Fiscale Actualiteit: Vrijstelling onroerende voorheffing - Sociale werkplaats kan 'soortgelijke weldadigheidsinstelling' zijn

Fiscale Actualiteit: Vrijstelling onroerende voorheffing - Sociale werkplaats kan 'soortgelijke weldadigheidsinstelling' zijn

Als een onroerend goed zonder winstoogmerk wordt bestemd tot een ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling’, heeft de eigenaar recht op een vrijstelling van onroerende voorheffing. Aan die voorwaarden is volgens het Antwerpse hof voldaan als een erkende sociale werkplaats een onroerend goed bestemt tot tewerkstelling en begeleiding van hulpbehoevenden, en de wijze van tewerkstelling de maatschappelijke integratie van de kansarme werknemers dient. Er is dan immers sprake van sociale en maatschappelijke zorgverstrekking aan hulpbehoevenden. Daarmee wordt, onder impuls van het Grondwettelijk Hof, afgerekend met de beperkende interpretatie van Cassatie (Antwerpen 29 oktober 2019, 2017/AR/43).

Er bestaat vanouds een vrijstelling van onroerende voorheffing voor onroerende goederen die zonder winstoogmerk worden bestemd tot een van de in wet opgesomde instellingen én “soortgelijke weldadigheidsinstellingen” (art. 12 § 1 en 253 WIB92). De weldadigheidsinstellingen die het begrip “soortgelijke weldadigheidsinstelling” in de wettekst vooraf gaan, zijn hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen en vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden (sinds 1 januari 2014 is die regelgeving overgenomen in art. 2.1.6.0.1 1° VCF, waarin sinds aj. 2016 niet langer sprake is van vakantiehuizen voor kinderen). De restcategorie moet dus ‘soortgelijk’ zijn aan een van die instellingen.

Is kringloopwinkel soortgelijke weldadigheidinstelling?

De concrete betwisting betreft de aanslag in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2011 voor een onroerend goed in Peer voor een bedrag van € 830. Bvba S. is eigenaar van het pand, sinds die het op 11 mei 2010 aankocht. Op 11 februari 2010 had de vorige eigenaar het gebouw in huur gegeven aan vzw DB, een sociaal tewerkstellingscentrum. Door de navolgende eigendomsoverdracht was het dus nu bvba S. die het onroerend goed verhuurde aan vzw DB.

De vzw DB exploiteert in het onroerend goed een kringloopwinkel.

De eigenaar van het onroerend goed diende een bezwaarschrift in tegen de OV-aanslag. Daarin werd de vrijstelling van onroerende voorheffing geclaimd op grond van de stelling dat de vzw DB een ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling’ is. Het bezwaar werd afgewezen omdat volgens Vlabel een onroerend goed dat gebruikt wordt als kringloopwinkel, geen ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling’ is.

[hof Gent: opvang van hulpbehoevenden en arbeidszorg is ‘geestelijke zorg’] Het hof van beroep van Gent kende de vrijstelling toe in een arrest van 14/04/2015. Het Gentse hof oordeelde dat de huurder (vzw DB) het onroerend goed, als sociale werkplaats, aanwendde voor hulp aan hulpbehoevenden en daardoor kwalificeert als een soortgelijke weldadigheidsinstelling. De vzw is volgens het hof meer bepaald een instelling die arbeidszorg verstrekt, zijnde een wijze van geestelijke zorgverstrekking. En ze heeft ook geen winstoogmerk, dus ook die voorwaarde is vervuld.

Alleen fysieke en geestelijke zorg?

[Cassatie ziet géén geestelijke zorg]In een arrest van 7 april 2016 vernietigde het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep van Gent. Volgens Cassatie verschaft een sociale werkplaats tewerkstelling in een beschermde arbeidsomgeving aan bepaalde doelgroepen en heeft zij bijgevolg een activiteit die verschilt van een instelling die fysieke of geestelijke zorg verstrekt in de zin van artikel 12, §1 WIB 92.

Zo belandde de zaak uiteindelijk bij het hof van beroep van Antwerpen. Maar voor een goed begrip staan we best eerst stil bij het begrip ‘soortgelijke weldadigheidinstelling’.

[begrip soortgelijke weldadigheidsinstelling: veel discussie over analogie] Er zijn heel wat geschillen ontstaan en er is dus diverse rechtspraak over wat we precies moeten verstaan onder dat begrip (zie o.m.: A. Tiberghien, Handboek voor Fiscaal recht 2017-2018, Mechelen, Kluwer, 2017, p. 79, randnr. 1023,18; L. Dillen, Handboek Personenbelasting, 2017, Mechelen, Kluwer, 2017, randnr. 190, p. 148-150; S. Janssens, Onroerende voorheffing 2013, Mechelen, Kluwer, 2013, p.  65 en 93; R. Deblauwe en B. Peeters (eds), Fiscaliteit van de liefdadigheid, Belasting, vrijgevigheid en vrijwilligheid, Brussel, Larcier, 2002, p. 91-92).

[Cassatie was in 1948 al streng]In 1948 oordeelde het Hof van Cassatie al dat de vrijstelling van de grondbelasting slechts toepasselijk was als het goede werk analogie vertoont met een van de werken die de wet opsomt. Eender welk zedelijk of sociaal werk dat met de christelijke principes strookt, valt niet noodzakelijk binnen de goede werken die zijn bedoeld in de wet (Cass. 21 december 1948, AC 1948, 655). Enkel inrichtingen die een onbetwistbare analogie vertonen met hospitalen, rusthuizen enz. zouden ook in aanmerking komen voor de vrijstelling (J. Heeren, “De fiscus en… de godshuizen, de rusthuizen en de rust- en verzorgingsinstellingen, RW 1991-92, 1458).

[Cassatie vult begrip eng in]Uiteindelijk is er een vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie gekomen over het begrip. Volgens Cassatie moeten de vrijstellingsregels beperkend worden uitgelegd (Cass. 7 april 2016, F.15.0131.N/2-3 en 24 april 2015, F.14.0121.N/3). Met ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ worden volgens het Hof enkel instellingen bedoeld “die op eender welke wijze fysieke of geestelijke zorg verstrekken” (o.m. Cass. 10 februari 2017, F.160013.N; Cass. 23 december 2016, F.15.0194.N/1 en Cass. 24 mei 2012, C.11.0492.N). Anderzijds belet het feit dat het verstrekken van de “fysieke of geestelijke zorg niet gepaard gaat met een overnachting in de instelling of met het verschaffen van onderdak” niet dat “een instelling die deze zorg verstrekt, een soortgelijke weldadigheidsinstelling is” (Cass. 10 februari 2017, F.16.0013,N/3). Het verstrekken van de zorg kan zelfs telefonisch gebeuren (Cass. 24 mei 2012, C.11.0492.N, i.v.m. een teleonthaaldienst). Op die punten lijkt er aldus eerder sprake van een ruimere uitlegging.

Of alle zorg?

[Grondwettelijk Hof ziet het ruimer, want doelstelling wetgever is hulpverlening aanmoedigen] Het Grondwettelijk Hof had in 2007 al geantwoord op de vraag of de vrijstellingsregels een discriminatie inhouden. Het Hof onderlijnde dat de doelstelling van de vrijstelling erin bestaat de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden gebruikt, fiscaal te begunstigen.

[GwH in 2007: opvang van hulpbehoevenden moet ook vrijgesteld zijn]Volgens het Grondwettelijk Hof zou het gelijkheidsbeginsel geschonden zijn als rusthuizen zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing, terwijl instellingen die andere personen dan bejaarden opvangen, niet dezelfde vrijstelling zouden krijgen. Het Hof gaf daarbij als voorbeelden gehandicapten, psychiatrische patiënten, thuislozen, vluchtelingen en armen (GwH 7 juni 2007, 84/2007). Daar waar het Hof van Cassatie het begrip soortgelijke weldadigheidsinstellingen verengt tot instellingen die fysieke of geestelijk zorg verstrekken, focust het Grondwettelijk Hof dus op de opvang van hulpbehoevenden in ruime zin.

[Cassatie hield voet bij stuk: geen vrijstelling voor sociale werkplaats] Op grond van zijn enge definitie (instellingen die fysieke of geestelijke zorg verstrekken) oordeelde het Hof van Cassatie dat erkende sociale werkplaatsen geen soortgelijke weldadigheidsinstellingen zijn. Het Hof vond dat een sociale werkplaats, die “tewerkstelling in een beschermde arbeidsomgeving verschaft aan bepaalde doelgroepen”, “een activiteit heeft die verschilt van een instelling die fysieke of geestelijke zorg verstrekt” (Cass. 7 april 2016, F.15.0131.N/2-3 en 24 april 2015, F.14.0121.N/3, Fisc. Act. 2015, 29/10). Niet alleen staat de voorwaarde van fysieke en geestelijke zorgverstrekking niet uitdrukkelijk in de wet, het is bovendien zeer de vraag of het Hof van Cassatie zich daar niet heeft gewaagd aan een feitenkwestie, waarvoor het zoals bekend niet bevoegd is. Of een instelling zorg verstrekt, lijkt toch een evaluatie van de concrete feiten en stukken te impliceren.

[GwH in 2018: ook sociale en maatschappelijke zorg]Wat er ook van zij, het Grondwettelijk Hof zette de puntjes op de i in zijn arrest van 29 maart 2018 (GwH 29 maart 2018, 44/2018). Het geschil betrof een vzw met een departement ”kringloopwinkel” en een departement “sociale dienst”. De vzw had als doel o.m. “het opvangen van personen en gezinnen die zich in een kwetsbare situatie bevinden of het risico lopen hierin terecht te komen” en “het ontwikkelen en waarborgen van de tewerkstelling van langdurig werklozen”.

Het Grondwettelijk Hof onderlijnde opnieuw het doel van de vrijstelling: de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aanmoedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen. In een grondwetsconforme interpretatie moet men er volgens het Hof van uitgaan dat instellingen die (zonder winstoogmerk) andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden verstrekken, evenzeer als soortgelijke weldadigheidsinstellingen kwalificeren en dus ook in aanmerking komen voor de vrijstelling. Die andere zorg kan dan bestaan uit bijvoorbeeld sociale en maatschappelijke zorgverstrekking aan hulpbehoevenden (zie S. Janssens in Fisc. Act. 2018, 15/9; F. EERENS, “Grondwettelijk Hof welwillend tegenover weldadigheidsinstellingen”, TFR 2019, afl. 557, 228; M. VERHOEVEN, “Meer zorgaanbieders vrijgesteld van onroerende voorheffing”, AFT 2018.11-12, 23; S. Vancolen en J. Sandra, “Vrijstelling onroerende voorheffing voor onroerende goederen bestemd tot “soortgelijke weldadigheidsinstellingen” - zit het Hof van Cassatie (al) op dezelfde golflengte als het Grondwettelijk Hof?”, TFR 2019, afl. 557, 231, noot onder Cass. 11 mei 2018).

Antwerpen schakelt naar grondwettelijk standpunt

Terug naar het hof van beroep van Antwerpen. Dat hof had de zaak op verzoek van de partijen uitgesteld in afwachting van de laatste uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

[arrest GwH is nieuw gegeven] Het arrest van het Grondwettelijk Hof betreft volgens het Antwerpse hof een nieuw gegeven. Het hof stelt zich te schikken naar de oplossing die het Grondwettelijk Hof geeft. Een grondwetsconforme interpretatie van de artikelen 12 § 1 en 253 WIB92 vereist dus dat ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ ook instellingen omvatten waar andere zorg dan fysische of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden wordt verstrekt.

[toets aan concrete feiten] Volgens het hof bestaat de doelstelling van de vrijstelling er in de onbaatzuchtige opvang van hulpbehoevenden aan te moedigen door de onroerende goederen die daartoe worden aangewend, fiscaal te begunstigen, en moet dat alles beoordeeld worden op basis van de feitelijke situatie.

[re-integratie van achtergestelden] Het hof stelt vast dat vzw DB een vereniging is die op verschillende plaatsen kringloopwinkels exploiteert, waaronder in het betreffende gebouw. Uit de statuten blijkt dat de vzw als doel heeft om via het uitbouwen van werkgelegenheid binnen sociale werkplaatsen, te zorgen voor re-integratie van de meest achtergestelde mensen in onze samenleving, met name zij die wegens persoons- en maatschappijgebonden factoren geen arbeidsplaats in het reguliere arbeidscircuit kunnen krijgen of behouden.

[tewerkstelling als middel tot hoger doel] Het hof stelt verder vast dat de vzw die tewerkstelling realiseert door productie op te zetten en/of maatschappelijke dienstverlenende activiteiten binnen een beschermde werkomgeving, en wel op een zo bedrijfsmatig mogelijke manier. Zij ontplooit daartoe niet alleen activiteiten als kringloopcentrum maar ook activiteiten m.b.t. groenonderhoud en -aanleg, natuurbeheer, strijken van kleding en linnengoed, technische werkzaamheden (timmer- en schrijnwerk, stukadoorwerk, schilderwerk, dakwerken, elektriciteit, verwarming en sanitair, algemene bouwwerken …). De vzw mag ook alle activiteiten ondernemen die dat doel kunnen bevorderen. Zij kan in die zin ook, maar slechts bijkomstig, handelsdaden stellen, als de opbrengst besteed wordt aan het doel waarvoor zij is opgericht. Een bedrijfsmatige organisatie vormt aldus geen probleem, zolang deze het liefdadig doel dient.

Naast de tewerkstelling in de verkoop, beidt de kringloopwinkel ook werkgelegenheid voor het ophalen, herstellen, opknappen, stockeren enz. van de goederen. Al die activiteiten staan open voor werkzoekenden met minder kansen op de arbeidsmarkt. De bedoeling is dus niet zonder meer tewerkstelling, wel de tewerkstelling en begeleiding van personen die hulpbehoevend zijn.

[maatschappelijke integratie van kansarmen] Volgens het hof dient de wijze van tewerkstelling de maatschappelijke integratie van de werknemers. Vzw DB gebruikt in de praktijk dus de kringloopwinkel(s) om haar kerntaak, namelijk de sociale (re)integratie van kansarmen, te bereiken. Vzw DB biedt immers een job, begeleiding en een toekomstperspectief aan mensen die, om welke reden ook, weinig of geen kansen krijgen op de gewone arbeidsmarkt [opvang, begeleiding en armoedebestrijding]. Het gaat volgens het hof dus duidelijk om hulpbehoevenden die niet in staat zijn om op de normale arbeidsmarkt tewerkgesteld te worden en die door vzw DB worden opgevangen en individueel begeleid met het oog op hun persoonlijke ontplooiing en op armoedebestrijding.

[maatschappelijke zorg, dus vrijstelling] Het gebouw wordt dan ook, besluit het hof, gebruikt voor zorgverstrekking aan hulpbehoevenden, wat de gemene deler is van de activiteiten van de hospitalen, rusthuizen enz. uit de wet. Vzw DB kan dus, volgens het hof, worden beschouwd als een weldadigheidsinstelling die soortgelijk is aan een hospitaal enz.

[Antwerpse hof stuurt zijn rechtspraak bij] Het Antwerpse hof schakelt op die manier naar een grondwetsconforme rechtspraak. Destijds oordeelde hetzelfde hof nog dat een sociale werkplaats géén soortgelijke weldadigheidsinstelling is, omdat er geen fysieke of geestelijke zorg wordt verstrekt. Het hof zag bovendien geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof (Antwerpen 28 februari 2017, 2015/AR/2228, www.monkey.be).

Het hier besproken arrest van het hof van beroep van Antwerpen kan worden toegejuicht. De concrete feiten komen, via een grondwetsconforme visie, letterlijk tot hun recht. In een heel recent arrest, van 21/01/2020, heeft het hof haar rechtspraak inmiddels bevestigd: een sociale werkplaats (kringloopwinkel) kan in een grondwetsconforme visie worden beschouwd als een ‘soortgelijke weldadigheidsinstelling’. Het hof is inzonderheid van oordeel dat de doelstelling van de sociale werkplaats niet zonder meer tewerkstelling is, maar wel tewerkstelling en begeleiding van personen die hulpbehoevend zijn met het oog op hun maatschappelijke en sociale (re)integratie in de samenleving. Volgens het hof biedt de sociale werkplaats mentale zorg, alsook opleiding, begeleiding en ondersteuning, hetgeen zeer vergelijkbaar is met de specifieke zorg die verstrekt wordt in de instellingen die uitdrukkelijk worden opgesomd in de wet (Antwerpen 21 januari 2020, 2016/AR/1837).

[Andere rechtbanken evenzeer] In een vonnis, van 11/12/2019, oordeelde de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent eveneens in die zin. Het betreft de zaak waarin de voornoemde prejudiciële vraag werd gesteld en die heeft geleid tot het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2018.  Op basis van de concrete feiten komt de rechtbank tot het besluit dat een VZW die enerzijds bestaat uit een kringloopwinkel en anderzijds uit een sociale dienst, kwalificeert als een soortgelijke weldadigheidsinstelling. Volgens de rechtbank verleent de VZW in de betrokken onroerende goederen sociale en maatschappelijke begeleiding aan de sociaal en/of economisch zwakkere medemens met als doel deze een meer menswaardig leven te verschaffen, hetgeen als een weldadigheid kan worden beschouwd. De rechtbank kende aldus de vrijstelling van onroerende voorheffing toe (rb. O.-Vl., afd. Gent 11 december 2019, 14/824/A).

Middels een arrest van 18 juni 2019 heeft overigens evenzeer het hof van beroep van Gent het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2018 gevolgd. Het betreft weliswaar een arrest aangaande beschutte werkplaatsen; deze worden evenwel net zoals de erkende sociale werkplaatsen sinds januari 2019 maatwerkbedrijven genoemd (zie Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, B.S. 18 april 2017). In het arrest wordt in essentie geoordeeld dat beschutte werkplaatsen zorg verstrekken die vergelijkbaar is met wat onderwijs doet ten aanzien van kinderen, en zelfs veel meer zorgverstrekkend dan wat het geval is in vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden, zelfs wat men in rustoorden doet ten aanzien van bejaarden (Gent 18 juni 2019, 2019/48, T.F.R. 571, 954).

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.

We zullen uw persoonsgegevens verwerken in overeenstemming met ons privacybeleid.