Fiscale strafzaken die onredelijk lang duren in het licht van het Panju arrest - strafvordering onontvankelijk?

Fiscale strafzaken die onredelijk lang duren in het licht van het Panju arrest - strafvordering onontvankelijk?

Volgens onder meer het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moeten strafprocessen, waaronder ook de fiscale strafzaken, binnen een redelijke termijn beëindigd zijn.

De redelijke termijn wordt in acht genomen vanaf het ogenblik waarop de verdachte in verdenking wordt gesteld of wanneer hij ingevolge een andere daad van het opsporingsonderzoek of van het gerechtelijk onderzoek onder de dreiging van een strafvervolging leeft en dit een ernstige weerslag heeft op zijn persoonlijke toestand, met name als hij verplicht is geweest bepaalde maatregelen te treffen om zich te verdedigen, vanaf het ogenblik waarop, ingevolge een verhoor of een dwangmaatregel, een tenlastelegging tegen hem is ontstaan of, zegt men, vanaf het ogenblik waarop hij kennis heeft van het feit dat tegen hem een strafvervolging is ingesteld. De redelijke termijn eindigt pas wanneer een einde wordt gemaakt aan de onzekerheid van de beklaagden omtrent hun lot, ingevolge een definitieve gerechtelijke beslissing.

De redelijke termijn wordt niet in abstracto bepaald maar concreet in het licht van de omstandigheden van elke zaak. Er wordt inzonderheid rekening gehouden met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagden, de houding van de gerechtelijke overheid en tenslotte de inzet van het geschil voor de particulier.

De duur van de rechtspleging die moet in acht genomen worden bevat het vooronderzoek en het onderzoek ter terechtzitting voor het vonnisgerecht. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft veel aandacht voor de houding van de gerechtelijke overheid in het benaarstigen van strafzaakonderzoeken en het berechten van verdachten. Het is bijzonder streng wat betreft periodes van inactiviteit uitgaande van de overheid. Volgens het EHRM valt ook in complexe zaken een langdurig stilzitten van de gerechtelijke autoriteiten niet te rechtvaardigen. Het Hof hekelde reeds meermaals het langdurig stilliggen van het vooronderzoek, het verstrijken van een lange termijn tussen het afsluiten van het onderzoek en de eindvordering van het Openbaar Ministerie en vervolgens tot het adiëren van de vonnisrechter.

Uit de rechtspraak van het EHRM kan als richtinggevend worden afgeleid dat een duurtijd van 6 jaar voor een onderzoek onredelijk is en dat een globale duurtijd van 8 jaar voor een strafprocedure eveneens problematisch wordt. In een vonnis van 26 mei 2015 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde dat de redelijke termijn in een fiscale strafzaak was overschreden gezien inmiddels 9 jaren waren verstreken sinds het aanvatten van de strafvordering. In een nog recenter vonnis, van 1 december 2015, evenzeer in een fiscale strafzaak, oordeelde de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk dat de redelijke termijn was overschreden gezien de diverse beklaagden reeds 4 tot 6 jaren het voorwerp uitmaakten van een strafvervolging.

Wat zijn de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken?

Wat de sanctie is van het overschrijden van de redelijke termijn wordt in artikel 6 EVRM niet gezegd. Het overschrijden van de redelijke termijn is evenwel in se een aantasting van een fundamenteel recht. De rechter kan dus niet beslissen dat het de beklaagde niet schaadt. De rechter zal in elk geval moeten beslissen welk het gevolg is van het overschrijden van de redelijke termijn. Hij moet een sanctie nemen.

De gevolgen van een schending van de redelijke termijn kunnen divers zijn. Het kan ondermeer aanleiding geven tot strafvermindering. De overschrijding van de redelijke termijn kan ook het verlenen van een uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf verantwoorden. Conform artikel 21 ter V.T.Sv. ingevoegd door de wet van 30 juni 2000 kan bij de overschrijding van de redelijke termijn de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.

De rechter kan evenwel volgens het Hof van Cassatie nog een stap verder gaan en de strafvordering onontvankelijk verklaren als door een onredelijke lange duur van de procedurede rechten van verdediging op onherstelbare wijze zijn aangetast. In het voornoemde vonnis van de rechtbank van Dendermonde oordeelde de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagden niet had aangetast; de strafvordering werd daarom niet onontvankelijk verklaard doch er werd wel een strafvermindering toegestaan. In de zaak waarin de correctionele rechtbank van Kortrijk de schending van de redelijke termijn vaststelde werd daarentegen de strafvordering wel degelijk onontvankelijk verklaard inzonderheid gezien de rechten van verdediging van de beklaagden dermate werden aangetast dat de eerlijke behandeling van de zaak ernstig en onherstelbaar in  het gedrang werd gebracht.

In het zogenaamde Panju-arrest van 28 oktober 2014 werd België (voor de zoveelste maal) door het EHRM op de vingers getikt voor de overschrijding van de redelijke termijn in een strafrechtelijk onderzoek. In deze zaak, waarnaar overigens de voornoemde Kortrijkse rechtbank verwees, wordt de heer Panju verdacht van witwas en goudsmokkel; na 12 jaren bevindt het dossier zich nog steeds in de fase van het vooronderzoek. Het EHRM stelde vast dat de redelijk termijn is overschreden én dat Panju daar naar Belgisch recht geen effectief rechtsmiddel tegen heeft. Vernieuwend is dat uit het Panju-arrest lijkt te kunnen worden afgeleid dat zelfs de loutere overschrijding van de redelijke termijn tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek moet kunnen leiden tot de vaststelling dat de strafvordering ontontvankelijk of vervallen is. Het EHRM geeft in haar arrest in ieder geval duidelijk aan dat België moet ingrijpen door in haar strafprocedure preventieve correctiemechanismen te voorzien teneinde een overschrijding van de redelijke termijn te kunnen vermijden (zie De Juristenkrant nr. 298, p. 1).

De overschrijding van de redelijke termijn in (fiscale) strafzaken wordt door het EHRM en door de rechtbanken terecht streng beoordeeld. Een situatie waarin een verdachte in bepaalde gevallen 5 tot 10 jaren of meer in de onzekerheid moet leven omtrent zijn lot op strafrechtelijk vlak (en de fiscale rekening die er desgevallend op volgt) is inderdaad onmenselijk te noemen. Het arrest Panju van het EHRM van 28 oktober 2014 lijkt de richting uit te gaan dat de loutere schending van de redelijke termijn aanleiding kan geven tot de onontvankelijkheid van de (fiscale) strafvordering en dus niet alleen in situaties waarin de rechten van verdediging van de beklaagden dermate werden aangetast dat de eerlijke behandeling van de zaak ernstig en onherstelbaar in het gedrang werd gebracht. Het komt evenwel verstandig voor om als verdachte blijvend, voor zoveel als mogelijk, concreet aan te duiden wat de impact van de overschrijding van de redelijke termijn is geweest op de uitoefening van zijn rechten van verdediging.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.