Fiscaliteit en milieurisico's: voorzieningen vrijstelbaar?

Fiscaliteit en milieurisico's: voorzieningen vrijstelbaar?

16.08.2011
mr. Stijn Lamote (advocaat-vennoot) en mr. Dries Verhaeghe (advocaat)
Anno 2011 is de wisselwerking tussen fiscaliteit en milieu zelden ver weg. Fiscale maatregelen (zowel ontradende als stimulerende) zijn enerzijds vaak gelinkt aan het milieu, men denke bij voorbeeld aan de fiscale aftrek voor “groene” leningen, de fiscale aftrekbaarheid van bedrijfswagens op basis van de CO2-uitstoot, … Anderzijds kunnen de diverse milieuverplichtingen waarmee onze ondernemingen geconfronteerd worden de fiscale toestand van de ondernemingen in niet onbelangrijke mate beïnvloeden, bij voorbeeld de fiscaal vrijgestelde voorzieningen voor saneringsmaatregelen (artikel 48 WIB 92). Tweerichtingsverkeer dus.

De fiscaal vrijstelbare voorziening voor milieupassief maakt wel eens het voorwerp uit van een discussie tussen fiscus en belastingplichtige. Een verschil in visie over de voorwaarden om een fiscaal vrijgestelde voorziening te kunnen aanleggen ligt hieraan ten grondslag.

Eerst en vooral weze het opgemerkt dat geen specifieke wettelijke regeling voorhanden is voor fiscaal vrijgestelde voorzieningen voor milieu-uitgaven. De algemene wettelijke voorwaarden voor fiscaal vrijgestelde voorzieningen, zoals opgenomen in de artikelen 48 WIB 92 juncto 22-27 KB/WIB 92, zijn derhalve aan de orde. Samengevat zijn de relevante voorwaarden de volgende:

  1. de (milieu-)kosten ter bestrijding waarvan de voorziening wordt aangelegd moeten als beroepskost aftrekbaar zijn;
  2. de (milieu-)kosten waarvoor de voorziening wordt aangelegd moeten scherp omschreven zijn; dit betekent dat voorzieningen voor algemene niet nader omschreven risico’s niet fiscaal vrijgesteld kunnen zijn;
  3. het moet volgens de aan de gang zijnde gebeurtenissen (op het ogenblik van het aanleggen van de provisie) waarschijnlijk zijn dat de betrokken (milieu-)kosten zullen moeten worden gemaakt; hiertegenover staan de kosten die slechts “mogelijk” zullen moeten worden gemaakt waarvoor geen fiscaal vrijgestelde voorzieningen kunnen worden aangelegd;
  4. de voorziening moet bij het afsluiten van het betrokken boekjaar zijn geboekt en het bedrag ervan moet op één of meer afzonderlijke rekening(en) voorkomen;
  5. de voorziening moet worden verantwoord en uiteengezet in een door het Ministerie van Financiën gemodelleerde staat.
Voornamelijk de tweede en derde voorwaarde (die doorgaans gezamenlijk worden benaderd) geven stof tot discussie.
 
Het komt de belastingplichtige toe te bewijzen dat de (milieu-)uitgaven waarvoor een voorziening wordt aangelegd:
  • scherp/specifiek omschreven zijn (bij voorbeeld: kosten voor de sanering van een bepaald perceel waarbij een milieudeskundige de uitgaven raamt op een bepaald bedrag);
  • zich waarschijnlijk zullen voordoen (bij voorbeeld: men oefent een activiteit uit die uit zijn aard saneringsmaatregelen met zich meebrengt, bij voorbeeld het uitbaten van een stortplaats, een tankstation, …; anders gesteld, de concrete omstandigheden wijzen op een verontreinigingsprobleem met risico’s voor verdere uitbreiding en/of verdere aansprakelijkheid dewelke moeten worden ingedijkt).
 Welnu, het gebeurt nog al eens dat de fiscus de bovenstaande wettelijke voorwaarden al te strikt interpreteert en zij bijkomende (niet in de wet voorkomende) voorwaarden oplegt opdat de fiscale vrijstelling voor een voorziening voor milieupassief kan worden aanvaard.

Zo heeft de administratie inzake voorzieningen voor bodemsaneringen een eigen invulling gegeven aan de voorwaarde dat de uitgaven waarvoor de voorziening wordt aangelegd “scherp omschreven en waarschijnlijk” moeten zijn. Inzonderheid gaat de administratie ervan uit dat aan deze voorwaarde pas zou zijn voldaan indien voorafgaand een bodemonderzoek werd uitgevoerd door een erkend bodemdeskundige die bodemverontreiniging heeft vastgesteld, waarbij deze bodemverontreiniging effectief een saneringsverplichting tot gevolg heeft; van een dergelijke saneringsverplichting is volgens de administratie vervolgens enkel sprake wanneer de belastingplichtige door OVAM werd aangemaand om een historisch verontreinigde grond te saneren, wanneer de overheid heeft gesteld dat bodemsaneringsnormen zijn overschreven of dat er een ernstige bedreiging is, wanneer men door de overheid in kennis is gesteld dat men een bodemsaneringsproject moet opstellen en/of jegens OVAM een financiële zekerheid moet stellen met betrekking tot uit te voeren bodemsaneringswerken … .

Daar waar de fiscus bovenstaande zelf gecreëerde stringente voorwaarden aanziet als een condito sine qua non opdat fiscaal vrijgestelde voorzieningen voor milieupassief kunnen worden aangelegd, miskent zij de bewoordingen en de draagwijdte van de in de wet opgenomen voorwaarden (artikel 48 WIB 92 juncto artikel 22-27 KB/WIB 92).

De voorlopig beperkte rechtspraak dienaangaande beoordeelt de provisies op basis van de wettelijke voorwaarden en ze beoordeelt en houdt rekening met de concrete omstandigheden eigen aan de zaak, inzonderheid de (vervuilende) aard van de bedrijfsactiviteiten in de betrokken periode en de concreet verwachte verontreinigingsproblemen; er wordt niet vereist dat de overheid (OVAM) reeds een vervuiling heeft vastgesteld en tot effectieve saneringsmaatregelen heeft aangemaand.

Onder bepaalde voorwaarden kunnen voorzieningen voor risico’s en kosten aangelegd worden die fiscaal vrijgesteld zijn. De invulling die de administratie aan deze voorwaarden geeft voor milieurisico’s zijn nogal beperkend en gaat de in de wet opgenomen voorwaarden te buiten. Essentieel is dat de milieu-uitgaven waarvoor de voorziening wordt aangelegd scherp omschreven kunnen worden en waarschijnlijk zijn gelet op de concrete omstandigheden en activiteiten (aard) van de zaak, niet minder maar zeker ook niets meer.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.