuren op geconsolideerde basis (art. 15, § 5 W.Venn.). Deze geconsolideerde berekening is niet enkel van toepassing op moeder-dochtervennootschappen maar bijvoorbeeld ook op consortia (bv. meerderheid van de bestuurders van twee vennootschappen is dezelfde). In de praktijk blijken dergelijke consortia evenwel niet altijd opgemerkt te worden. Door de invoering van het nieuwe vak XV 'grootte van de vennootschap' in de aangifte vennootschapsbelasting vanaf aanslagjaar 2010 zullen deze consortia echter sowieso aan de oppervlakte (moeten) komen.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.