Fiscaal vooruitziend: de aftrek van vooruitbetaalde beroepskosten

Fiscaal vooruitziend: de aftrek van vooruitbetaalde beroepskosten

16.05.2011
Stijn Lamote (advocaat-vennoot) & Alexander Loobuyck (advocaat)

Eénjarigheidsbeginsel. De inkomstenbelastingen worden beheerst door het éénjarigheidsbeginsel. Dit impliceert dat de belasting wordt gevestigd op het beroepsinkomen dat de belastingplichtige in het betrokken belastbare tijdperk heeft verkregen. Een analoge systematiek inzake éénjarigheid geldt inzake de aftrek van beroepskosten. De fiscale wet voorziet immers dat beroepskosten slechts in aftrek van het belastbare resultaat kunnen worden gebracht indien zij in datzelfde belastbaar tijdperk werden gedaan of gedragen om deze belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

In dit verband stelt zich bijvoorbeeld de vraag of vooruitbetaalde kosten, dit zijn kosten die in éénmaal worden betaald maar op verschillende boekjaren betrekking hebben, onmiddellijk volledig in aftrek mogen worden gebracht.

Fiscale wet. De fiscale wet bepaalt dat beroepskosten als ‘gedaan’ of ‘gedragen’ worden beschouwd indien zij tijdens dat tijdperk:

  • werkelijk zijn betaald en als zodanig werden geboekt; of
  • werkelijk zijn gedragen en als zodanig werden geboekt; óf
  • het karakter van een zekere en vaststaande schuld of verlies hebben gekregen en als zodanig werden geboekt.

De belastingadministratie verduidelijkt bovenstaande wettekst onder meer met volgende passus (Com.IB 92 49/13): “Aldus zijn de in een bepaald jaar of boekjaar werkelijk betaalde kosten, die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een toekomstig tijdperk, aftrekbaar als beroepskosten van het jaar of boekjaar van de betaling (bv in december voor het volgende jaar betaalde verkeersbelasting, vooruitbetaalde huur of interest, enz.).” 

Boekhoudrecht. In het jaarrekeningenbesluit daarentegen wordt uitgegaan van het ‘matching-principe’ of het ‘overeenstemmingsbeginsel’. Dit betekent dat abstractie gemaakt wordt van het moment waarop de kost betaald wordt. Volgens het boekhoudrecht moet een kost worden geboekt tijdens het boekjaar waarop zij betrekking heeft (‘gedragen’), ongeacht het moment waarop ze effectief ‘betaald’ wordt. Heeft de kost, zoals bijvoorbeeld een vooruitbetaalde huur of een vooruitbetaalde managementvergoeding, betrekking op meerdere boekjaren, dan zal zij geprorateerd via overlopende rekeningen moeten ten laste worden gelegd van de boekjaren waarop het betrekking heeft.

Daar wringt nu net het schoentje: het fiscaal recht laat de volledige aftrek van een vooruitbetaalde kost eveneens toe op het moment dat zij betaald wordt of het karakter van een zekere en vaststaande schuld heeft verkregen, maar het vereist tevens dat deze kost dan ook als zodanig werd geboekt. Om een kost als zodanig te kunnen boeken, dienen in principe de regels van het jaarrekeningenbesluit te worden nageleefd. Het boekhoudrecht verzet zich zoals voormeld echter tegen dergelijke boekingswijze en laat in dit geval enkel de geprorateerde inresultaatneming van de kost toe.

Is de fiscale wet die de aftrek toelaat op het moment van betaling of op het moment dat de schuld een zeker en vaststaand karakter verkrijgt dan zonder voorwerp?


Terzijde schuiven boekhoudrecht.
In casu bestaat er met andere woorden een conflict tussen twee rechtsbronnen: de (fiscale) wet en het koninklijk (jaarrekeningen)besluit. Aangezien een wet hiërarchisch gezien hoger staat dan een koninklijk besluit, kan worden aangenomen dat de fiscale wet het jaarrekeningenbesluit terzijde kan schuiven. Bovendien is het fiscaal recht van openbare orde. Het is dus mogelijk om een toekomstige kost volledig in aftrek te brengen op het moment dat zij betaald wordt op voorwaarde dat zij, tegen het boekhoudrecht in, als zodanig geboekt wordt.

Opportuniteiten. Op deze manier kan ingespeeld worden op het fiscaal resultaat van vennootschappen. Zo kan een huurcontract tussen twee vennootschappen bijvoorbeeld voorzien dat de huur van verschillende jaren in éénmaal vooruitbetaald moet worden. De vennootschap die de huur vooruitbetaalt en als dusdanig boekt, kan deze kost volledig in aftrek brengen in het belastbaar tijdperk waarin ze betaald wordt. De vennootschap die de huur ontvangt, kan deze gespreid laten belasten door ze, volgens het overeenstemmingsbeginsel, via overlopende rekeningen slechts in resultaat te nemen in verhouding tot het tijdperk waarop zij betrekking heeft.

Ook de éénmalige boeking van de volledige huurprijs over verschillende jaren in rekening-courant kan onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven tot de volledige aftrek van de huurprijs voor het belastbaar tijdperk waarin de boeking gebeurde. Voorwaarde is wel dat de huurschuld voldoende zeker en vaststaand is. Een goed onderbouwd huurcontract dat de verbrekingsgronden tot uitzonderlijke situaties beperkt en de onmiddellijke opeisbaarheid van de volledige huurprijs bepaalt, kan hier onderbouw bieden aan de onmiddellijke aftrek. Dezelfde benadering kan in bepaalde omstandigheden worden gevolgd bij het afsluiten van managementcontracten, waarvan de prestaties zich uitstrekken over verscheidene jaren.

Conclusie: Het jaarrekeningenbesluit schrijft de proratering via overlopende rekeningen voor van kosten die betrekking hebben op toekomstige boekjaren, ook al worden zij in éénmaal vooruitbetaald of zijn ze zeker en vaststaand. De fiscale wet laat echter wel de volledige aftrek van de kosten in het jaar van hun betaling toe, ook al hebben zij betrekking op toekomstige boekjaren. Voorwaarde is echter wel dat deze kosten, weliswaar in strijd met het boekhoudrecht, dan ook als zodanig worden geboekt. Op grond van de hiërarchie van de rechtsnormen, lijkt het echter mogelijk om het jaarrekeningenbesluit terzijde te schuiven op grond van de fiscale wet. De vennootschap die de opbrengst ontvangt, kan deze dan gespreid laten belasten.

Nieuwsbrief Archief

loading

Inschrijven voor onze nieuwsbrief

IMPOSTO Nieuwsbrief verschijnt maandelijks rond de kernexpertises van IMPOSTO Advocaten. De invalshoek is praktijkgericht. Schrijf u gratis in.